Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:570

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2015
Datum publicatie
25-02-2015
Zaaknummer
201306110/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Postcodegebied 1012" vastgesteld (hierna: het oorspronkelijke besluit).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Monumentenwet 1988
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2015/2618
Module Horeca 2015/2613
JOM 2015/298
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306110/1/R1.

Datum uitspraak: 25 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. appellant sub 1], wonend te Amsterdam,

2. [ appellant sub 2], wonend te Amsterdam, en anderen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RL Properties B.V. en anderen, gevestigd dan wel wonend te Amsterdam,

4. [ appellant sub 4], wonend te Amsterdam, en anderen,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Magazijn "De Bijenkorf" B.V., gevestigd te Amsterdam,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid The New Bulldog B.V., gevestigd te Amsterdam, en anderen,

7. [ appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [ appellant sub 8], wonend te Monnickendam, gemeente Waterland,

9. [ appellant sub 9], wonend te Amsterdam,

10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Otah B.V., gevestigd te Amsterdam, en anderen,

11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid The Grand Real Estate B.V., gevestigd te Amsterdam,

12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hotel de L'Europe B.V., gevestigd te Amsterdam,

13. [ appellant sub 13] en anderen, wonend te Amsterdam,

14. [ appellant sub 14], wonend te Amsterdam,

appellanten,

en

de deelraad van het stadsdeel Centrum (thans de raad van de gemeente Amsterdam),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Postcodegebied 1012" vastgesteld (hierna: het oorspronkelijke besluit).

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 28 januari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Postcodegebied 1012" op enkele onderdelen gewijzigd (hierna: het herstelbesluit).

De Afdeling heeft de behandeling van de beroepen van de vereniging Vereniging Openbaar en Leefbaar Binnengasthuisterrein en omgeving en de publiekrechtelijke rechtspersoon Universiteit van Amsterdam afgesplitst van deze procedure. De behandeling van deze beroepen zal onder zaak nr. 201306110/9/R1 worden voortgezet.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2014, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen. De raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts is een aantal belanghebbenden als partij gehoord.

Overwegingen

De procedure

1. Het plan voorziet in een transformatie van postcodegebied 1012 met als doel de realisering van een aantrekkelijk hoogstedelijk milieu. Hieraan ligt het beleid ten grondslag, neergelegd in de nota "Strategienota Coalitieproject 1012, Hart van Amsterdam" (hierna: de Strategienota), vastgesteld door de raad op 25 juni 2009.

2. In het herstelbesluit staat dat het betrekking heeft op enkele artikelen behorend bij de bestemmingen "Centrum - 1", "Centrum - 2", "Centrum - 3", "Centrum - 4", "Gemengd - 1", "Gemengd - 1.3", "Gemengd - 1.4", "Gemengd - 1.5", "Gemengd - 2", "Gemengd - 2.5" en "Onderwijs en Wonen". Ook zijn wijzigingen op de verbeelding aangebracht.

3. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

4. De Afdeling merkt het herstelbesluit aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, nu het oorspronkelijke besluit daarmee op enkele punten is herzien, en daartegen beroepen aanhangig zijn. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb dienen de beroepen van appellanten tegen het oorspronkelijke besluit te worden geacht mede te zijn gericht tegen het herstelbesluit. De beroepen van alle appellanten zijn echter gericht tegen planonderdelen waarop het herstelbesluit geen betrekking heeft. Ook ontbreekt een ruimtelijke samenhang tussen deze planonderdelen en de planonderdelen die bij het herstelbesluit zijn gewijzigd. Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft derhalve voor de beroepen geen betekenis.

Toetsingskader

5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van RL Properties en anderen

6. Het beroep van RL Properties en anderen richt zich tegen de planregeling voor de percelen Molensteeg 1 en 3 en Oudezijds Achterburgwal 30, 86 en 93 en 95.

7. Wat betreft het verzoek van RL Properties en anderen om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening een deskundigenrapport te laten opstellen naar aanleiding van hun beroepschrift en de overige beroepschriften, overweegt de Afdeling dat zij zich aan de hand van de stukken en hetgeen ter zitting is gezegd voldoende geïnformeerd acht. Zij ziet derhalve geen aanleiding om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening als deskundige te benoemen.

Automatenhal

8. Ter zitting hebben RL Properties en anderen hun betoog dat ten onrechte geen kantoor is toegestaan op de tweede bouwlaag van het pand Molensteeg 1 ingetrokken.

9. RL Properties en anderen betogen dat ten onrechte geen automatenhal is toegestaan in het pand Molensteeg 3. Volgens hen maakt het pand Molensteeg 3 al tientallen jaren deel uit van de automatenhal, zodat van een uitbreiding van het vloeroppervlak voor de automatenhal geen sprake zal zijn. Ook wijzen zij erop dat de gebruiksvergunning van 21 januari 2005 tevens is verleend voor Molensteeg 3, hetgeen uit het bijbehorende kaartmateriaal blijkt. Ook zijn Molensteeg 1 en 3 volgens hen dusdanig bouwkundig met elkaar verbonden dat deze een geheel vormen. Ter onderbouwing daarvan hebben zij een bouwvergunning van 7 november 2000 overgelegd.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor het pand Molensteeg 3 geen vergunning voor een automatenhal is verleend en dat zich ter plaatse voor zover bekend ook geen automatenhal bevindt.

9.2. Aan het perceel Molensteeg 3 is de bestemming "Gemengd - 1" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.61, van de planregels moet onder voorzieningen worden verstaan voorzieningen die voorzien in een basisbehoefte zoals onderwijs, gezondheidszorg, politie/brandweer en welzijnsvoorzieningen (openbare voorzieningen) en bijzondere voorzieningen zoals sport-, recreatieve en culturele voorzieningen. Voorzieningen kunnen zowel commercieel zijn als niet-commercieel.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder h, zijn de voor "Gemengd - 1" aangewezen gronden bestemd voor een automatenhal in de eerste bouwlaag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - automatenhal toegestaan in de eerste bouwlaag".

Ingevolge lid 7.1, aanhef en onder d, zijn de voor "Gemengd - 1" aangewezen gronden bestemd voor voorzieningen met inbegrip van additionele horeca, met uitzondering van kinderdagopvang, en met uitzondering van automatenhallen, tenzij op de verbeelding aangeduid.

Ingevolge lid 7.5, aanhef en onder 7.5.6, gelden voor de gronden met de bestemming "Gemengd - 1" de volgende gebruiksregels voor automatenhallen:

a. Het bedrijfsvloeroppervlak van deze functie, zoals aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan, mag niet worden vergroot;

b. Deze functie mag niet worden hervat nadat deze is beëindigd en een van de overige toegelaten functies binnen de bestemming is gerealiseerd;

c. Deze functie mag eveneens niet worden hervat indien de ruimte waarin deze functie wordt uitgeoefend tenminste een jaar lang feitelijk niet ten behoeve van deze functie is gebruikt.

9.3. In de gebruiksvergunning die op 21 januari 2005 is verleend, maar inmiddels is vervallen, wordt uitsluitend Molensteeg 1 genoemd. Op het kaartmateriaal dat hoort bij de gebruiksvergunning staan de panden Molensteeg 1 en 3 afgebeeld. In Molensteeg 3 bevinden zich volgens het kaartmateriaal de toiletten voor de automatenhal, een berging met personeelstoilet en drie van buitenaf te bereiken telefooncellen. Niet weersproken is dat deze voorzieningen ook feitelijk aanwezig zijn.

9.4. Ter zitting heeft de raad verklaard dat hetgeen in Molensteeg 3 aanwezig is onder ‘voorzieningen’ in de zin van artikel 7, lid 7.1, onder d, van de planregels valt en derhalve uit dien hoofde is toegestaan. De Afdeling acht dit juist. De raad heeft aan Molensteeg 3 niet de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - automatenhal toegestaan in de eerste bouwlaag" willen toekennen om zo uitbreiding van de automatenhal naar dit pand te voorkomen. Het huidige gebruik is volgens de raad als zodanig bestemd. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen RL Properties heeft aangevoerd geen aanleiding om het beroep gegrond te verklaren.

Het betoog faalt.

10. RL Properties en anderen betogen voorts dat het plan ten onrechte voorziet in een uitsterfregeling voor automatenhallen. De raad heeft volgens hen onvoldoende gemotiveerd waarom een dergelijke regeling voor deze legale activiteiten nodig is, nu in het plangebied slechts enkele automatenhallen aanwezig zijn. Volgens hen is niet aangetoond dat automatenhallen bijdragen aan een monocultuur of dat daarmee overlast wordt veroorzaakt. Voorts betogen zij dat de regeling rechtsonzeker is, omdat niet duidelijk is wanneer de termijn van één jaar in gaat, de toepassing van de regeling afhankelijk is gesteld van externe factoren en onduidelijk is wat onder de zinsnede "deze functie" moet worden verstaan. Zij wijzen erop dat de automatenhallen op de percelen Molensteeg 1 en 3 en Oudezijds Voorburgwal 30 ten tijde van de vaststelling van het plan niet werden gebruikt omdat geen gebruiksvergunning was verleend. De omstandigheid dat zij thans geen gebruiksvergunning voor de automatenhallen hebben, is volgens hen te wijten aan overmacht.

10.1. Ter zitting heeft de raad gezegd dat hij op basis van voortschrijdend inzicht tot de conclusie is gekomen dat artikel 7, lid 7.5, aanhef en onder 7.5.6, van de planregels kan komen te vervallen, omdat deze regeling mede gelet op de mate van leegstand niet nodig is.

De Afdeling overweegt dat nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

10.2. In hetgeen RL Properties en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 7, lid 7.5, aanhef en onder 7.5.6, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Bestemming "Tuin - 3"

11. Volgens RL Properties en anderen is ten onrechte de bestemming "Tuin - 3" toegekend aan een deel van de percelen Molensteeg 1 en 3, nu daarmee de automatenhal in de aldaar aanwezige bebouwing niet als zodanig is bestemd. Zij wijzen erop dat voornoemde percelen vrijwel geheel zijn bebouwd.

11.1. Aan een deel van de percelen Molensteeg 1 en 3 is de bestemming "Tuin - 3" toegekend. Aan de hoofdgebouwen is de bestemming "Gemengd - 1" toegekend, met ter plaatse van het pand Molensteeg 1 de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - automatenhal toegestaan in de eerste bouwlaag". De bebouwing ter plaatse van de bestemming "Tuin - 3" is in gebruik als automatenhal.

Ingevolge artikel 24, lid 24.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Tuin - 3" aangewezen gronden bestemd voor tuinen en erven.

Ingevolge lid 24.2 mogen op deze gronden uitsluiten gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd ten dienste van de bestemming.

Ingevolge lid 24.2.1 mogen gebouwen die aanwezig zijn ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan worden gehandhaafd en in zijn geheel worden vernieuwd, maar mogen deze niet worden vergroot. Dit betekent ook dat bebouwing niet ondergronds mag worden uitgebreid. Behoudens in geval van nieuwbouw na teniet gaan van de hoofdbebouwing door een calamiteit, mogen ingeval van nieuwbouw van de hoofdbebouwing op hetzelfde perceel de genoemde gebouwen, op hetzelfde bouwperceel niet worden gehandhaafd.

Ingevolge lid 24.4.2 mogen de gebouwen worden gebruikt ten dienste van een van de toegestane functies in hoofdbebouwing op hetzelfde bouwperceel, met uitzondering van parkeervoorzieningen. De gebouwen mogen geen zelfstandige functie bevatten. De maximale bedrijfsvloeroppervlakten zoals die zijn bepaald voor genoemde bestemmingen, zijn onverkort en van overeenkomstige toepassing.

