Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:562

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2015
Datum publicatie
25-02-2015
Zaaknummer
201405778/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij beluit van 4 juni 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Perceel Oude Amersfoortseweg 99" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/820
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405778/1/R1.

Datum uitspraak: 25 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Hilversum,

appellanten,

en

1. de raad van de gemeente Hilversum,

2. het college van burgemeester en wethouders van Hilversum,

verweerders.

Procesverloop

Bij beluit van 4 juni 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Perceel Oude Amersfoortseweg 99" vastgesteld.

Bij besluit van 19 juni 2014 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VSH Fittings B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de productiehal en het plaatsen van een metalen gaashek op het perceel Oude Amersfoortseweg 99.

Tegen deze besluiten hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

VSH Fittings B.V. heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant A] en [appellant B] hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2015, waar [appellant A] en [appellant B], in de persoon van [appellant B], en de raad, vertegenwoordigd door G.G.J. Ruighaver en K. de Reus, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is VSH Fittings B.V., vertegenwoordigd door mr. I.O. den Hollander, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

1. De besluiten van 4 juni 2014 en 19 juni 2014 zijn op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 3.32 van de Wet ruimtelijke ordening gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.

Het plan

2. Het plan voorziet in de uitbreiding van het metaalverwerkingsbedrijf van VSH Fittings B.V. op het perceel Oude Amersfoortseweg 99 met een nieuwe productiehal van ongeveer 1.850 m². Op het omringende terrein naast de nieuw te bouwen productiehal worden parkeer- en groenvoorzieningen gerealiseerd. Het plangebied wordt in het noorden begrensd door de spoorlijn Hilversum-Amersfoort, in het westen door de spoorlijn Hilversum-Utrecht, in het zuiden door de Oude Amersfoortseweg en in het oosten door de Oosterengweg.

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

4. Het beroep van [appellant A] en [appellant B] is allereerst gericht tegen het bestemmingsplan. Zij voeren aan dat de bouw van een nieuwe productieloods een grote verkeersaantrekkende werking heeft van vrachtverkeer waarvoor de smalle Oude Amersfoortseweg niet geschikt is. Zij wijzen er hierbij op dat reeds in de bestaande situatie sprake is van een onveilige verkeerssituatie en dat vrachtwagenchauffeurs zich vaak niet houden aan de verkeersregels.

4.1. In het door het Bureau De Groot Volker opgestelde rapport "Verkeersonderzoek VSH Fittings B.V. Oude Amersfoortseweg Hilversum 2012" van 12 september 2012 (hierna: het verkeersonderzoek) is onderzoek gedaan naar de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe productiehal op het perceel Oude Amersfoortseweg 99. In dit onderzoek staat dat de Oude Amersfoortseweg moet worden getypeerd als een erftoegangsweg met eenrichtingsverkeer waar een maximale snelheid geldt van 30 km/u. In de bestaande situatie bedraagt de intensiteit op de Oude Amersfoortseweg op een gemiddelde werkdag op grond van verkeerstellingen 424 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etmaal). In het verkeersonderzoek is berekend dat als gevolg van de uitbreiding van het bedrijf van VSH Fittings B.V. met de nieuwe productieloods het vrachtverkeer met twee vrachtwagens per gemiddelde werkdag toeneemt tot 15 vrachtwagens en het personenverkeer met negen auto’s toeneemt tot 139 auto’s. In het verkeersonderzoek staat verder dat de toename van 22 verkeersbewegingen nauwelijks waarneembaar is en naar verwachting slechts een gering effect heeft op de verkeersintensiteiten en leefbaarheid op de Oude Amersfoortseweg.

