Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:590

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2015
Datum publicatie
25-02-2015
Zaaknummer
201406878/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij beluit van 26 juni 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] Akersloot" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/91 met annotatie van D. van der Meijden
JOM 2015/766
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406878/1/R1.

Datum uitspraak: 25 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [plaats],

en

de raad van de gemeente Castricum,

verweerder.

Procesverloop

Bij beluit van 26 juni 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] Akersloot" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2015, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door ing. A. Slokker en P. Drent, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in de mogelijkheid om op het perceel [locatie 1] één vrijstaande woning of twee aaneen gebouwde woningen te realiseren. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Akersloot", dat door de raad op 8 december 2011 is vastgesteld, waren ter plaatse geen nieuwe woningen toegestaan.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het beroep van [appellant] is gericht tegen het plan. Hij betoogt allereerst dat sprake is van belangenverstrengeling, omdat de gemeente eigenaar is van het perceel [locatie 1] en dit perceel graag wenst te verkopen tegen een zo hoog mogelijke prijs. Volgens hem zijn aan het plan geen strenge eisen gesteld en hij wijst er hierbij op dat bijvoorbeeld de vastgestelde hogere grenswaarde voor het perceel [locatie 1] te laag is in vergelijking met hogere grenswaarden die voor woningen in de omgeving zijn vastgesteld.

3.1. Ingevolge artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid.

3.2. De raad stelt dat sprake is geweest van een zorgvuldige belangenafweging waarbij de nodige kennis is vergaard omtrent alle relevante feiten en af te wegen belangen. Het bestemmingsplan is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat de ontwikkeling uitvoerbaar en inpasbaar is in de omgeving en voldoet aan rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de raad bij het vaststellen van het plan zijn taak niet zonder vooringenomenheid zoals bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, van de Awb heeft vervuld.

Het betoog van [appellant] faalt.

4. [appellant] voert verder aan dat ten onrechte het bestaande bouwvlak is overgenomen in het plan, terwijl de gronden ten oosten van de bestaande bebouwing thans onbebouwd en slechts betegeld zijn. Verder voert [appellant] aan dat vanwege de in artikel 1 en 2 opgenomen begripsbepalingen en meetvoorschriften extra bebouwing kan worden gerealiseerd, terwijl dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Akersloot" niet mogelijk was.

4.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Gemengd" toegekend. Aan een deel van het perceel is de aanduiding "bouwvlak" toegekend met de aanduidingen "maximale bouwhoogte 10 m" en "maximale goothoogte 6 m".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Gemengd" bestemd voor:

a. wonen, met dien verstande dat binnen de bestemming is toegelaten:

1. twee aaneen gebouwde woningen met aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten overeenkomstig het bepaalde in artikel 6,

lid 6.1, met dien verstaande dat het maximaal aantal woningen twee bedraagt, of;

2. één vrijstaande woning met aan de woonfunctie ondergeschikte:

i. bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten van maximaal 100 m² per bouwperceel;

ii. kantoren tot een bruto-vloeroppervlakte van maximaal 100 m² per bouwperceel;

iii. dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen tot een bruto-vloeroppervlakte van maximaal 100 m² per bouwperceel;

en tevens voor:

b. mantelzorg in een afhankelijke woonruimte;

met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

Ingevolge lid 3.2.1 voldoen hoofdgebouwen aan de volgende kenmerken:

a. gebouwd binnen het bouwvlak;

b. ter plaatse van de aanduiding "maximale goothoogte" is ten hoogste de aangegeven maximale goothoogte toegestaan;

c. ter plaatse van de aanduiding "maximale bouwhoogte" is ten hoogste de aangegeven maximale bouwhoogte toegestaan;

d. afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 2 m, tenzij hoofdgebouwen ter plaatse van de zijdelingse bouwperceelgrens aaneen zijn gebouwd.