11.2. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hij de bestemming "Tuin - 3" aan de bebouwing achter de hoofdgebouwen voor Molensteeg 1 en 3 heeft toegekend, om zo mogelijk te maken dat na sloop van de bebouwing op deze percelen ter plaatse tuinen en erven worden gerealiseerd. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk. Wat betreft het gebruik van de bebouwing ter plaatse van de bestemming "Tuin - 3" overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 24, lid 24.4.2, van de planregels de bebouwing achter het pand Molensteeg 1 als automatenhal gebruikt mag worden. Voor de bebouwing die achter het pand Molensteeg 3 ligt geldt dit echter niet, omdat het pand Molensteeg 3 voor die gronden het hoofdgebouw is en dit pand niet als automatenhal gebruikt mag worden. Nu de raad heeft beoogd om het gebruik van de bebouwing achter het pand Molensteeg 3 als automatenhal toe te staan ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

11.3. In hetgeen RL Properties en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Tuin - 3" voor de gronden voor de automatenhal achter het pand Molensteeg 3 is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Gelet op de samenhang tussen het plandeel met de bestemming "Tuin - 3" voor de gronden voor de automatenhal achter het pand Molensteeg 3 en het plandeel met de bestemming "Gemengd - 1" voor het pand Molensteeg 3 zal de Afdeling ook die gronden in de vernietiging betrekken. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Horeca

12. RL Properties en anderen betogen dat voor het perceel Oudezijds Achterburgwal 93 en 95 ten onrechte niet het bestaande en toegestane gebruik als zodanig is bestemd. Het gebruik van nummer 93 bestaat volgens hen op de begane grond uit een café dat ook voor anderen dan hotelgasten bedoeld is. Het beroepschrift, zoals ter zitting toegelicht, spitst zich wat nummer 95 betreft toe op het toestaan van het huidige gebruik ter plaatse voor opslag en kantoor ten behoeve van het hotel op nummer 93. Voorts wensen RL Properties en anderen het hotel op nummer 93 uit te kunnen breiden naar nummer 95.

12.1. Volgens de raad is voor het pand Oudezijds Achterburgwal 93 voor de eerste bouwlaag een gebruiksvergunning verleend voor gebruik voor horeca 4, derhalve als restaurant. Gebruik als café is volgens de raad in strijd met de gebruiksvergunning en het voorheen geldende bestemmingsplan en dient niet als zodanig bestemd te worden. De raad wijst erop dat in het plangebied al 277 cafés aanwezig zijn. Wat betreft de gewenste hotelbestemming voor nummer 95 stelt de raad dat dit gebruik onder het voorheen geldende bestemmingsplan niet mogelijk was en dat hij nieuwe hotels in het plangebied niet wenselijk vindt. Dit lijdt slechts uitzondering wanneer er sprake is van een uitzonderlijk hotelconcept dat een unieke bijdrage levert aan de maatschappelijke, culturele of economische ambities van de gemeente Amsterdam. Volgens de raad is niet gebleken dat daarvan sprake is.

12.2. Aan het perceel Oudezijds Achterburgwal 93 is de bestemming "Gemengd - 1.4" toegekend, met de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca van categorie 5 toegestaan in de tweede t/m vijfde bouwlaag". Aan het perceel Oudezijds Achterburgwal 95 is de bestemming "Gemengd - 1" toegekend. Op nummer 93 is een budgethotel met één ster gevestigd.

Ingevolge artikel 1, lid 1.38, van de planregels moet onder horeca 3 worden verstaan horecabedrijven, die tot doel hebben het voor consumptie ter plaatse verstrekken van dranken en (kleine) etenswaren en/of maaltijden, waarbij het accent ligt op het verstrekken van dranken. Onder horeca 3 bedrijven worden in elk geval begrepen cafés en eetcafés.

Ingevolge lid 1.39, moet onder horeca 4 worden verstaan horecabedrijven die tot hoofddoel hebben het voor consumptie ter plaatse verstrekken van in hoofdzaak ter plaatse bereide maaltijden en van in hoofdzaak ter plaatse bereide etenswaren, met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholische, zwak- en niet-alcoholische dranken. Onder horeca 4 worden in elk geval begrepen restaurants, lunchrooms, koffiehuizen en ijssalons.

Ingevolge lid 1.40 moet onder horeca 5 worden verstaan hotels.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder o en p, zijn de voor "Gemengd - 1" aangewezen gronden bestemd voor horeca 5 in de tweede en derde bouwlaag uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 5 toegestaan in de tweede en derde bouwlaag" en voor horeca 5 in de tweede, derde en vierde bouwlaag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 5 toegestaan in de tweede, derde en vierde bouwlaag". Voor het overige is horeca 5 niet op deze gronden toegestaan.

Ingevolge artikel 11, lid 11.1, aanhef en onder d, h en q, zijn de voor "Gemengd - 1.4" aangewezen gronden bestemd voor voorzieningen met inbegrip van additionele horeca, horeca 4 in de eerste bouwlaag en de daaronder gelegen bijzondere bouwlaag (kelder, souterrain) en horeca 5 in de tweede, derde, vierde en vijfde bouwlaag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 5 toegestaan in de tweede, derde, vierde en vijfde bouwlaag".

12.3. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Burgwallen" dat op 24 november 2005 is vastgesteld en op 4 juli 2006 gedeeltelijk is goedgekeurd (hierna: het voorheen geldende bestemmingsplan) was aan het perceel Oudezijds Achterburgwal 93 de bestemming "Gemengde doeleinden" toegekend, met de aanduidingen "horeca IV in bouwlaag 1 toegestaan" en "hotel in de bouwlagen 2-5 toegestaan". Aan het perceel Oudezijds Achterburgwal 95 was de bestemming "Gemengde doeleinden" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.26, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan moest onder horeca IV worden verstaan restaurants, waaronder onder andere ook koffiehuizen, lunchrooms en ijssalons worden begrepen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder h, waren de gronden bestemd als "Gemengde doeleinden" aangewezen voor hotels, uitsluitend ter plaatse waar op de plankaart de aanduiding "hotel in de aangegeven bouwlaag" voorkomt.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder i, waren voornoemde gronden aangewezen voor horeca, uitsluitend ter plaatse waar op de plankaart horeca van de aangegeven categorie is toegestaan, met dien verstande dat horeca uitsluitend mogelijk is in de op de plankaart aangegeven bouwlagen.

12.4. In de plantoelichting staat dat van de 577 cafés in de binnenstad er 277 in het plangebied zijn gevestigd. Voorts staat er dat gezien de reeds aanwezige horeca, toevoeging van nieuwe horeca in principe niet aan de orde is. Zolang een voorziening zoals een bar enkel en alleen voor de eigen gasten toegankelijk is, wordt deze gezien als onderdeel van het hotel. De overweging om zelfstandige horeca in hotels toe te staan komt onder meer voort uit het verzoek van enkele nieuwe hotelinitiatieven voor een zelfstandige horecavoorziening. Bij grotere hotels past een goed restaurant dat ook toegankelijk is voor bezoekers die niet in het hotel overnachten. In het Hotelbeleid 2012-2015 staat als beleidsregel: het bevorderen van de interne en externe functiemenging (in het pand). Zelfstandige horeca in een hotel van 1.000 m² of groter kan een bijdrage leveren aan de interne functiemenging. Een dergelijk hotel komt in aanmerking voor zelfstandige horeca 3 en 4 en is toegestaan op alle bouwlagen, aldus de plantoelichting.

Omtrent hotels staat in de plantoelichting dat de ontwikkeling van nieuwe of uitbreiding van bestaande hotels vrijwel altijd in strijd is met het bestemmingsplan, en alleen mogelijk is als aan de geldende beleidsregels uit het Hotelbeleid Binnenstad wordt voldaan. Voorts vermeldt de toelichting dat in het nieuwe hotelbeleid dat in het postcodegebied 1012 nieuwe hotels niet worden toegestaan, omdat dit leidt tot een monocultuur en ten koste gaat van een gevarieerd en levendig stadshart. Nieuwe initiatieven worden slechts gehonoreerd als het uitzonderlijke, unieke en/of vernieuwende concepten zijn, die bovendien bijdragen aan een ruimtelijke kwaliteitsverbetering en daarmee aan de transformatie van het gebied.

12.5. De Afdeling overweegt dat de raad zich terecht op het standpunt stelt dat het toestaan van gebruiksmogelijkheden voor een zelfstandig café aan het perceel Oudezijds Achterburgwal 93 in strijd is met zijn beleid voor horeca. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. RL Properties en anderen hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de raad in dit geval niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. Daarbij betrekt de Afdeling dat ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan geen café ter plaatse was toegestaan en dat niet is gebleken dat voor het perceel Oudezijds Achterburgwal 93 een gebruiksvergunning voor een café is verleend. Wat betreft de wens van RL Properties en anderen om het hotel ter plaatse van Oudezijds Voorburgwal 93 uit te breiden naar nummer 95, overweegt de Afdeling dat de raad zich terecht op het standpunt stelt dat het toestaan van gebruiksmogelijkheden voor een hotel aan het perceel Oudezijds Achterburgwal 95 in strijd is met zijn beleid voor hotels. RL Properties en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden in dit geval op grond waarvan de raad dit beleid redelijkerwijs niet heeft kunnen toepassen.

De betogen falen.

Wat betreft het gebruik van Oudezijds Achterburgwal 95 voor opslag en kantoor voor het hotel op nummer 93, overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat dit gebruik ingevolge de bestemming "Gemengd - 1" ter plaatse is toegestaan. De Afdeling acht dit juist. Het betoog van RL Properties mist derhalve in zoverre feitelijke grondslag.

Openbare toiletten

13. RL Properties en anderen betogen voorts dat onduidelijk is of ter plaatse van Oudezijds Achterburgwal 86 openbare toiletten zijn toegestaan.

13.1. Aan het pand Oudezijds Achterburgwal 86 is de bestemming "Gemengd - 1" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.47, van de planregels wordt onder nutsvoorziening verstaan een voorziening ten behoeve van de elektronische communicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen ondergrondse leidingen, transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en ondergrondse afvalcontainers.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder ak, zijn de voor "Gemengd - 1" aangewezen gronden bestemd voor openbare nutsvoorzieningen.

13.2. Ter zitting heeft de raad gezegd dat ter plaatse van Oudezijds Achterburgwal 86 openbare toiletten zijn toegestaan, omdat dit gebruik onder voorzieningen of openbare nutsvoorzieningen valt. De Afdeling acht dit juist. Gelet hierop mist het betoog van RL Properties en anderen feitelijke grondslag.

Conclusie

14. In hetgeen RL Properties en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 7, lid 7.5, aanhef en onder 7.5.6, van de planregels en het plandeel met de bestemming "Tuin - 3" voor de gronden voor de automatenhal achter het pand Molensteeg 3 is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Gelet op de samenhang tussen het plandeel met de bestemming "Tuin - 3" voor de gronden voor de automatenhal achter het pand Molensteeg 3 en het plandeel met de bestemming "Gemengd - 1" voor het pand Molensteeg 3 zal de Afdeling ook die gronden in de vernietiging betrekken.

De beroepen van [appellant sub 8], [appellant sub 9] en Otah en anderen

15. [ appellant sub 8] is exploitant van de [coffeeshop] aan de [locatie 1]. [appellant sub 9] is eigenaresse van de percelen [locatie 2] en [locatie 3], waar een coffeeshop werd of wordt geëxploiteerd. Otah en anderen zijn eigenaren van de percelen Oudebrugsteeg 16 en Nieuwezijds Voorburgwal 57-59, waar de coffeeshop "The Grasshopper" wordt geëxploiteerd.

