Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:606

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2015
Datum publicatie
04-03-2015
Zaaknummer
201208027/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 mei 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208027/1/V1.

Datum uitspraak: 27 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 19 december 2011 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister) het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2012 heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens heeft de Afdeling partijen medegedeeld dat zij de behandeling van de zaak aanhoudt in afwachting van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in de zaak van de vreemdeling tegen Nederland, nr. 12738/10, de behandeling geschorst en elke verdere beslissing aangehouden.

Op 3 oktober 2014 heeft het EHRM een arrest in voormelde zaak gewezen (www.echr.coe.int; hierna: het arrest).

Bij brief van 21 oktober 2014 heeft de staatssecretaris de vreemdeling medegedeeld dat het besluit van 19 december 2011 is ingetrokken.

Bij besluit van 21 oktober 2014 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling tegen het besluit van 11 mei 2010 gemaakte bezwaar alsnog in zoverre gegrond verklaard dat aan haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend met ingang van 3 oktober 2014, geldig tot 3 oktober 2019. Dit besluit is aangehecht.

De rechtbank Den Haag heeft het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep aan de Afdeling doorgezonden. Dit beroepschrift is aangehecht.

Bij brief van 24 november 2014 heeft de vreemdeling het door haar ingestelde hoger beroep ingetrokken.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Het besluit wordt ingevolge artikel 6:24 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht voorwerp te zijn van dit geding. Nu de vreemdeling het door haar ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken is het geding beperkt tot het van rechtswege ontstane beroep van de vreemdeling tegen het besluit.

3. De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris ten onrechte de ingangsdatum van de verblijfsvergunning heeft bepaald op 3 oktober 2014, zijnde de datum van het arrest. Volgens de vreemdeling deden de omstandigheden die het EHRM voor het aannemen van de schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) van belang heeft geacht, zich reeds ten tijde van haar aanvraag van 16 april 2010 voor, zodat de verblijfsvergunning met ingang van die datum had moeten worden verleend.

3.1. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt de verblijfsvergunning, die van rechtswege rechtmatig verblijf inhoudt, verleend met ingang van de dag waarop de desbetreffende vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.

3.2. In het besluit, zoals nader toegelicht in het verweerschrift van 17 februari 2015, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "artikel 8 van het EVRM" met ingang van 3 oktober 2014 aan de vreemdeling wordt verleend, nu het EHRM zijn oordeel dat voormelde verdragsbepaling is geschonden heeft gebaseerd op de omstandigheden zoals deze ten tijde van het arrest waren en geenszins valt uit te sluiten dat een beoordeling op een eerder tijdstip anders had kunnen uitvallen.

3.3. Dat het EHRM op 3 oktober 2014 heeft overwogen dat zich in dit geval een zeer uitzonderlijke situatie voordoet op grond waarvan de weigering om de vreemdeling hier te lande verblijf toe te staan in strijd is met het in artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, betekent niet per definitie dat de vreemdeling pas op dat tijdstip heeft aangetoond aan alle voorwaarden voor vergunningverlening te voldoen.

De feiten en omstandigheden die het EHRM in dit geval, in onderlinge samenhang bezien, als uitzonderlijk heeft aangemerkt, weergegeven in de paragrafen 115 tot en met 120 van het arrest, verschillen niet wezenlijk van de feiten en omstandigheden zoals deze zich ten tijde van de aanvraag van 16 april 2010 voordeden. Gelet hierop, had de staatssecretaris deze datum als ingangsdatum van de aan de vreemdeling te verlenen verblijfsvergunning behoren te hanteren.

De beroepsgrond slaagt.

4. Verder betoogt de vreemdeling dat de staatssecretaris haar verzoek om vergoeding van de door haar in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten ten onrechte heeft afgewezen.

4.1. Ook deze beroepsgrond slaagt. Uit hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen volgt immers dat het besluit van 11 mei 2010 berust op een aan de staatssecretaris te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, zodat voormelde kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

5. Het beroep is kennelijk gegrond. Het besluit moet worden vernietigd. De staatssecretaris moet een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

6. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Uit het in artikel IV, eerste lid, van die wet neergelegde overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van die wet op dit geding van toepassing blijft.

Voor zover de vreemdeling in beroep heeft verzocht om schadevergoeding, zal de Afdeling, aangezien zij thans over onvoldoende gegevens beschikt om dat verzoek te beoordelen, gelet op artikel 8:73, tweede lid, van de Awb, ter voorbereiding van een uitspraak hieromtrent het onderzoek heropenen.

7. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 21 oktober 2014, V-nr. 170.018.3083;

III. bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 201501591/1 ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevorderde schadevergoeding;

IV. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 245,00 (zegge: tweehonderdvijfenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Oudeboon-van Rooij, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Oudeboon-van Rooij

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2015

487.