Ingevolge lid 3.2.2, onder a en b, geldt voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dat deze zowel binnen als buiten het bouwvlak op het achter- of zijerf minimaal 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning gebouwd mogen worden en dat de gezamenlijke oppervlakte per woning maximaal 75 m² mag bedragen.

4.2. Blijkens de verbeelding behorende bij het voorheen geldende bestemmingsplan "Akersloot" was aan het perceel [locatie 1] eveneens de bestemming "Gemengd" met de aanduidingen "maximale bouwhoogte 10 m" en "maximale goothoogte 6 m" toegekend. Vast staat dat het bouwvlak is overgenomen uit het voorheen geldende bestemmingsplan "Akersloot" en dat een deel van het bouwvlak thans onbebouwd is.

4.3. De raad heeft verklaard dat de bouwmogelijkheden uit het voorheen geldende bestemmingsplan "Akersloot" ongewijzigd zijn overgenomen in het onderhavige plan. Hij heeft ter zitting verder toegelicht dat gekozen is de bestaande omvang van het bouwvlak in het onderhavige plan op te nemen, zodat voldoende ruimte en flexibiliteit aanwezig is voor de bouw van één vrijstaande woning of twee aaneen gebouwde woningen. Volgens de raad bestaan hiertegen geen stedenbouwkundige bezwaren, omdat de bouwmogelijkheden qua omvang en uitstraling passen in de omgeving. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor de in het plan opgenomen omvang van het bouwvlak op het perceel [locatie 1] noch dat ingevolge artikelen 1 en 2 van de planregels wordt voorzien in extra bebouwingsmogelijkheden op het perceel [locatie 1].

Voor zover [appellant] er ter zitting op heeft gewezen dat hij ruimere bouwmogelijkheden op zijn perceel [locatie 2] wenst en dat derhalve een bouwvlak had moeten worden opgenomen op de gronden die naast het perceel [locatie 1] zijn gelegen, overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting te kennen heeft gegeven dat [appellant] een principeverzoek bij de gemeente kan indienen en dat daarop zal worden beslist.

Het betoog van [appellant] faalt.

5. [appellant] voert aan dat het realiseren van één of twee woningen zal leiden tot aantasting van het woongenot en tot waardedaling van zijn woning op het perceel [locatie 2].

5.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een ernstige aantasting van het woongenot op het perceel [locatie 2]. In dit verband wordt van belang geacht dat de afstand tussen het perceel [locatie 1] en de woning van [appellant] op het perceel [locatie 2] ongeveer 20 m bedraagt. Voorts wordt in aanmerking genomen dat een woonsituatie vrij van enige inkijk in binnenstedelijk gebied niet kan worden gegarandeerd.

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

Het betoog van [appellant] faalt.

6. [appellant] betoogt verder dat het ongewenst is om met een afwijkingsbevoegdheid een bedrijfsruimte van 150 m² mogelijk te maken, omdat zijn woning op korte afstand is gelegen en hierdoor zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast.

6.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.4.1, van de planregels kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.1, onder a, sub 2, onder i, voor het toestaan van bedrijven in milieucategorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten tot een maximale oppervlakte van

150 m² per bouwperceel, met dien verstande dat:

a. er volgens het bepaalde in lid 3.1, onder a, sub 2, één vrijstaande woning wordt gebouwd;

b. de belangen van eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig mogen worden geschaad.

6.2. Bij het opnemen van de Staat van bedrijfsactiviteiten heeft de raad aangesloten bij de richtafstanden uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten 2009 (hierna: VNG-brochure). In de plantoelichting staat vermeld dat wat betreft de omgeving van het plangebied kan worden uitgegaan van het omgevingstype gemengd gebied. Volgens de VNG-brochure bedraagt de richtafstand voor bedrijven uit categorie 2 tot de gevel van woningen gelegen in een gemengd gebied 10 m.