[appellant sub 8], [appellant sub 9] en Otah en anderen voeren aan dat het doel van het plan - een transformatie van postcodegebied 1012 met als doel de realisering van een aantrekkelijk hoogstedelijk milieu - niet kan worden bereikt met de toegekende bestemmingen "Gemengd - 1.3" dan wel "Gemengd - 1.4" aan hun percelen. Ook voeren zij aan dat deze bestemmingen niet voorzien in voldoende mogelijkheden om de schade te compenseren die het gevolg zal zijn van het in hun ogen onrechtmatige beleid om de exploitatie van de coffeeshopfunctie op hun percelen te beëindigen door niet langer gedoogbeschikkingen te verlenen. [appellant sub 8], [appellant sub 9] en Otah en anderen voeren aan dat ten onrechte geen aanleiding is gezien horeca 3 (café) toe te staan.

[appellant sub 9] voert voorts aan dat ten onrechte geen aanleiding is gezien het oorspronkelijke bouwvolume voor het perceel [locatie 2] aan de zijde van het Damrak te herstellen en dat ten onrechte geen aanleiding is gezien horeca 3 (café), horeca 5 (hotel) en short stay toe te staan op alle bouwlagen van dit pand.

Otah en anderen betogen verder dat ten onrechte geen rekening is gehouden met hun voornemen voor de realisering van een luifel boven het gebouwde terras aan de west- en noordzijde van hun pand aan de Oudebrugsteeg 16.

15.1. Blijkens de verbeelding is aan de percelen [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3], Nieuwezijds Voorburgwal 57 en Nieuwezijds Voorburgwal 59 de bestemming "Gemengd - 1.4" toegekend. Aan het perceel [locatie 3] is daarnaast voorzien in de functieaanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 4 toegestaan in de tweede bouwlaag". Aan het perceel Oudebrugsteeg 16 is de bestemming "Gemengd - 1.3" met de functieaanduidingen "horeca 3 toegestaan in de tweede bouwlaag" en "horeca 4 toegestaan in het souterrain en de derde bouwlaag".

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels, zijn de voor "Gemengd - 1.3" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen;

b. kantoren;

c. kantoren met baliefunctie;

d. voorzieningen met inbegrip van additionele horeca, met uitzondering van kinderdagopvang en automatenhallen;

e. galeries;

f. detailhandel in de eerste bouwlaag, met inbegrip van een mengformule, […]; voorzieningen ten behoeve van consumentverzorgende dienstverlening in de eerste bouwlaag, met inbegrip van een mengformule;

[…];

h. horeca 3 in de eerste bouwlaag en de daaronder gelegen bijzondere bouwlaag (kelder, souterrain), met inachtneming van het bepaalde in artikel 10.5.6;

[…];

k. horeca 3 in de tweede bouwlaag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "horeca 3 toegestaan in de tweede bouwlaag", met inachtneming van het bepaalde in artikel 10.5.6;

Ingevolge lid 10.5.6, zijn in de bouwlagen waar horeca 3 is toegestaan naast horeca 3 ook horeca 4-gelegenheden toegestaan.

Ingevolge artikel 11, lid 11.1, van de planregels zijn de voor "Gemengd - 1.4" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen;

b. kantoren;

c. kantoren met baliefunctie;

d. voorzieningen met inbegrip van additionele horeca, met uitzondering van kinderdagopvang en automatenhallen;

e. galeries;

f. detailhandel in de eerste bouwlaag, met inbegrip van een mengformule, […]; voorzieningen ten behoeve van consumentverzorgende dienstverlening in de eerste bouwlaag, met inbegrip van een mengformule;

[…];

m. horeca 4 in de tweede bouwlaag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 4 toegestaan in de tweede bouwlaag";

[…].

Ingevolge artikel 37, lid 37.5, aanhef en onder d, mag toepassing van een bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken niet tot gevolg hebben dat de karakteristiek van het stadsgezicht in onevenredige mate wordt aangetast en/of aan de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied in onevenredige mate afbreuk wordt gedaan. Indien niet op grond van een andere bepaling van deze regels bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken, is het dagelijks bestuur (lees: bevoegd gezag) bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van regels van dit plan, voor balkons en andere ondergeschikte delen van bouwwerken. Het overschrijden van bestemmingsgrenzen voor luifels is mogelijk, met inachtneming van het volgende: luifels zijn slechts toegestaan als de samenhang van de onderpui met de hogere bouwlagen niet verloren gaat en mits de overschrijding van de bestemmingsgrens niet meer dan 0,60 m bedraagt. Er wordt alleen bij omgevingsvergunning afgeweken voor een openbare of bijzondere voorziening. Voor luifels aan en/of over gebouwde terrassen wordt niet bij omgevingsvergunning afgeweken.

15.2. Voor zover [appellant sub 9], [appellant sub 8] en Otah en anderen betogen dat op basis van onrechtmatig beleid de beslissing is genomen om de exploitatie van de coffeeshopfunctie op hun percelen te beëindigen door niet langer een gedoogverklaring af te geven, overweegt de Afdeling dat niet valt in te zien wat zij met dit betoog in de aan de orde zijnde procedure willen bereiken. Hierbij is van belang dat een bestemmingsplan niet de mogelijkheid kan bieden om drugs te gebruiken of de aanwezigheid van drugs kan regelen, omdat dit zich niet verdraagt met het bepaalde in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet. Dit is reeds overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2008 in zaak nr. 20070009/1.

De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de diverse functies die het plandeel met de bestemming "Gemengd - 1.3" dan wel "Gemengd - 1.4" mogelijk maakt, voldoende mogelijkheden bieden voor een rendabele exploitatie van de panden die als coffeeshop werden of worden geëxploiteerd. De keuze van de raad om geen café mogelijk te maken op voornoemde percelen en geen hotel of short stay toe te staan op het perceel [locatie 2] is in overeenstemming met het beleid dat de bestaande monocultuur moet worden doorbroken, onder meer door het grote aantal café’s en hotels in het plangebied terug te dringen. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. [appellant sub 9], [appellant sub 8] en Otah en anderen hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de raad ten aanzien van hen niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. Dit volgt ook niet uit de omstandigheid dat de burgemeester aan exploitanten van coffeeshops heeft laten weten dat hij zich met de coffeeshophouders zal inspannen om de gewenste transformatie van postcodegebied 1012 te bewerkstelligen.

Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 9] dat ten onrechte geen aanleiding is gezien het bouwvolume voor het perceel [locatie 2] aan de zijde van het Damrak te vergroten, stelt de raad dat dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk is. De raad heeft dit aspect in de belangenafweging in redelijkheid van groter gewicht kunnen achten dan de belangen van [appellant sub 9] bij de vergroting van het bouwvolume.

Met betrekking tot het betoog van Otah en anderen dat ten onrechte niet is voorzien in de realisering van een luifel boven het gebouwde terras aan de west- en noordzijde van hun pand aan de Oudebrugsteeg 16, stelt de raad dat zich reeds een grote luifel bevindt boven het terras en dat hij een verdere verruiming dan mogelijk is op basis van artikel 37, lid 37.5, van de planregels voor de realisering van een grotere luifel niet wenselijk vindt. Hiertoe stelt hij dat dit leidt tot een forse inbreuk op de samenhang van de onderste pui met de hogere bouwlagen. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Het betoog dat ten onrechte geen medewerking is verleend aan het bouwvoornemen van Otah en anderen wat betreft de luifel, faalt.

15.3. De beroepen van [appellant sub 8], [appellant sub 9] en Otah en anderen zijn ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4] en anderen en The New Bulldog en anderen

16. [ appellant sub 4] en anderen betogen dat in de reactie op hun zienswijze onvoldoende is ingegaan op de door hen geuite bezwaren over de wijze waarop in het plan wordt omgegaan met souvenirshops.

16.1. De Afdeling overweegt dat de raad in reacties op zienswijzen van andere indieners dan [appellant sub 4] en anderen genoegzaam is ingegaan op de wijze waarop in het plan wordt omgegaan met souvenirshops. Reeds hierom leidt dit betoog niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt.

17. The New Bulldog en anderen voeren aan dat de raad ten onrechte niet is ingegaan op hun aanvullende zienswijze die op 3 juni 2013 is ingediend. Verder voeren zij aan dat in de reactie op hun zienswijze voorbij is gegaan aan hun bezwaar dat een seedshop ten onrechte niet is toegestaan op de percelen Oudezijds Voorburgwal 88 en 90.

17.1. Het ontwerpplan heeft met ingang van 25 januari 2013 voor de duur van zes weken ter inzage gelegen. The New Bulldog en anderen hebben binnen deze termijn bij de raad een gemotiveerde zienswijze ingebracht tegen het ontwerpplan. Naar het oordeel van de Afdeling bestond - gelet op het vergevorderde stadium van de besluitvorming - voor de raad geen aanleiding om ook de brief van 3 juni 2013, in zijn besluitvorming te betrekken, daargelaten de vraag of de raad dit heeft gedaan.

Voorts wordt overwogen dat de raad in reacties op zienswijzen van anderen dan The New Bulldog en anderen genoegzaam is ingegaan op de wijze waarop in het plan wordt omgegaan met seedshops. Reeds hierom leidt dit betoog niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt.

18. [ appellant sub 4] en anderen en The New Bulldog en anderen betogen dat geen overwegend ruimtelijk relevant argument ten grondslag ligt aan het bestemmingsplan. Daaraan ligt volgens hen vooral ten doel bestrijding van criminaliteit. Zij betogen dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan niet met dit doel aan de raad is verleend. [appellant sub 4] en anderen achten de vaststelling van het plan om deze reden in strijd met het in artikel 3:3 van de Awb neergelegde verbod van détournement de pouvoir.

18.1. De raad stelt dat het plan is vastgesteld met het oog op de doorbreking van de monocultuur en een verbetering van de functiemenging in postcodegebied 1012. Dit leidt volgens hem tot een toename van de sociale veiligheid en een beter ondernemers- en woon- en leefklimaat in het gebied dan in de bestaande situatie. De Afdeling stelt vast dat deze argumenten voor de vaststelling van het plan ook in de plantoelichting zijn gegeven. De raad stelt terecht dat dit ruimtelijk relevante argumenten zijn. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zijn bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan in strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), gelezen in samenhang met artikel 3:3 van de Awb heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid aan hem is verleend. De omstandigheid dat niet-ruimtelijke argumenten mede een rol hebben gespeeld, leidt niet tot het oordeel dat de raad het plan niet in overeenstemming met artikel 3.1 van de Wro heeft vastgesteld ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het betoog faalt

19. [ appellant sub 4] en anderen en The New Bulldog en anderen voeren aan dat niet is aangetoond dat er in de bestaande situatie overlast en een verstoorde functiebalans is, veroorzaakt door de aanwezigheid van coffeeshops en andere ‘laagwaardige’ functies.

19.1. De raad stelt dat sprake is van een overconcentratie van coffee-, smart-, en seedshops in postcodegebied 1012 en dat deze functies enkele van de criminogene en laagwaardige functies zijn die overlast veroorzaken in postcodegebied 1012. Dit betreft volgens hem zowel specifieke overlast alsook overlast in algemene zin, die wordt veroorzaakt door de aanzienlijke bezoekers- en toeristenstromen die onder meer deze functies in dit gebied genereren. In dit verband wijst de raad erop dat deze stromen leiden tot een grote druk op het ondernemers- en het woon- en leefklimaat alsmede tot een zeer intensief gebruik van de openbare ruimte. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte stelt dat de aanwezigheid van coffee-, smart-, en seedshops leidt tot overlast voor en een verstoring van de functiebalans in de omgeving. Het betoog faalt.

20. Nu in het plan laagwaardige functies niet als zodanig zijn bestemd ten gunste van hoogwaardige functies, betogen [appellant sub 4] en anderen en The New Bulldog en anderen dat het plan ingrijpt in de concurrentieverhouding. Zij achten dit in strijd met de uitspraak van de Afdeling van 14 juli 2010 in zaak nr. 200903773/1/R1 waarin is overwogen dat een bestemmingsplan geen instrument is om concurrentieverhoudingen te regelen of anderszins in te grijpen in de economische marktwerking binnen een plangebied.

