Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:567

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2015
Datum publicatie
25-02-2015
Zaaknummer
201406074/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2014 heeft het college het wijzigingsplan "Kerkrade Noord 1e wijziging" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6638
JBO 2015/96 met annotatie van D. van der Meijden
JOM 2015/822
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406074/1/R1.

Datum uitspraak: 25 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Kerkrade,

en

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2014 heeft het college het wijzigingsplan "Kerkrade Noord 1e wijziging" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.F.G. Pennino, advocaat te Kerkrade, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.P.J. Doveren, ing. M.T.F. Stevens, ir. S. Alicehajic en ing. W.J.M. Bosten, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaar van de raad heeft [appellant] ter zitting een brief van de voorzitter van het Waterschap Roer en Overmaas (hierna: het Waterschap) van 15 januari 2015 in het geding gebracht.

Overwegingen

1. Het wijzigingsplan voorziet onder meer in het verplaatsen van de bestaande bouwvlakken op gronden aan de Van Meertenstraat met ongeveer 8 m tot 10 m ten behoeve van de bouw van negen woningen. In 2012 zijn de bestaande 20 woningen ter plaatse gesloopt. Het wijzigingsplan is gebaseerd op de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 12, lid 12.8.2, van de planregels van het op 15 december 2010 vastgestelde bestemmingsplan "Kerkrade Noord" (hierna: het bestemmingsplan).

2. Het beroep van [appellant] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de Van Meertenstraat. [appellant] betoogt dat het wijzigingsplan in strijd is met de in het bestemmingsplan opgenomen algemene wijzigingsvoorwaarden uit artikel 21, lid 21.1.2, omdat de bestemmingsgrenzen meer dan 5 m worden verschoven en de belangen van derden onevenredig worden geschaad. Verder voert hij aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de wijzigingsvoorwaarden uit lid 21.1.1.

2.1. Blijkens de verbeelding van het bestemmingsplan is aan de gronden aan de Van Meertenstraat de bestemming "Wonen" met de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 2" toegekend.

Ingevolge artikel 12, lid 12.8.2, van de planregels behorende bij het bestemmingsplan is het college bevoegd ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 2" de situering en maatvoering van de ter plaatse gelegen bouwvlakken te wijzigen, daaronder mede begrepen het verwijderen van de bouwvlakken, mits deze wijzigingsbevoegdheid alleen wordt toegepast in het kader van de uitvoering van de herstructurering, dit ten behoeve van de opwaardering van betreffende woongebieden, en mits met inachtneming van de overige bouwregels genoemd in lid 12.2.

Ingevolge artikel 21, lid 21.1.1, is het college bevoegd op gronden met de bestemming "Wonen" het beloop van de begrenzing van de aangeduide bouwvlakken, beperkt te wijzigen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

a. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;

b. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden;

c. de verkeersveiligheid mag niet in het gedrang komen;

d. het woon- en leefklimaat mogen niet onevenredig worden aangetast;

e. de brand-, verkeers- en openbare veiligheid komen niet in het gedrang.

Ingevolge lid 21.1.2, is het college bevoegd de bestemmingsgrenzen met maximaal 5 m te verschuiven, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

a. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;

b. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden;

c. de verkeersveiligheid mag niet in het gedrang komen;

d. het woon- en leefklimaat mogen niet onevenredig worden aangetast;

e. de brand-, verkeers- en openbare veiligheid komen niet in het gedrang.

2.2. Het college heeft ter zitting toegelicht dat het wijzigingsplan is vastgesteld op basis van de in artikel 12, lid 12.8.2, van de planregels behorende bij het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid en niet op de in artikel 21, lid 21.1.1 of lid 21.1.2, opgenomen algemene wijzigingsbevoegdheden. De Afdeling stelt verder vast dat het wijzigingsplan niet voorziet in verschuiving van de grenzen van de bestemming "Wonen" maar in de verplaatsing van de bestaande bouwvlakken op de desbetreffende percelen aan de Van Meertenstraat. Gelet op het voorgaande zijn - anders dan [appellant] betoogt - artikel 21, lid 21.1.1 en lid 21.1.2, van de planregels behorende bij het bestemmingsplan niet van toepassing.