6.3. De gevel van de woning van [appellant] ligt op een afstand van 20 m van het plandeel met de bestemming "Gemengd" voor het perceel [locatie 1] waarop in het plan, indien één vrijstaande woning wordt gebouwd, door middel van een afwijkingsbevoegdheid bedrijvigheid tot en met categorie 2 mogelijk wordt gemaakt tot een maximale oppervlakte van 150 m². Gelet daarop wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure ten aanzien van de woning van [appellant]. In hetgeen hij heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van [appellant] niet onevenredig wordt aangetast. Daarbij wordt tevens van belang geacht dat ingevolge artikel 3, lid 3.4.1, onder b, van de planregels de afwijkingsbevoegdheid slechts mag worden toegepast indien de belangen van eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad. De raad heeft dan ook in zoverre in redelijkheid op het perceel [locatie 1] bij de bouw van één vrijstaande woning door middel van een afwijkingsbevoegdheid bedrijvigheid tot en met categorie 2 kunnen toestaan tot een maximale oppervlakte van 150 m².

Het betoog van [appellant] faalt.

7. Verder betoogt [appellant] dat door het mogelijk maken van mantelzorg op gronden met de bestemming "Gemengd" een extra woning op het perceel [locatie 1] kan worden gebouwd die na beëindiging van de mantelzorgfunctie zelfstandig kan worden bewoond.

7.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.8, van de planregels moet onder het begrip afhankelijke woonruimte worden verstaan woonruimte die niet kan worden bewoond door een huishouden, zonder afhankelijkheid van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.

Ingevolge lid 1.53 moet onder het begrip mantelzorg worden verstaan het bieden van zorg in een woning en bijbehorende aan-, uitbouwen of in een vrijstaand bijgebouw, dus alleen in afhankelijke woonruimte, aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke werking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

7.2. In de plantoelichting staat dat bij een woning die is gelegen op gronden met de bestemming "Gemengd" mantelzorg is toegestaan in een afhankelijke woonruimte. Het wonen ten behoeve van mantelzorg in een aanbouw, uitbouw of bijgebouw is ondergeschikt aan de hoofdwoning en maakt functioneel deel uit van het hoofdgebouw van de woning. Het gaat om zelfstandige bewoning in een afhankelijke woonruimte. Hoofdwoning en de bebouwing voor mantelzorg wonen moeten beide gelegen zijn op hetzelfde erf en gebruik maken van dezelfde erftoegang. Een vrijstaand bijgebouw wordt vanuit de Basisadministratie Gebouwen gezien als onderdeel van de bestaande bewoning. Hierdoor ontstaat geen zelfstandig adres op hetzelfde perceel.

7.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat op het perceel [locatie 1] ten behoeve van mantelzorg ingevolge artikel 1, lid 1.8, in samenhang bezien met lid 1.53 van de planregels geen zelfstandige woning kan worden gebouwd, omdat mantelzorg slechts in een afhankelijke woonruimte mag plaatsvinden die niet kan worden bewoond door een huishouden en waarin geen wezenlijke voorzieningen aanwezig zijn. Voor zover [appellant] vreest dat de bebouwing na beëindiging van de mantelzorgfunctie zelfstandig zal worden bewoond, overweegt de Afdeling dat hiertegen handhavend kan worden opgetreden.

Het betoog van [appellant] faalt.

8. Voorts betoogt [appellant] dat archeologisch onderzoek had moeten worden uitgevoerd, omdat grondbewerkingen dieper dan 0,4 m zullen plaatsvinden.

8.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 1] eveneens de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2", naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, ook bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de aan de grond eigen zijnde archeologische waarden.

Ingevolge lid 4.2.1 kan in geval van een aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en betreffende de gronden als bedoeld in lid 4.1 in het belang van de archeologische monumentenzorg aan de vergunning de verplichting worden verbonden dat alvorens de bouwvergunning wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch onderzoek wordt overgelegd waarin de archeologische waarde van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

Ingevolge lid 4.2.2 is een archeologisch onderzoek als bedoeld in lid 4.2.1 niet vereist indien:

a. het nieuw te bebouwen oppervlak kleiner is dan 500 m² of de grondbewerking niet dieper is dan 0,4 m vanaf het maaiveld;

b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;

c. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn.