20.1. Zoals hiervoor in 1 is overwogen voorziet het plan in een transformatie van postcodegebied 1012 met als doel de realisering van een aantrekkelijk hoogstedelijk milieu. De raad stelt dat niet is beoogd het plan als instrument te laten fungeren om concurrentieverhoudingen te regelen of anderszins in te grijpen in de economische markwerking. De Afdeling acht dit niet onjuist. Reeds hierom is geen sprake van een onrechtmatig ingrijpen in de concurrentieverhoudingen. Het enkele feit dat het doel van het plan om een aantrekkelijk hoogstedelijk milieu te realiseren als neveneffect met zich brengt dat de concurrentieverhoudingen wijzigen, is hiervoor onvoldoende. Het betoog faalt.

21. [ appellant sub 4] en anderen en The New Bulldog en anderen betogen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet is verzekerd. Zij vrezen dat de kosten voor planschade hoger zullen zijn dan het bedrag dat hiervoor in de gemeentelijke begroting is opgenomen. Zij wijzen erop dat het tegendeel niet blijkt uit de paragraaf in de plantoelichting over de financiële uitvoerbaarheid. Verder wijzen zij er onder meer op dat het tekort aan financiële middelen voor de uitvoering van het bestemmingsplan "Herbestemmen Raambordelen" zijn weerslag zal hebben op de uitvoerbaarheid van het voorliggende plan.

21.1. In de plantoelichting staat dat in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen voor het college van burgemeester en wethouders waarmee de vestiging van een aantal ongewenste functies beëindigd kan worden. Beëindiging van een ongewenste functie is mogelijk nadat deze is vervangen door een wenselijke functie, dan wel nadat het pand waarin de ongewenste functie gevestigd is, een jaar heeft leeggestaan. Dit betekent voor de eigenaren dat zij schade kunnen lijden in de vorm van inkomstenderving of een vermindering van de waarde van hun onroerende zaak. Derhalve moet rekening worden gehouden met aanvragen om een financiële tegemoetkoming van die eigenaren, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor hun rekening behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet anderszins is verzekerd, zo staat in de plantoelichting.

21.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het bestemmingsplan dusdanige kosten met zich brengt dat dit niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar, ook niet vanwege een tekort voor de uitvoering van het bestemmingsplan "Herbestemmen Raambordelen". Hierbij is van belang de toelichting van de raad ter zitting dat, zo de kosten die zijn geraamd in het kader van het bestemmingsplan "Herbestemmen Raambordelen" al hoger zullen uitvallen, dit niet ten koste zal gaan van de financiële middelen die voor het voorliggende bestemmingsplan beschikbaar worden gesteld. Het betoog faalt.

22. [ appellant sub 4] en anderen richten zich tegen de wijzigingsbevoegdheid in artikel 6, lid 6.7.4, van de planregels, behorend bij de bestemming "Centrum - 4", voor zover daarmee mogelijk wordt gemaakt dat de souvenirwinkels aan de [locatie 4] en [locatie 5], nadat het gebruik wordt gestaakt, niet meer als zodanig worden bestemd.

22.1. Blijkens de verbeelding, is aan de percelen [locatie 4] en [locatie 5] de bestemming "Centrum - 3" onderscheidenlijk "Centrum - 4" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van centrum - souvenirwinkel toegestaan in de eerste bouwlaag".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels, zijn de voor "Centrum - 3" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen;

b. kantoren;

c. kantoren met baliefunctie;

d. voorzieningen, met inbegrip van additionele horeca, met uitzondering van kinderdagopvang en met uitzondering van automatenhallen […];

e. galeries;

f. detailhandel in de eerste bouwlaag, met inbegrip van een mengformule, met uitzondering van smartshops, minisupermarkten, souvenirwinkels, headshops, seedshops en growshops, tenzij op de verbeelding aangeduid en met inachtneming van het bepaalde in artikel 35.1;

voorzieningen ten behoeve van consumentverzorgende dienstverlening, met inbegrip van een mengformule, met uitzondering van geldwisselkantoren, telefoneerinrichtingen en massagesalons, tenzij op de verbeelding aangeduid en met inachtneming van het bepaalde in artikel 35.1;

[…];

s. souvenirwinkel in de eerste bouwlaag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van centrum - souvenirwinkel toegestaan in de eerste bouwlaag" en met inachtneming van het bepaalde in artikel 5.5.12;

t. bedrijven […];

[…].

Ingevolge lid 5.5.12, mag het bedrijfsvloeroppervlak van de functie souvenirwinkel, zoals aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan, niet worden vergroot.

Ingevolge lid 5.7.6, is het dagelijks bestuur (lees: het college) bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro, de bestemming "Centrum - 3" met de aanduiding "specifieke vorm van centrum - souvenirwinkel toegestaan in de eerste bouwlaag" te wijzigen in de bestemming "Centrum - 3" zonder deze aanduiding voor zover:

a. het gebruik overeenkomstig deze aanduiding is gestaakt en één van de overige toegelaten functies binnen de bestemming is gerealiseerd of

b. het gebruik overeenkomstig deze aanduidingen voor de duur van ten minste één jaar feitelijk is gestaakt en geen van de overige toegelaten functies binnen de bestemming is gerealiseerd.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, zijn de voor "Centrum - 4" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen;

b. kantoren;

c. kantoren met baliefunctie;

d. voorzieningen, met inbegrip van additionele horeca, met uitzondering van kinderdagopvang en met uitzondering van automatenhallen […];

e. galeries;

f. detailhandel, met inbegrip van een mengformule, met uitzondering van smartshops, minisupermarkten, souvenirwinkels, headshops, seedshops en growshops, tenzij op de verbeelding aangeduid en met inachtneming van het bepaalde in artikel 35.1;

voorzieningen ten behoeve van consumentverzorgende dienstverlening, met inbegrip van een mengformule, met uitzondering van geldwisselkantoren, telefoneerinrichtingen en massagesalons, tenzij op de verbeelding aangeduid en met inachtneming van het bepaalde in artikel 35.1;

[…];

i. souvenirwinkel in de eerste bouwlaag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van centrum - souvenirwinkel toegestaan in de eerste bouwlaag" en met inachtneming van het bepaalde in artikel 6.5.5;

j. bedrijven […];

[…].

Ingevolge lid 6.5.5, mag het bedrijfsvloeroppervlak van de functie souvenirwinkel, zoals aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan, niet worden vergroot.

Ingevolge lid 6.7.4, is het dagelijks bestuur (lees: het college) bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro de bestemming "Centrum - 4" met de aanduiding "specifieke vorm van centrum - souvenirwinkel toegestaan in de eerste bouwlaag" te wijzigen in de bestemming "Centrum - 4" zonder deze aanduiding voor zover:

a. het gebruik overeenkomstig deze aanduiding is gestaakt en één van de overige toegelaten functies binnen de bestemming is gerealiseerd of

b. het gebruik overeenkomstig deze aanduidingen voor de duur van ten minste één jaar feitelijk is gestaakt en geen van de overige toegelaten functies binnen de bestemming is gerealiseerd.

22.2. De raad stelt dat vermindering van het aantal souvenirwinkels - waarvan er ten tijde van het opstellen van de Strategienota ‘97 in postcodegebied 1012 aanwezig waren - een belangrijke bijdrage levert aan de verwezenlijking van de doelstellingen in de Strategienota, inhoudend dat de omvang en (over)concentratie van economisch laagwaardige functies in postcodegebied 1012 moeten worden verminderd, de functiebalans in het gebied dient te worden hersteld en een kwalitatief hoogwaardig en divers stadshartgebied moet worden gerealiseerd. De Afdeling ziet is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er een overconcentratie van souvenirwinkels is die leidt tot verstoring van de functiebalans in de omgeving. De raad heeft dan ook in redelijkheid de wijzigingsbevoegdheid in artikel 5, lid 5.7.6, onderscheidenlijk artikel 6, lid 6.7.4, van de planregels kunnen toekennen aan de percelen [locatie 4] en [locatie 5]. Dit betoog faalt.

23. [ appellant sub 4] en anderen richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd - 1" voor het perceel [locatie 6], voor zover de sinds 2001 aanwezige belwinkel niet als zodanig is bestemd.

23.1. Blijkens de verbeelding, is aan het perceel [locatie 6] de bestemming "Gemengd - 1" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder f, van de planregels, zijn de voor "Gemengd - 1" aangewezen gronden bestemd voor voorzieningen ten behoeve van consumentverzorgende dienstverlening in de eerste bouwlaag, met inbegrip van een mengformule, met uitzondering van geldwisselkantoren, telefoneerinrichtingen en massagesalons, tenzij op de verbeelding aangeduid.

Blijkens de plankaart van het bestemmingsplan Burgwallen van 2005 was aan het perceel [locatie 6] de bestemming "Gemengde doeleinden" toegekend.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan Burgwallen waren de gronden die op de plankaart waren bestemd voor "Gemengde doeleinden", aangewezen voor:

[…];

1g. winkels, met uitzondering van smartshops en voorzieningen ten behoeve van consumentverzorgende dienstverlening […].

[…];

1p. telefoneerinrichtingen, uitsluitend ter plaatse waar op de plankaart de aanduiding "afwijkend gebruik telefoneerinrichting" voorkomt, met dien verstande dat deze functie alleen mogelijk is in de op de plankaart aangegeven bouwlaag […].

Ingevolge artikel 17, lid 1, was het verboden de gronden of bebouwing binnen het plangebied te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met de bestemming.

Blijkens de plankaart van het bestemmingsplan "Derde herziening bestemmingplan Burgwallen Oude Zijde" van 9 februari 1995 was aan het perceel [locatie 6] de bestemming "Gemengde bebouwing 5" toegekend.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Derde herziening bestemmingsplan Burgwallen Oude Zijde", was de voor "Gemengde bebouwing" aangewezen gronden bestemd voor telefoneerinrichtingen, met inachtneming van het bepaalde in lid 10 van dit artikel.

Ingevolge lid 10, onder a, gold met betrekking tot telefoneerinrichtingen dat deze uitsluitend zijn toegestaan in de eerste bouwlaag en uitsluitend daar waar dit op kaart 1 was aangegeven.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, was het verboden de in het plan begrepen gronden en de zich daarop bevindende bebouwing te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de bestemming of de daarbij behorende voorschriften.

23.2. Zoals [appellant sub 4] en anderen hebben aangegeven, is de belwinkel op het perceel [locatie 6] aanwezig sinds 2001. De Afdeling overweegt dat dit gebruik is aangevangen in strijd met het bestemmingsplan "Derde herziening bestemmingplan Burgwallen Oude Zijde" van 1995. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 3, lid 10, onder a, van de planvoorschriften van dat plan en de omstandigheid dat voor het perceel [locatie 6] op kaart 1 van dat plan niet was aangegeven dat het gebruik als telefoneerinrichting was toegestaan. Het gebruik was evenmin toegestaan ten tijde van de werking van het bestemmingsplan "Burgwallen" van 2005. Dit volgt uit het bepaalde in de artikelen 3, eerste lid, aanhef en onder 1g en 1p, en 17, lid 1, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Burgwallen" en de omstandigheid dat aan het perceel niet de aanduiding "afwijkend gebruik telefoneerinrichting" was toegekend. Het standpunt van de raad dat het vanuit ruimtelijk oogpunt onwenselijk is het illegaal aangevangen gebruik ten behoeve van een belwinkel als zodanig te bestemmen, is niet onredelijk. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het beleid van de raad is gericht op een vermindering van het aantal belwinkels, waarvan er ten tijde van het opstellen van de Strategienota volgens de raad teveel in postcodegebied 1012 aanwezig waren. Hiermee wordt volgens de raad een bijdrage geleverd aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Strategienota, inhoudend dat de omvang en (over)concentratie van economisch laagwaardige functies in postcodegebied 1012 moeten worden verminderd, de functiebalans in het gebied dient te worden hersteld en een kwalitatief hoogwaardig en divers stadshartgebied moet worden gerealiseerd. Hetgeen is aangevoerd geeft geen aanleiding tot het oordeel dat de raad ten onrechte stelt dat er een overconcentratie van belwinkels in postcodegebied 1012 is die leidt tot een verstoring van de functiebalans in de omgeving. Het betoog faalt.