Het betoog van [appellant] faalt.

3. [appellant] betoogt dat het wijzigingsplan in strijd is met de in het bestemmingsplan opgenomen algemene procedureregels uit artikel 22,

lid 22.2, omdat niet is aangetoond dat de in dit lid genoemde aspecten bodem en externe veiligheid geen belemmeringen opleveren. Volgens hem had van te voren onderzoek moeten worden gedaan naar de stabiliteit van de bodem en de veiligheid van omwonenden. Hij voert hierbij aan dat de voorziene woningen in een geologisch kwetsbaar gebied liggen, omdat zich in de ondergrond de Feldbissbreuk bevindt. Niet ondenkbaar is dat het creëren van een neerwaartse druk een tegendruk oplevert uit de diepte van de Feldbissbreuk waardoor instabiliteit optreedt met alle gevolgen van dien voor zijn woning. Verder wijst [appellant] erop dat in het gebied lange tijd mijnbouw heeft plaatsgevonden, hetgeen de stabiliteit en de hechtheid van de bodem niet heeft bevorderd. Volgens hem is onvoldoende onderzoek gedaan naar de staat van de mijngangen en hij acht het niet ondenkbaar dat door het realiseren van de voorziene woningen en het verwijderen van een decennialange aanwezig zijnde coniferenhaag een verdere verstoring van het verkregen geohydrologisch evenwicht wordt veroorzaakt waardoor verzakkingen onder zijn woning zullen optreden. Hij wijst er hierbij op dat de waterhuishouding op en rondom zijn perceel reeds is verstoord door de stijging van het grondwater in de mijnen. Nu volgens [appellant] niet is uit te sluiten dat verzakkingsgevaar bestaat, had uitvoerig onderzoek gedaan moeten worden naar de bodemgesteldheid zodat schadebeperkende maatregelen hadden kunnen worden getroffen. Daarbij wijst hij op de brief van de voorzitter van het Waterschap van 15 januari 2015 waarin wordt aangegeven dat de opmerkingen van [appellant] ten aanzien van de instabiliteit van de bodem plausibel overkomen en dat aan de minister van Economische Zaken is verzocht om onderzoek naar de bodembewegingen in Eygelshoven mee te nemen in het lopende onderzoek naar de na-ijlende effecten van vroegere mijnactiviteiten in Zuid-Limburg. Ten slotte voert [appellant] aan dat door wethouder Bok tijdens de commissievergadering op 12 februari 2014 te kennen is gegeven dat nadere onderzoeken naar mijnschade moeten plaatsvinden, maar dat deze onderzoeken thans nog niet hebben plaatsgevonden.

3.1. Ingevolge artikel 12, lid 12.8.5, van de planregels behorende bij het bestemmingsplan wordt bij het wijzigen van het plan op basis van het in dit artikellid bepaalde de in artikel 22, lid 22.1.2, opgenomen procedure gevolgd.

Ingevolge artikel 22, lid 22.1.2, is met betrekking tot de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid op de voorbereiding van besluiten als bedoeld in onder meer lid 12.8 de in artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) geregelde procedure van toepassing.

Ingevolge lid 22.2 dient, alvorens tot afwijking of wijziging als bedoeld in artikel 22, lid 22.1, te besluiten, in voorkomend geval aangetoond te zijn dat de onderscheiden milieuaspecten, zoals geluid, bodem en lucht, alsmede de watertoets, geen belemmering opleveren, dat de voor de onderscheiden milieuaspecten geldende normen niet zullen worden overschreden, dat afwijking of wijziging uit oogpunt van externe veiligheid verantwoord is, dat in voorkomend geval grenswaardenprocedures succesvol zijn doorlopen en/of afschermende voorzieningen/mitigerende maatregelen zullen worden getroffen.