8.2. De Afdeling stelt vast dat ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, van de planregels in samenhang bezien met lid 4.2.2 in het kader van de verlening van de omgevingsvergunning archeologisch onderzoek is vereist voor onder meer grondbewerkingen dieper dan 0,4 m. Belanghebbenden kunnen tegen de verlening van een omgevingsvergunning zo nodig rechtsmiddelen aanwenden. Gelet hierop kan het bezwaar van [appellant] thans niet aan de orde komen.

9. Voorts betoogt [appellant] dat geen rekening is gehouden met de historische waarde van het bestaande pand op het perceel [locatie 1]. Hij wijst er verder op dat in het verleden bij de verkoop van het perceel aan de gemeente in aktes is vastgelegd dat het wenselijk is dat de gronden hun maatschappelijke functie behouden.

9.1. De raad heeft ter zitting gesteld dat het pand op het perceel [locatie 1] geen historische waarde heeft en ook niet als monument is aangewezen. In de enkele niet onderbouwde stelling van [appellant] wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel. Voor zover [appellant] heeft gewezen op een akte waarin zou staan dat het wenselijk is dat de desbetreffende gronden hun maatschappelijke functie behouden, overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat in de vroegere akte van levering het beding was opgenomen dat het pand op het perceel [locatie 1] tot 18 februari 1987 een maatschappelijke bestemming moest hebben. Nu deze datum is verstreken, is dit beding niet meer relevant.

Het betoog van [appellant] faalt.

10. Verder voert [appellant] aan dat de geluidsbelasting op zijn perceel [locatie 2] zal toenemen door de reflectie van geluid op de voorziene bebouwing op het perceel [locatie 1].

10.1. Vast staat dat het perceel [locatie 1] tussen het perceel [locatie 2] en de Geesterweg en de Beatrixlaan is gelegen. De raad heeft te kennen gegeven dat de geluidbelasting op de gevel van de woning op het perceel [locatie 2] juist zal afnemen, omdat het wegverkeerslawaai van de Geesterweg en de Beatrixlaan wordt afgeschermd door de voorziene woning(en). Verder heeft de raad te kennen gegeven dat vanwege de geringe hoogte van de voorziene bebouwing en het beperkte geveloppervlak geen bijdrage als gevolg van reflectie te verwachten is. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de geluidsbelasting op zijn perceel [locatie 2] zal toenemen door de reflectie.

Het betoog van [appellant] faalt.

11. Ten slotte voert [appellant] aan dat het achterste deel van zijn naastgelegen perceel [locatie 2] lager ligt dan het perceel [locatie 1], zodat een goede afwatering aanwezig dient te zijn.

11.1. In de plantoelichting staat dat het verhard oppervlak van het plangebied naar verwachting ongeveer hetzelfde zal blijven. Thans is op het perceel [locatie 1] een kinderdagverblijf aanwezig met een oppervlak van ongeveer 130 m² en heeft de aanwezige erfverharding een oppervlak van ongeveer 270 m². In de toekomstige situatie zal maximaal 330 m² bebouwd oppervlak aanwezig zijn en ongeveer 70 m² verharding. In beide situaties is ongeveer 400 m² verhard oppervlak aanwezig, zodat het plan niet voorziet in een toename van verhard oppervlak.

11.2. In de watertoets die op 18 november 2013 door het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is opgesteld staat dat geen of slechts in zeer beperkte mate sprake is van een toename van de verharding. Omdat dit een dusdanig klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie hoeven er volgens het Hoogheemraadschap geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden. Gelet hierop heeft [appellant] naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het plan leidt tot wateroverlast op zijn perceel [locatie 2].

Het betoog van [appellant] faalt.

12. Het beroep van [appellant] is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, griffier.

w.g. Helder w.g. Driessen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2015

634.