24. [ appellant sub 4] en anderen betogen dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de keuze is gemaakt om het gebruik van hun panden als headshop, seedshop en growshop - anders dan in het vorige plan - niet toe te staan.

24.1. Zoals [appellant sub 4] en anderen in hun beroepschrift hebben aangegeven, is geen van hun panden in gebruik als headshop, seedshop of growshop. Het standpunt van de raad dat het vanuit ruimtelijk oogpunt onwenselijk is dit gebruik in het voorliggende plan mogelijk te maken, acht de Afdeling niet onredelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het beleid van de raad is gericht op vermindering van het aantal headshops, seedshops en growshops in postcodegebied 1012. Ook hiermee wordt volgens de raad een bijdrage geleverd aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Strategienota, inhoudend dat de omvang en (over)concentratie van criminogene en economisch laagwaardige functies in postcodegebied 1012 moeten worden verminderd, de functiebalans in het gebied dient te worden hersteld en een kwalitatief hoogwaardig en divers stadshartgebied moet worden gerealiseerd. Het aangevoerde geeft geen aanleiding tot het oordeel dat de raad ten onrechte stelt dat er een overconcentratie van headshops, seedshops en growshops in postcodegebied 1012 is die leidt tot een verstoring van de functiebalans in de omgeving. Het betoog faalt.

25. The New Bulldog en anderen exploiteren een coffeeshop aan de Oudezijds Voorburgwal 220. Appellanten stellen dat het pand, ondergeschikt aan de verkoop en het gebruik van softdrugs, tevens in gebruik is als smart- en seedshop. The New Bulldog en anderen richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd - 2.4" voor het perceel Oudezijds Voorburgwal 220, voor zover het bestaand legaal ondergeschikt gebruik als smart- en seedshop niet is toegestaan. De raad heeft volgens hen ten onrechte niet onderbouwd waarom dit gebruik - waarvan niet aannemelijk is dat dit binnen de planperiode van tien jaar zal zijn beëindigd - opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht.

The New Bulldog en anderen richten zich tevens tegen de bestemming voor de percelen Oudezijds Voorburgwal 88 en 90 en Spuistraat 7, voor zover het ondergeschikt gebruik als seedshop niet is toegestaan. Voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat voornoemde percelen niet in gebruik zijn als seedshop, betogen The New Bulldog en anderen dat dit standpunt feitelijk onjuist is en te wijten is aan een gebrekkige vergaring van de nodige kennis omtrent de relevante feiten bij de voorbereiding van het besluit. Zij betogen dat het besluit in zoverre derhalve is voorbereid in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Voorts heeft de raad volgens hen ten onrechte niet onderbouwd waarom dit gebruik - waarvan niet aannemelijk is dat dit binnen de planperiode van tien jaar zal zijn beëindigd - opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht.

25.1. Niet in geschil is dat de percelen Oudezijds Voorburgwal 220, Oudezijds Voorburgwal 88 en 90 en Spuistraat 7 in hoofdzaak in gebruik zijn als coffeeshop of tot voor kort als zodanig in gebruik waren. Voorts is niet in geschil dat voor deze functie niet langer een gedoogbeschikking wordt verleend. Over de stelling van The New Bulldog en anderen dat het aan de coffeeshop ondergeschikte gebruik ten behoeve van een smart- en/of seedshop legaal is aangevangen, daargelaten of deze stelling juist is, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit gebruik zal moeten worden beëindigd op het moment dat The New Bulldog en anderen geen gedoogbeschikking meer hebben. Door beëindiging van de coffeeshopfunctie is aan die functie ondergeschikt gebruik als smart- en seedshop immers niet meer mogelijk. Het thans aanwezige ondergeschikte gebruik rechtvaardigt niet dat op de percelen een zelfstandige smart- of seedshop mogelijk wordt gemaakt. Hierbij is van belang dat het beleid is gericht op het tegengaan van deze criminogene en economisch laagwaarde functies. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Het betoog van The New Bulldog en anderen faalt.

26. The New Bulldog en anderen voeren aan dat in de (voormalige) coffeeshops op de percelen Oudezijds Voorburgwal 88, 90 en 220 en Spuistraat 7 ten onrechte een restaurant mogelijk is gemaakt en niet een café, omdat het gebruik als café - bijvoorbeeld wat betreft de mate van overlast en de wijze van exploitatie - meer overeenkomt met het gebruik als coffeeshop. Bovendien biedt een café, in tegenstelling tot een restaurant, nog enige mogelijkheden voor een rendabele exploitatie voor het geval de coffeeshopfunctie zal moeten worden beëindigd. Indien op voornoemde percelen een café niet bij recht mogelijk kan worden gemaakt, betogen The New Bulldog en anderen dat een wijzigingsbevoegdheid moet worden toegekend. Zij menen aan een toezegging van de burgemeester dan wel andere in het verleden gedane toezeggingen gerechtvaardigd vertrouwen te kunnen ontlenen dat na sluiting van de coffeeshops een café zou worden toegestaan.

26.1. De raad stelt dat de plansystematiek erop is gericht aan te sluiten bij de bestemming in het vorige bestemmingsplan, hetgeen voor de percelen Oudezijds Voorburgwal 88, 90 en 220 en Spuistraat 7 met zich brengt dat een restaurant wordt toegestaan. Het standpunt van The New Bulldog en anderen dat een café mogelijk moet worden gemaakt, deelt de raad niet. In dit verband wijst hij er op dat in het plangebied reeds 277 café’s zijn gevestigd en dat met het plan nu juist wordt beoogd de bestaande monocultuur te doorbreken. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet wenselijk is om op voornoemde percelen een nieuw café mogelijk te maken. The New Bulldog en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat in het verleden door de burgemeester toezeggingen zijn gedaan waaraan het gerechtvaardigd vertrouwen kon worden ontleend dat na sluiting van coffeeshops een café zou worden toegestaan. Het betoog faalt.

26.2. De beroepen van [appellant sub 4] en anderen en The New Bulldog en anderen zijn ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen

27. [ appellant sub 1] is eigenaresse van de combinatie van souvenirshop en smartshop aan de [locatie 7]. [appellant sub 2] en anderen zijn eigenaren van de smartshop aan de [locatie 8]. Zij richten zich tegen de planregeling voor het perceel [locatie 7] onderscheidenlijk [locatie 8], voor zover het bestaand legaal gebruik als smartshop niet is toegestaan. De raad heeft volgens hen ten onrechte niet onderbouwd waarom dit gebruik - waarvan niet aannemelijk is dat dit binnen de planperiode van tien jaar zal zijn beëindigd - opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht, terwijl andere legale smartshops, bijvoorbeeld de smartshop aan de Kolksteeg 4, als zodanig in het plan zijn bestemd.

27.1. Het plandeel met de bestemming "Centrum - 4" laat op het perceel [locatie 7] diverse functies toe. Met een functieaanduiding is tevens het gebruik als souvenirwinkel in de eerste bouwlaag mogelijk gemaakt. Het plandeel met de bestemming "Centrum - 1" laat op het perceel [locatie 8]s diverse functies toe. Met functieaanduidingen is tevens een head- en seedshop mogelijk gemaakt in de eerste bouwlaag. Op beide percelen mag op grond van het plan geen smartshop worden geëxploiteerd.

27.2. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben zich op het standpunt gesteld dat de exploitatie van hun smartshop legaal is aangevangen. Hiertoe hebben zij een accountantsverklaring en facturen overgelegd waarmee een begin van bewijs is geleverd dat het gebruik als smartshop legaal is aangevangen ten tijde van het vanaf 1995 geldende bestemmingsplan. De Afdeling is niet gebleken dat de raad het standpunt van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] heeft onderzocht en in zijn besluitvorming heeft betrokken. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd en onzorgvuldig genomen. De betogen slagen.

28. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit, voor zover geen aanduiding is toegekend op grond waarvan het gebruik als smartshop op de percelen [locatie 7] en [locatie 8] is toegestaan, is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

28.1. De Afdeling ziet in zoverre aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen.

Het beroep van [appellant sub 14]

29. De raad betoogt dat het beroep van [appellant sub 14] ruim na afloop van de beroepstermijn is ingesteld en derhalve niet-ontvankelijk is.

29.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:8, vierde lid, van de Awb vangt de beroepstermijn voor een geval als hier aan de orde aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onder a, ter inzage is gelegd.

De terinzagelegging heeft plaatsgevonden op 14 juni 2013. De beroepstermijn is derhalve aangevangen op 15 juni 2013 en geëindigd op 26 juli 2013. Het beroep van [appellant sub 14] is ingekomen op 22 mei 2014 en derhalve niet binnen de termijn ingesteld.

29.2. Ingevolge artikel 3.8, derde lid, van de Wro is in afwijking van artikel 3:1, eerste lid, onder b, van de Awb op een besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan artikel 3:44 van de Awb van toepassing. Op grond van artikel 3:44, eerste lid, onder b, van de Awb geschiedt de mededeling van het besluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht. [appellant sub 14] heeft over het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze naar voren gebracht, zodat de raad gehouden was aan hem een exemplaar van het vaststellingsbesluit toe te zenden.

29.3. De hoogste bestuursrechters hanteren alle als uitgangspunt (zie voor een uitspraak van de Afdeling de uitspraak van 18 augustus 2010 in zaak nr. 201000189/1/H3) dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres.

Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde om voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

29.4. [appellant sub 14], die blijkens de nota van zienswijzen mondeling een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan naar voren heeft gebracht, voert aan dat hij daarna geen bericht meer heeft ontvangen van het gemeentebestuur en acht de termijnoverschrijding om die reden verschoonbaar.

29.5. In het verweerschrift en het nader stuk van de raad van 1 juli 2014 staat dat [appellant sub 14] evenals alle andere indieners van een zienswijze bij de niet aangetekend verzonden brief van 19 juni 2013 inhoudende een kennisgeving, en bij de op gelijke wijze verzonden brief inhoudende een uitnodiging voor de behandeling in de raadscommissie, is geïnformeerd over de procedure tot vaststelling van het bestemmingsplan en dat deze brieven telkens zijn verzonden met hetzelfde, tot de stukken behorende, adressenbestand, waarop ook het juiste adres van [appellant sub 14] voorkomt.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad daarmee de verzending van deze brieven naar het juiste adres van [appellant sub 14] aannemelijk gemaakt en ligt het op de weg van [appellant sub 14] feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

De enkele ontkenning van de ontvangst van deze brieven vormt geen omstandigheid, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant sub 14] in verzuim is geweest, reeds omdat de bewering dat twee brieven niet door [appellant sub 14] zijn ontvangen zich slecht verhoudt met het hiervoor door de Afdeling aanvaarde uitgangspunt dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd. [appellant sub 14] heeft zich niet beroepen op feiten of omstandigheden die zouden kunnen meebrengen dat de overschrijding van de beroepstermijn hem niet valt toe te rekenen, terwijl van onvolkomenheden in de postbezorging gedurende deze periode niet is gebleken.

Het beroep van [appellant sub 14] is niet-ontvankelijk.