Ingevolge artikel 1, onder ah, moet onder het begrip "externe veiligheid" worden verstaan een ruimtelijke situatie waar activiteiten plaatsvinden of mogelijk worden gemaakt op daartoe bestemde gronden die voor de gebruikers van de ruimte buiten die gronden een specifiek risico inhoudt. Het specifieke risico betreft een bepaalde overlijdenskans die de gebruikers afzonderlijk lopen door de gevolgen van het vrijkomen van een gevaarlijke stof bij een ongeval met de betreffende activiteit, als mede de kans dat een groep van bepaalde omvang onder de gebruikers in één keer tegelijk dodelijk wordt getroffen door het bedoelde ongeval. Beide kansen hebben betrekking op het direct of op korte termijn overlijden door de effecten en worden veroorzaakt door bij het ongeval vrijkomende gevaarlijke stof.

3.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft Huntjes niet aannemelijk gemaakt dat het wijzigingsplan uit een oogpunt van externe veiligheid niet verantwoord is. De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 1, onder ah, van deze planregels met externe veiligheid niet is bedoeld de veiligheid van omwonenden als gevolg van verminderde bodemstabiliteit, maar de overlijdenskans van omwonenden door bij een ongeval vrijkomende gevaarlijke stoffen. In de plantoelichting staat dat er geen relevante risicobronnen aanwezig zijn, zodat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de planwijziging.

Het betoog van [appellant] faalt.

3.3. In het door de afdeling Milieu en Bouwen opgestelde rapport "Historisch onderzoek ten behoeve van drie nieuwbouwlocaties" van 17 juli 2013 staat dat de gronden aan de Van Meertenstraat dicht bij of mogelijk zelfs binnen de storingszone van de Feldbissbreuk liggen. Ter zitting heeft het college te kennen gegeven dat ter plaatse geen problemen bekend zijn van instabiliteit van de bodem als gevolg van de Feldbissbreuk. Het college heeft verder verklaard dat in het verleden ter plaatse van de Feldbissbreuk nauwelijks mijnbouw heeft plaatsgevonden vanwege de risico’s op instorting door het gebroken gesteente waaruit een breuk bestaat en het gegeven dat de breuk in het Carboongesteente op plaatsen sterk watervoerend was. Volgens het college is het zeer onwaarschijnlijk dat in de ondergrond ter plaatse en in de directe nabijheid van de voorziene woningen aan de Van Meertenstraat mijngangen aanwezig zijn. Het grootste gedeelte van de Limburgse mijngangen staat volgens het college overigens onder water, zodat niet langer holle ruimten aanwezig zijn. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] naar het oordeel van de Afdeling met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de bouw van woningen op gronden aan de Van Meertenstraat zal leiden tot een zodanige instabiliteit van de bodem dat ter plaatse van zijn woning op het perceel Gulikstraat 13 verzakking zal plaatsvinden.

Voor zover [appellant] heeft gewezen op de brief van de voorzitter van het Waterschap van 15 januari 2015, welke is gericht aan de minister van Economische Zaken, kan hieraan niet de betekenis worden toegekend die hij daaraan gehecht wil zien. De Afdeling overweegt dat uit de brief niet kan worden afgeleid dat volgens de voorzitter de bouw van de voorziene woningen verzakkingen tot gevolg zal hebben ter plaatse van de woning van [appellant], maar dat in de brief slechts in het algemeen wordt verzocht om in het onderzoek, dat in opdracht van de minister van Economische Zaken wordt uitgevoerd, de eventuele gevolgen van de vroegere mijnactiviteiten voor de instabiliteit van de bodem in Eygelshoven te betrekken.