Het beroep van Hotel de l’Europe

30. Hotel de L’Europe richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd - 2.5" voor de gronden aan de Nieuwe Doelenstraat 2-14, voor zover het gebruik van de zalen die worden benut voor het verstrekken van etenswaren en dranken - al dan niet in samenhang met een (besloten) feest of bijeenkomst -, niet als zodanig zijn bestemd door toekenning van een aanduiding die horeca 2 toelaat. De uitleg van de raad dat horeca 2-activiteiten als aan de hotelbestemming ondergeschikte activiteiten zijn toegelaten, acht Hotel de L’Europe rechtsonzeker.

Hotel de L’Europe voert verder aan dat horeca 3 (café) in de lobby moet worden toegestaan in verband met het huidige gebruik.

30.1. Blijkens de verbeelding is aan de percelen Doelenstraat 2-14 de bestemming "Gemengd - 2.5" toegekend.

Ingevolge artikel 17, lid 17.1, van de planregels zijn de voor "Gemengd - 2.5" aangewezen gronden bestemd voor:

[…];

j. horeca 5 in alle bouwlagen;

[…].

Ingevolge artikel 1, lid 1.37, is horeca 2: horecabedrijven, al dan niet met een besloten karakter, die tot hoofddoel hebben het voor consumptie ter plaatse verstrekken van dranken, waarbij het gelegenheid bieden tot dansen op en tot het beluisteren van overwegend mechanische muziek een wezenlijk onderdeel vormt. Horeca 2 bedrijven zijn in elk geval discotheken en sociëteiten.

Ingevolge lid 1.40, is horeca 5: hotels.

30.2. De raad stelt dat bij wijze van omissie de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 4 toegestaan in de eerste bouwlaag" is toegekend aan de percelen Nieuwe Doelenstraat 2-8. De aanduiding die had moeten worden toegekend is volgens hem de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 3 toegestaan in de eerste bouwlaag". De raad stelt voorts dat bij wijze van omissie ten onrechte geen horeca 4 (restaurant) mogelijk is gemaakt in de eerste en tweede laag van de bebouwing aan de Nieuwe Doelenstraat 10-12. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Gemengd - 2.5" voor de gronden aan de Nieuwe Doelenstraat 2-12 is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond.

30.3. In hetgeen Hotel de l’Europe heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 4 toegestaan in de eerste bouwlaag" is toegekend aan de percelen Nieuwe Doelenstraat 2-8, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het bestreden besluit is voorts vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb voor zover geen aanduiding is toegekend aan de percelen Nieuwe Doelenstraat 10-12 die gebruik van de zalen mogelijk maakt om te worden benut voor het verstrekken van etenswaren en dranken, al dan niet in samenhang met een (besloten) feest of bijeenkomst. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

30.4. Nu niet aannemelijk is dat derde-belanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 3 toegestaan in de eerste bouwlaag" aan de percelen Nieuwe Doelenstraat 2-8 en door te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd.

30.5. De Afdeling ziet geen aanleiding het plan zelfvoorziend te wijzigen wat betreft het gebruik van de zalen die worden benut voor het verstrekken van etenswaren en dranken, al dan niet in samenhang met een (besloten) feest of bijeenkomst. Hierbij is van belang dat ter zitting is gebleken dat Hotel de L’Europe en de raad van mening verschillen over de vraag of hiertoe een aanduiding moet worden toegekend die horeca 4 dan wel horeca 2 mogelijk maakt. De Afdeling ziet in zoverre wel aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen.

Het beroep van The Grand Real Estate

31. The Grand Real Estate richt zich tegen het plandeel met de bestemming ‘Gemengd - 2.5" voor de gronden aan de Oudezijds Voorburgwal 195-199/Prinsenhofsteeg 10, voor zover haar bestaande legale

horeca 2-activiteiten niet als zodanig zijn bestemd.

31.1. De raad stelt dat bij wijze van omissie niet de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 2 toegestaan in de eerste, de tweede en de derde bouwlaag" is toegekend aan de percelen Oudezijds Voorburgwal 195/Prinsenhofsteeg 10. Hij stelt voorts dat bij wijze van omissie niet de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 2 toegestaan in de tweede bouwlaag" is toegekend aan de percelen Oudezijds Voorburgwal 197-199. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Gemengd - 2.5" voor de gronden aan de Oudezijds Voorburgwal 195-199/Prinsenhofsteeg 10 is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

31.2. In hetgeen The Grand Real Estate heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding om voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover niet de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 2 toegestaan in de eerste, de tweede en de derde bouwlaag" is toegekend aan de percelen Oudezijds Voorburgwal 195/Prinsenhofsteeg 10 en voor zover niet de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 2 toegestaan in de tweede bouwlaag" is toegekend aan de percelen Oudezijds Voorburgwal 197-199, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van The Grand Real Estate is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

31.3. Nu niet aannemelijk is dat derde-belanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien wat betreft toekenning van de aanduidingen "specifieke vorm van gemengd - horeca 2 toegestaan in de eerste, de tweede en de derde bouwlaag" en "specifieke vorm van gemengd - horeca 2 toegestaan in de tweede bouwlaag" aan de percelen Oudezijds Voorburgwal 195/Prinsenhofsteeg 10 onderscheidenlijk de percelen Oudezijds Voorburgwal 197-199 en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd.

32. The Grand Real Estate richt zich voorts tegen het plandeel met de bestemming "Tuin - 2", voor zover haar entreeportaal niet als zodanig is bestemd.

32.1. Aan de gronden ter plaatse van het entreeportaal is de bestemming "Tuin - 2" toegekend.

Ingevolge artikel 23, lid 23.1, van de planregels zijn de voor

"Tuin - 2" aangewezen gronden bestemd voor:

a. tuinen en erven;

[…].

Ingevolge lid 23.2, mogen op de tot "Tuin - 2" bestemde gronden geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht.

Ingevolge lid 23.2.2, mogen balkons, erkers, galerijen, luifels, buitentrappen of andere ondergeschikte delen van gebouwen die aanwezig zijn ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan geheel worden vernieuwd, maar niet worden vergroot.

32.2. De raad stelt met verwijzing naar zijn reactie op de zienswijze van The Grand Real Estate dat het entreeportaal als zodanig is bestemd als zijnde "ander ondergeschikt deel van een gebouw" als bedoeld in artikel 23, lid 23.2.2, van de planregels. Hij stelt dat dit gebouw derhalve geheel mag worden vernieuwd, maar niet mag worden vergroot. De Afdeling acht dit juist. Dit betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 7]

33. Voor zover [appellant sub 7] betoogt dat de raad in de nota van zienswijzen ten onrechte niet is ingegaan op zijn zienswijze omtrent het plandeel voor het perceel [locatie 9], overweegt de Afdeling dat de raad bij de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze van [appellant sub 7] heeft kunnen volstaan met de verwijzing naar de beantwoording van een zienswijze van een ander. Het betoog faalt.

34. [ appellant sub 7] betoogt dat het plan voor de [locatie 10] ten onrechte niet voorziet in het bestaande gebruik van het souterrain als seksinrichting.

34.1. Het plan voorziet voor de [locatie 10] in de bestemming "Centrum-3" en de aanduiding "specifieke vorm van centrum - seksinrichting toegestaan in de eerste bouwlaag".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder p, van de planregels zijn de voor "Centrum-3" aangewezen gronden bestemd voor een seksinrichting in de eerste bouwlaag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van centrum - seksinrichting toegestaan in de eerste bouwlaag" en met inachtneming van het bepaalde in lid 5.5.9.

Ingevolge lid 5.5.9 mag het bedrijfsvloeroppervlak van deze functie, zoals aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan, niet worden vergroot.

34.2. Het voorheen geldende bestemmingsplan "Burgwallen" uit 2005 voorzag voor de [locatie 10] in de bestemming "Gemengde doeleinden" en een aanduiding voor een seksinrichting in uitsluitend de eerste bouwlaag. Voorts heeft [appellant sub 7] niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van het souterrain als seksinrichting bij dat plan per abuis onder het overgangsrecht is gebracht en door het thans voorliggende plan voor een tweede maal onder het overgangsrecht wordt gebracht. Daarbij overweegt de Afdeling dat [appellant sub 7] zijn stelling, dat niet kan worden afgegaan op het voorheen geldende bestemmingsplan "Burgwallen" zonder kennis te nemen van het daarvoor geldende bestemmingsplan, eerst ter zitting naar voren heeft gebracht en niet met stukken heeft onderbouwd.

Voor zover [appellant sub 7] betoogt dat het gebruik van het souterrain als seksinrichting als een nieuw gewenste functie dient te worden aangemerkt, wordt overwogen dat het gemeentelijk beleid is gericht op het terugdringen van de overconcentratie van sekswinkels en seksinrichtingen. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid aan dit beleid heeft kunnen vasthouden.

Het betoog faalt.

35. [ appellant sub 7] betoogt dat het plan voor de kelder van de [locatie 11] ten onrechte niet voorziet in een horecabestemming.

35.1. Het plan voorziet voor de [locatie 11] in de bestemming "Gemengd-1.3" en de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca van categorie 3 toegestaan in de tweede en derde bouwlaag".

Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt onder "bijzondere bouwlaag" verstaan kelders, souterrains en kappen.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, zijn de voor "Gemengd-1.3" aangewezen gronden bestemd voor:

h. horeca 3 in de eerste bouwlaag en de daaronder gelegen bijzondere bouwlaag (kelder, souterrain);

l. horeca 3 in de tweede en derde bouwlaag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 3 toegestaan in de tweede en derde bouwlaag".

35.2. Ingevolge artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder h, van de planregels is horeca 3 toegestaan in de kelder van de [locatie 11]. Het betoog mist feitelijke grondslag.

36. [ appellant sub 7] beoogt dat het plan voor de [locatie 12] ten onrechte niet voorziet in het bestaande gebruik als sekswinkel met de verkoop van media in de vorm van video en boeken.

36.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het gemeentebestuur het gebruik als sekswinkel nimmer heeft erkend en bij brief van 13 september 2013 heeft aangegeven dat het huidige gebruik onder detailhandel valt en in overeenstemming is met het bestemmingsplan.

36.2. Het plan voorziet voor [locatie 12] in de bestemming "Gemengd-1" zonder een aanduiding voor een seksinrichting.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels zijn de voor "Gemengd-1" aangewezen gronden bestemd voor:

f. detailhandel, in de eerste bouwlaag.

s. seksinrichting in de kelder en de eerste bouwlaag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - seksinrichting toegestaan in de kelder en de eerste bouwlaag';

t. seksinrichting in de eerste en tweede bouwlaag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - seksinrichting toegestaan in de eerste en tweede bouwlaag';

Ingevolge artikel 1, lid 1.25, wordt onder 'detailhandel' verstaan het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

Ingevolge lid 1.56 wordt onder 'seksinrichting' verstaan een gebouw of gedeelte van een gebouw waarin de bedrijfsvoering geheel of voor een aanmerkelijk deel is gericht op vertoningen van seksuele en/of seksgerelateerde aard. Hieronder wordt in ieder geval niet begrepen een darkroom, dat wil zeggen een donkere ontmoetingsruimte die deel uitmaakt van een horecagelegenheid of sauna, waarin uitsluitend op vrijwillige basis en zonder materiële vergoeding seksuele handelingen kunnen plaatsvinden; onder een seksinrichting wordt tevens begrepen een gebouw of gedeelte van een gebouw waarin de bedrijfsvoering geheel of voor een aanmerkelijk deel is gericht op detailhandel in seksartikelen.

36.3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de winkel van [appellant sub 7] aan de [locatie 12] dient te worden aangemerkt als detailhandel in seksartikelen. Niet in geschil is dat het gebruik van [appellant sub 7] niet verder strekt dan de verkoop van seksvideo's en -boeken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat dit gebruik dient te worden aangemerkt als detailhandel als bedoeld in artikel 1, lid 1.25, van de planregels en niet als detailhandel in seksartikelen als bedoeld in lid 1.56. Het betoog dat het plan niet voorziet in een bestemming van de winkelruimte die de verkoop van seksvideo's en -boeken toestaat mist feitelijke grondslag.

37. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 7] ongegrond.

Het beroep van De Bijenkorf

Bestaande horecafunctie

38. De Bijenkorf is exploitant van het gelijknamige warenhuis aan de Dam in Amsterdam en voert in beroep aan dat het plan ten onrechte niet voorziet in de bestaande horecafunctie van De Bijenkorf.

38.1. Het plan voorziet voor De Bijenkorf in de bestemming "Centrum 1".

Ingevolge artikel 1, lid 1.25, van de planregels wordt onder 'detailhandel' verstaan het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit waaronder grootschalige detailhandel, volumineuze detailhandel, tuincentrum en supermarkt; onder grootschalige detailhandel wordt niet begrepen een warenhuis of detailhandel kleiner dan 1500 m².

Ingevolge lid 1.45 wordt onder 'mengformule' verstaan het in een detailhandel of vestiging voor consumentverzorgende dienstverlening tegen betaling verstrekken van etenswaren en/of dranken voor gebruik ter plaatse, waarbij:

1. de openingstijden van het eet- en /of drinkgedeelte van de mengformule overeenkomen met de openingstijden van de detailhandel of vestiging voor consumentverzorgende dienstverlening;

2. de netto verkoopvloeroppervlak van het eet- en/of drinkgedeelte ten hoogste 20% bedraagt, met een maximum van 20 m2. (Dit maximum brengt met zich mee dat het schenken van alcohol is uitgesloten);

3. het eet- en/of drinkgedeelte niet is geplaatst aan de gevel waar de ingang van de detailhandel of vestiging voor consumentverzorgende dienstverlening zich bevindt;

4. het eet- en/of drinkgedeelte past binnen de categorie koffie- en theeschenkerij, lunchroom en dergelijke;

5. het eet- en/of drinkgedeelte geen eigen ingang aan de straat heeft;

6. het eet- en/of drinkgedeelte geen terras heeft;

7. het eet- en/of drinkgedeelte op geen enkele wijze een horeca-uitstraling heeft.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Centrum - 1" aangewezen gronden bestemd voor:

f. detailhandel, met inbegrip van een mengformule, met uitzondering van smartshops, minisupermarkten, souvenirwinkels, headshops, seedshops en growshops, tenzij op de verbeelding aangeduid en met inachtneming van het bepaalde in artikel 35.1; voorzieningen ten behoeve van consumentverzorgende dienstverlening, met inbegrip van een mengformule, met uitzondering van automatenhallen, geldwisselkantoren, telefoneerinrichtingen en massagesalons, tenzij op de verbeelding aangeduid en met inachtneming van het bepaalde in artikel 35.1.

38.2. De raad heeft in het verweerschrift, gelezen in samenhang met zijn brief van 15 mei 2014, erkend dat De Bijenkorf onbedoeld onder de definitie voor een mengformule is komen te vallen. De raad verzoekt de Afdeling om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de definitiebepaling voor 'detailhandel' uit artikel 1, onder 1.25, van de planregels en de aanhef van de definitiebepaling voor 'mengformule' uit artikel 1, onder 1.45, komen te luiden overeenkomstig een door de raad gegeven tekstvoorstel.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

Verplaatsing roltrappen

39. De Bijenkorf betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in haar voornemen om de roltrappen te verplaatsen in het kader van de beoogde revitalisatie van het warenhuis. Dit klemt temeer, nu dit concrete plan en de daarbij behorende tekeningen al geruime tijd bekend zijn bij het gemeentebestuur, aldus De Bijenkorf.

39.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.12, van de planregels dienen in geval van verbouwing, restauratie, verbetering en/of verandering van gebouwen de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan aanwezige, al dan niet zelfstandige, ontsluitingen naar de tweede en hogere bouwlagen te worden gehandhaafd.

Ingevolge lid 3.4, aanhef en onder 3.4.10, is het bevoegd gezag bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 3.2.12, mits de tweede en hogere bouwlagen van het desbetreffende gebouw in voldoende mate bereikbaar blijven.

Voorts mag ingevolge lid 3.4, aanhef, toepassing van een bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken niet tot gevolg hebben dat de karakteristiek van het stadsgezicht in onevenredige mate wordt aangetast en/of aan de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied in onevenredige mate afbreuk wordt gedaan.

39.2. Niet gebleken is van omstandigheden die aanleiding geven voor een ander oordeel dan dat de ontsluiting naar de tweede en hogere bouwlagen met de voorgenomen verplaatsing behouden blijft. Derhalve brengt een redelijke uitleg van artikel 3, lid 3.2.12, van de planregels met zich dat voor de door De Bijenkorf voorgenomen verplaatsing van de roltrappen geen omgevingsvergunning is vereist als bedoeld in lid 3.4, aanhef en onder 3.4.10. Het betoog mist feitelijke grondslag.

Specifieke bouwaanduiding - orde 3

40. De Bijenkorf betoogt dat het plan voor het warenhuis ten onrechte voorziet in de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - orde 3". Volgens haar staat artikel 31, lid 31.2, onder c, van de planregels in de weg aan verbouwwerkzaamheden.

40.1. De raad heeft toegelicht dat de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - orde 3" is toegekend aan gebouwen die niet zijn aangewezen als monument, maar waarvan monumentale waarden op voorhand niet kunnen worden uitgesloten. Eerst bij een bouwhistorische verkenning en een kwaliteitstoets kan dit worden nagegaan, aldus de raad.

40.2. Het plan voorziet voor de gronden van het warenhuis in de dubbelbestemming "Waarde - cultuurhistorie". Voor een deel van de gronden van het warenhuis, grenzend aan de Warmoesstraat, voorziet het plan in de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - orde 3".

Ingevolge artikel 31, lid 31.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Waarde - cultuurhistorie" aangewezen gronden naast de op de verbeelding aangegeven andere bestemming(en) tevens bestemd voor het behoud, herstel en versterking van de met het beschermde stadsgezicht verbonden cultuurhistorische en architectonische waarden. De voor het stadsgezicht bepalende bouwwerken zijn op de verbeelding aangeduid met de specifieke bouwaanduidingen orde 1, orde 2 en orde 3.

Ingevolge lid 31.1, onder b, is de bestemming "Waarde - cultuurhistorie" primair ten opzichte van onder meer de bestemming "Centrum -1".

Ingevolge lid 31.2, onder c, wordt in geval van een ingrijpende verbouwing van een bouwwerk met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - orde 3" namens het bevoegd gezag een bouwhistorische verkenning en een kwaliteitstoets uitgevoerd. Getoetst wordt de mate van bouwhistorische, cultuurhistorische, architectuurhistorische en stedenbouwkundige waarden. Ingrijpende verbouwing kan slechts worden toegestaan indien uit de toets naar voren komt dat het kwaliteitsniveau van alle genoemde waarden zodanig laag is dat een omgevingsvergunning voor ingrijpende verbouwing niet hoeft te worden geweigerd. De wijze van aanpak van de ingrijpende wijziging wordt als dan in het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning aan de daarvoor geldende regels getoetst.

40.3. In het verweerschrift heeft de raad aangegeven dat het benodigde onderzoek naar de monumentale waarden, van het gedeelte van het warenhuis waaraan de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - orde 3" is toegekend, reeds is uitgevoerd. Ter zitting heeft de raad desgevraagd niet kunnen aangegeven dat uit dat onderzoek blijkt dat ter plaatse beschermenswaardige waarden aanwezig zijn. De Afdeling leidt hieruit af dat de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - orde 3" ter plaatse van de gronden van de Bijenkorf niet nodig is. Gelet hierop is het plan in zoverre onzorgvuldig vastgesteld.

De Afdeling ziet af van het bespreken van hetgeen De Bijenkorf voor het overige tegen de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - orde 3" heeft aangevoerd.

Conclusie

41. In hetgeen De Bijenkorf heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft de definitiebepaling voor 'detailhandel' uit artikel 1, onder 1.25, van de planregels en de aanhef van de definitiebepaling voor 'mengformule' uit artikel 1, onder 1.45, van de planregels, en voor zover is voorzien in de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - orde 3" voor een gedeelte van de gronden van de Bijenkorf.

Het beroep van De Bijenkorf is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

42. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat:

- de definitiebepaling voor 'detailhandel' uit artikel 1, onder 1.25, van de planregels komt te luiden: "het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Ten aanzien van een warenhuis geldt dat aan de detailhandelsfunctie ondergeschikte horeca hiervan onderdeel mag uitmaken.";

- de aanhef van de definitiebepaling voor 'mengformule' uit artikel 1, onder 1.45, van de planregels komt te luiden: "in een detailvestiging, niet zijnde een warenhuis, of in een vestiging voor consumentverzorgende dienstverlening tegen betaling vertrekken van etenswaren en/of dranken voor gebruik ter plaatse, waarbij:".

De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van dit punt in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd. Niet aannemelijk is dat derde belanghebbenden in hun belangen worden geschaad, nu daarmee louter bestaande rechten als zodanig worden bestemd.

Het beroep van [appellant sub 13] en anderen

Ontvankelijkheid

43. Ingevolge artikel 6:4, derde lid, van de Awb geschiedt het instellen van beroep bij een bestuursrechter door het indienen van een beroepschrift bij die rechter.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef, wordt een beroepschrift ondertekend.

Ingevolge artikel 6:6, voor zover hier van belang, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 8:24, eerste lid, kunnen partijen zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Ingevolge het tweede lid, gelezen in verbinding met het derde lid, kan de bestuursrechter van een gemachtigde, niet zijnde een advocaat, een schriftelijke machtiging verlangen.

43.1. Het beroepschrift van [appellant sub 13] en anderen is door [appellant sub 13A] ingediend namens een lijst indieners. Uit de stukken blijkt echter niet dat [appellant sub 13A] gemachtigd is beroep in te stellen namens de op die lijst genoemde indieners [11 appellanten sub 13].

De Afdeling heeft [appellant sub 13A] bij aangetekende brief van 29 juli 2013 verzocht de gestelde vertegenwoordiging aan te tonen. Hij is tot en met 26 augustus 2013 hiertoe in de gelegenheid gesteld. Daarbij is vermeld dat, indien niet binnen de gestelde termijn een ondertekende verklaring van degenen die worden vertegenwoordigd wordt toegezonden, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk wordt verklaard. De gestelde vertegenwoordiging is niet binnen voornoemde termijn aangetoond. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant sub 13] en anderen in verzuim zijn geweest. Gelet hierop is het beroep niet-ontvankelijk voor zover het beweerdelijk is ingediend namens [11 appellanten sub 13]. Voor de overige 50 indieners is tijdig een ondertekende verklaring toegezonden.

44. De raad stelt zich op het standpunt dat niet alle indieners van het beroep als belanghebbende kunnen worden aangemerkt, omdat zij op een te grote afstand van het bestreden plandeel wonen.

44.1. Gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die het bestreden plandeel voor het Compagnietheater mogelijk maakt, de binnenstedelijke aard van het plangebied, de tussengelegen bebouwing, het gebrek aan zicht vanuit de woningen op het Compagnietheater, en nu niet gebleken is van feiten of omstandigheden in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat desondanks een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt, wonen een aantal indieners van het beroep op een te grote afstand om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Het gaat in dit verband om [4 appellanten sub 13].

De conclusie is dat zij geen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen.

Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant sub 13] en anderen eveneens niet-ontvankelijk, voor zover ingediend door [4 appellanten sub 13].