3.4. Wat betreft de vrees voor verzakking van zijn woning als gevolg van de verandering van de grondwaterstand heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de gevolgen voor de grondwaterstand vanwege de bouw van de voorziene woningen en het verwijderen van een decennialange aanwezig zijnde coniferenhaag zodanig zullen zijn dat het college in zoverre niet in redelijkheid het bestreden besluit heeft kunnen vaststellen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college ter zitting heeft toegelicht dat het Waterschap ter plaatse van de woning van [appellant] peilbuizen tot 5 m onder maaiveld heeft geplaatst om te bekijken of en zo ja op welke diepte zich grondwater zou bevinden, maar dat in de buizen geen grondwater is aangetroffen. In het door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Geonius Geotechniek B.V. opgestelde rapport "Funderingsadvies ten behoeve van nieuwbouw woningen diverse locaties (5, 7 en 8) te Eijgelshoven in de gemeente Kerkrade" van 26 augustus 2013 (hierna: het funderingsadvies) is ten behoeve van de voorziene woningen geotechnisch onderzoek uitgevoerd. In dit funderingsadvies staat dat tijdens grondonderzoek in de sondeer- en boorgaten de actuele grondwaterstand is gepeild en dat geen grondwater werd aangetroffen tot een niveau van minimaal 8,2 m onder maaiveld. Het college heeft toegelicht dat de grondwaterstand dusdanig laag is dat de bouw van de voorziene woningen hier geen invloed op heeft.

3.5. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat wethouder Bok in de commissievergadering op 12 februari 2014 te kennen heeft gegeven dat nadere onderzoeken naar mijnschade moeten plaatsvinden maar dat deze onderzoeken nog niet hebben plaatsgevonden, overweegt de Afdeling dat het college heeft toegelicht dat de wethouder heeft verwezen naar het onderzoek dat in opdracht van de minister van Economische Zaken wordt uitgevoerd en naar een onderzoek dat inmiddels op 24 juni 2014 in opdracht van de Technische commissie bodembewerking is uitgevoerd.

3.6. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het wijzigingsplan wat betreft het milieuaspect bodem geen belemmeringen oplevert als bedoeld in artikel 22, lid 22.2, van de planregels behorende bij het bestemmingsplan.

Het betoog van [appellant] faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat voor het verkrijgen van duidelijkheid omtrent de geohydrologische gesteldheid van de bodem de uitgevoerde korte watertoets onvoldoende is en dat nader onderzoek had moeten worden uitgevoerd, omdat de voorziene woningen leiden tot een toename van wateroverlast.

4.1. Door het Waterschap is in het advies van 3 oktober 2013 te kennen gegeven dat de ontwikkeling die met het wijzigingsplan wordt mogelijk gemaakt vanwege de relatief kleine omvang en de ligging buiten de invloedsfeer waterbeheer naar verwachting geen of nauwelijks invloed heeft op de waterhuishouding. Op deze ontwikkeling is volgens het Waterschap derhalve de korte watertoetsprocedure van toepassing. Dit houdt in dat het Watertoetsloket Roer en Overmaas niet betrokken hoeft te worden bij de voorbereiding van het plan en dat geen (pre)wateradvies opgesteld zal worden.

4.2. In de plantoelichting staat dat de gronden in het plangebied tot 2012 bebouwd waren. De voormalige woningen waren met zowel hemelwater als afvalwater aangesloten op een gemengd rioolstelsel en er waren geen problemen met betrekking tot wateroverlast. Het college heeft te kennen gegeven dat als gevolg van het wijzigingsplan minder woningen op de riolering zullen worden aangesloten, zodat de capaciteit van de bestaande riolering toereikend blijft. Gelet op het voorgaande en nu niet in geschil is dat het wijzigingsplan tot een afname van verharding leidt, heeft [appellant] naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het wijzigingsplan leidt tot een toename van wateroverlast op zijn perceel Gulikstraat 13.

Voor zover [appellant] erop heeft gewezen dat op gronden rondom zijn perceel plassen water liggen, overweegt de Afdeling dat het college verder te kennen gegeven dat het vanwege de slechte doorlatendheid van de ter plaatse aanwezige leemgrond voor kan komen dat bij regenval plassen in het maaiveld ontstaan welk water langzaam in de bodem zijgt.

Het betoog van [appellant] faalt.

5. Het beroep van [appellant] is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, griffier.

w.g. Helder w.g. Driessen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2015

634.