Inhoudelijk

45. [ appellant sub 13] en anderen betogen dat het plan ten onrechte culturele horeca mogelijk maakt voor het Compagnietheater aan de Kloveniersburgwal 50 te Amsterdam. Zij voeren diverse redenen aan waarom het Compagnietheater hiervoor op grond van beleid niet in aanmerking komt en vrezen voor overlast.

45.1. Het plan voorziet voor het Compagnietheater aan de Kloveniersburgwal 50 in de bestemming "Gemengd-2" met de aanduiding "wro-zone - ontheffingsgebied".

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, aanhef en onder c, van de planregels, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1.61, zijn de voor "Gemengd - 2" aangewezen gronden bestemd voor onder meer culturele voorzieningen.

Ingevolge artikel 36, lid 36.2, is het bevoegd gezag bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken ten behoeve van horeca 6 in gebouwen die op de verbeelding zijn aangeduid met de gebiedsaanduiding "wro-zone-ontheffingsgebied", indien:

a. de exploitatie van het gebouw geschiedt door een instelling met een culturele of museale doelstelling, met dien verstande dat de exploitatie van het gebouw in de Nes ook mag geschieden door en ten behoeve van een theater;

b. de verlening van de omgevingsvergunning bijdraagt aan een mix van verschillende activiteiten binnen het gebouw, waarbij de horecacomponent ondergeschikt is en blijft aan de culturele activiteiten;

c. het woon- en leefklimaat in de omgeving van het gebouw niet in onevenredige mate wordt aangetast;

d. de horeca-activiteiten alleen binnen het gebouw mogen plaatsvinden; het exploiteren van een (dak)terras of het gebruik van tuinen voor horeca-activiteiten is niet toegestaan.

De toestemming om ten behoeve van horeca 6 af te wijken die bij omgevingsvergunning is gegeven, vervalt van rechtswege wanneer de primair culturele of museale activiteiten, dan wel voor zover het de Nes betreft de primaire activiteiten door en ten behoeve van het theater, geheel of gedeeltelijk worden beëindigd.

Ingevolge artikel 1, lid 1.41, wordt onder 'horeca 6' verstaan de uitoefening van horeca-activiteiten in een gebouw dat primair voor culturele of museale activiteiten wordt gebruikt (culturele horeca).

45.2. In het Horecabeleidsplan 2008 is voor Amsterdam de nieuwe categorie 'culturele horeca' geïntroduceerd. Het beleidsdocument "Horeca in culturele instellingen en musea" uit 2010 (hierna: het Beleidsplan culturele horeca 2010) is een uitwerking daarvan. Oogmerk is om culturele instellingen de mogelijkheid te bieden om inkomsten te vergaren uit een vorm van horeca die omvangrijker is dan additionele horeca, zonder dat de cultuurfunctie in gevaar komt. Daarom is gekozen voor een horecacategorie waarbij de horecafunctie niet langer mag worden uitgevoerd als de culturele instelling uit het pand vertrekt. Met dit voorstel komen hoogstwaarschijnlijk meer dan de elf culturele instellingen uit het Horecabeleidsplan 2008 en de acht door de deelraad met naam genoemde musea in aanmerking voor een aanduiding "Horeca 6" op de bestemmingsplankaart, aldus het Beleidsplan culturele horeca 2010.

Voorts stelt het Beleidsplan culturele horeca 2010 aan culturele instellingen, samengevat weergegeven, de volgende voorwaarden om voor culturele horeca in aanmerking te komen:

-theaters en bioscopen komen niet in aanmerking;

-het betreft een gebouw waarin culturele of museale activiteiten plaatsvinden;

-de exploitatie van het gebouw geschiedt door een instelling met een culturele of museale doelstelling;

-de verlening van ontheffing draagt bij aan een mix van verschillende activiteiten binnen het gebouw, waarbij de horecacomponent ondergeschikt is en blijft aan de culturele activiteiten;

-het woon- en leefklimaat wordt niet onevenredig geschaad;

-de verkeersaantrekkende werking wordt beoordeeld;

-de exploitatie vindt alleen in het gebouw plaats.

Zo nodig kunnen daartoe waarborgen worden opgenomen in de ontheffingsvoorwaarden, aldus het Beleidsplan culturele horeca 2010.

45.3. Voor zover [appellant sub 13] en anderen betogen dat het plan ten onrechte culturele horeca mogelijk maakt voor het Compagnietheater overweegt de Afdeling dat thans de vraag aan de orde is of de raad met de aanduiding "wro zone - ontheffingsgebied" heeft kunnen voorzien in een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid waarmee daarin onder voorwaarden kan worden voorzien.

Ten aanzien van het betoog dat het Compagnietheater niet is genoemd in de beleidsdocumenten, overweegt de Afdeling dat in het Beleidsplan culturele horeca 2010 staat dat hoogstwaarschijnlijk meer instellingen dan de concreet genoemde culturele instellingen in aanmerking komen voor culturele horeca. Het beleid sluit culturele horeca voor niet genoemde culturele instellingen dan ook niet uit. Voorts kan ingevolge het Beleidsplan culturele horeca 2010 niet worden voorzien in culturele horeca voor een theater. De raad heeft evenwel toegelicht dat in het Compagnietheater diverse culturele activiteiten plaatsvinden waardoor het gebruik het karakter van een theater overstijgt. [appellant sub 13] en anderen hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Voorts heeft de raad in overeenstemming met het beleid het wenselijk kunnen achten dat de exploitant van het Compagnietheater inkomsten uit culturele horeca vergaart, nu deze inkomsten kunnen bijdragen aan de culturele activiteiten. Gelet op het vorenstaande heeft de raad het Compagnietheater in potentie een gepaste locatie kunnen achten voor culturele horeca als bedoeld in het Beleidsplan culturele horeca 2010.

De toetsing of daadwerkelijk aan alle eisen wordt voldaan zal plaatsvinden bij de eventuele verlening van een omgevingsvergunning met toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, waartegen belanghebbenden rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Overigens is het door [appellant sub 13] en anderen gevreesde buitenterras ingevolge artikel 36, lid 36.2, aanhef en onder d, van de planregels niet toegestaan. Verder kunnen voor zover nodig bij de omgevingsvergunning voorschriften worden gesteld met het oog op onder andere het woon- en leefklimaat.

Gelet op het hiervoor overwogene heeft de raad in redelijkheid kunnen voorzien in de aanduiding "wro-zone - ontheffingsgebied" voor het Compagnietheater aan de Kloveniersburgwal 50. Het betoog faalt.

45.4. Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant sub 13] en anderen ongegrond.

Opdracht www.ruimtelijkeplannen.nl

46. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

47. De raad dient ten aanzien van RL Properties en anderen, [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, Hotel de L’Europe, The Grand Real Estate, en De Bijenkorf op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

48. Ten aanzien van [appellant sub 8], [appellant sub 9] en Otah en anderen, [appellant sub 4] en anderen, The New Bulldog en anderen, [appellant sub 14], [appellant sub 7] en [appellant sub 13] en anderen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart niet-ontvankelijk de beroepen tegen het besluit van de raad van de gemeente Amsterdam van 4 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Postcodegebied 1012" van:

- [ appellant sub 14];

- [ appellant sub 13] en anderen, voor zover het beroep is ingediend door [15 appellanten sub 13];

II. verklaart gegrond de beroepen tegen het besluit van de raad van de gemeente Amsterdam van 4 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Postcodegebied 1012" van:

- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RL Properties B.V. en anderen;

- [ appellant sub 1];

- [ appellant sub 2] en anderen;

- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hotel de L’Europe B.V.;

- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid The Grand Real Estate B.V.;

- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Magazijn "De Bijenkorf" B.V.;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Amsterdam van 4 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Postcodegebied 1012" voor zover het betreft:

a. artikel 7, lid 7.5, aanhef en onder 7.5.6, van de planregels;

b. het plandeel met de bestemming "Tuin - 3" voor de gronden voor de automatenhal achter het pand Molensteeg 3 en het plandeel met de bestemming "Gemengd - 1" voor het pand Molensteeg 3;

c. het niet toekennen van een aanduiding op grond waarvan het gebruik als smartshop op de percelen [locatie 7] en [locatie 8] is toegestaan;

d. de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 4 toegestaan in de eerste bouwlaag" voor de percelen Nieuwe Doelenstraat 2-8;

e. het niet toekennen van een aanduiding aan de percelen Nieuwe Doelenstraat 10-12 die gebruik van de zalen mogelijk maakt om te worden benut voor het verstrekken van etenswaren en dranken, al dan niet in samenhang met een (besloten) feest of bijeenkomst;

f. het niet toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 2 toegestaan in de eerste, de tweede en de derde bouwlaag" aan de percelen Oudezijds Voorburgwal 195/Prinsenhofsteeg 10;

g. het niet toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 2 toegestaan in de tweede bouwlaag" aan de percelen Oudezijds Voorburgwal 197-199;

h. de definitiebepaling voor 'detailhandel' uit artikel 1, onder 1.25, van de planregels en de aanhef van de definitiebepaling voor 'mengformule' uit artikel 1, onder 1.45, van de planregels;

i. de aanduiding “specifieke bouwaanduiding - orde 3” voor een gedeelte van de gronden van de Bijenkorf;

IV. verklaart ongegrond de beroepen tegen het besluit van de raad van de gemeente Amsterdam van 4 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Postcodegebied 1012" van:

- [ appellant sub 8];

- [ appellant sub 9];

- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Otah B.V. en anderen;

- [ appellant sub 4] en anderen;

- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid The New Bulldog B.V.;

- [ appellant sub 7];

- [ appellant sub 13] en anderen

V. bepaalt dat:

a. op de verbeelding aan de percelen Nieuwe Doelenstraat 2-8 de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 3 toegestaan in de eerste bouwlaag" wordt toegekend;

b. op de verbeelding aan de percelen Oudezijds Voorburgwal 195/Prinsenhofsteeg 10 de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 2 toegestaan in de eerste, de tweede en de derde bouwlaag" wordt toegekend;

c. op de verbeelding aan de percelen Oudezijds Voorburgwal 197-199 de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - horeca 2 toegestaan in de tweede bouwlaag" wordt toegekend;

d. de definitiebepaling voor 'detailhandel' uit artikel 1, onder 1.25, van de planregels komt te luiden: "het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Ten aanzien van een warenhuis geldt dat aan de detailhandelsfunctie ondergeschikte horeca hiervan onderdeel mag uitmaken.";

e. de aanhef van de definitiebepaling voor 'mengformule' uit artikel 1, onder 1.45, van de planregels komt te luiden: "in een detailvestiging, niet zijnde een warenhuis, of in een vestiging voor consumentverzorgende dienstverlening tegen betaling vertrekken van etenswaren en/of dranken voor gebruik ter plaatse, waarbij:";

VI. bepaalt dat deze uitspraak voor zover het betreft het onder V genoemde in de plaats treedt van het in zoverre vernietigde besluit van 4 juni 2013;

VII. draagt de raad van de gemeente Amsterdam op om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen wat betreft het vermelde onder III.c en III.e. een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VIII. draagt de raad van de gemeente Amsterdam op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III.a, III.b, III.i en V worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IX. veroordeelt de raad van de gemeente Amsterdam tot vergoeding van:

- bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RL Properties B.V. en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- bij [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hotel de L’Europe B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid The Grand Real Estate B.V in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Magazijn "De Bijenkorf" B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. gelast dat de raad van de gemeente Amsterdam aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 318,00 ( zegge: driehonderdachttien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RL Properties B.V. en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- € 160,00 ( zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 1];

- € 160,00 ( zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 2] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- € 318,00 ( zegge: driehonderdachttien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hotel de L’Europe B.V.;

- € 318,00 ( zegge: driehonderdachttien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid The Grand Real Estate B.V.;

- € 318,00 ( zegge: driehonderdachttien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Magazijn "De Bijenkorf" B.V.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Hupkes

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2015

635, 646, 655.