4.2. Door de raad is te kennen gegeven dat de Oude Amersfoortseweg een erftoegangswegweg betreft met een maximale snelheid van 30 km/uur en dat dit type weg volgens de aanbevelingen van het CROW geschikt is voor een intensiteit van maximaal 5.000 mvt/etmaal. Uit het verkeersonderzoek volgt dat als gevolg van het plan de bestaande verkeersintensiteit op de Oude Amersfoortseweg van 424 mvt/etmaal met 22 voertuigen toe zal nemen en derhalve in ruime mate onder de waarde van 5.000 mvt/etmaal zal blijven. Niet is gebleken dat de Oude Amersfoortseweg niet de capaciteit heeft om de geringe toename van verkeersbewegingen als gevolg van het realiseren van de nieuwe productiehal op het perceel Oude Amersfoortseweg 99 te verwerken. Voor zover [appellant A] en [appellant B] ter zitting hebben betoogd dat uitbreiding van het bedrijf van VSH Fittings B.V. een toename van meer dan twee vrachtwagens tot gevolg heeft, overweegt de Afdeling dat VSH Fittings B.V. ter zitting heeft toegelicht dat als gevolg van de uitbreiding van de productie de bestaande, op de productiecyclus afgestemde, aan- en toevoer bewegingen van vrachtwagens efficiënter en daardoor maximaal beladen kunnen worden uitgevoerd waardoor het vrachtverkeer met slechts twee extra vrachtwagens zal toenemen.

De raad heeft ter zitting verder toegelicht dat de Oude Amersfoortseweg een smal profiel heeft maar breed genoeg is om het auto- en vrachtverkeer en fietsverkeer af te wikkelen en dat verdere verbreding van de weg geen optie is, omdat daardoor bestaande parkeerplaatsen en bomen zullen moeten verdwijnen. Voorts heeft de raad toegelicht dat incidenteel opstoppingen kunnen ontstaan op de Oude Amersfoortseweg als gevolg van verkeer van en naar het bedrijf van VSH Fittings B.V., maar dat in een dergelijke woonstraat kortstondige opstoppingen acceptabel zijn als gevolg van vorm, functie en gebruik van deze weg. De raad heeft er verder op gewezen dat vanwege dit wegprofiel de rijsnelheid van het verkeer op de Oude Amersfoortseweg laag is en dat op de Oude Amersfoortseweg in 10 jaar tijd slechts één verkeersongeval is gebeurd met een zwaar voertuig, welk voertuig niet in verband stond met VSH Fittings B.V.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat [appellant A] en [appellant B] niet aannemelijk hebben gemaakt dat de verkeersveiligheid op de Oude Amersfoortseweg ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe productiehal op het perceel Oude Amersfoortseweg 99 niet voldoende zal kunnen worden gewaarborgd bij de uitvoering van het plan. Voor zover [appellant A] en [appellant B] betogen dat vrachtwagenbestuurders zich niet houden aan de verkeersregels, overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving betreft, hetgeen in deze procedure niet aan de orde kan komen.

Het betoog van [appellant A] en [appellant B] faalt.

5. [appellant A] en [appellant B] voeren verder aan dat de toename van het aantal verkeersbewegingen zal leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit vanwege extra hinder door uitlaatgassen.

5.1. In het door Peutz opgestelde rapport van 19 september 2012 "Beschouwing luchtkwaliteitsaspecten VSH te Hilversum" (hierna: het luchtkwaliteitsonderzoek) zijn de gevolgen van de extra verkeersbewegingen voor de luchtkwaliteit onderzocht. In het luchtkwaliteitsonderzoek staat dat met behulp van de zogeheten nibm-tool is bepaald dat een verkeerstoename van 22 mvt/etmaal, bij een verondersteld percentage vrachtverkeer van 18%, niet leidt tot een toename van de concentraties stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) van meer dan 3% van de wettelijke grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties van deze stoffen. [appellant A] en [appellant B] hebben de juistheid hiervan niet bestreden. Gelet op het bepaalde in artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), kon daarom een toetsing aan de wettelijke luchtkwaliteitsgrenswaarden voor deze stoffen achterwege blijven.

Verder volgt uit het luchtkwaliteitsonderzoek dat de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 in 2012 ruimschoots beneden de grenswaarden liggen en dat dit - ondanks de toename van het aantal verkeersbewegingen - ook voor de prognosejaren 2015 en 2020 het geval zal zijn. De juistheid van deze conclusies is door [appellant A] en [appellant B] eveneens niet bestreden.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in verband met de luchtkwaliteit het plan niet had mogen vaststellen.

Het betoog van [appellant A] en Fels faalt.

6. Voorts betogen [appellant A] en [appellant B] dat aan de rand van Hilversum, zoals op het ArenaPark, alternatieve locaties aanwezig zijn. Volgens hen wordt er door de raad ten onrechte vanuit gegaan dat het plan leidt tot toename van de werkgelegenheid in Hilversum, omdat met de toenemende automatisering het personeelsbestand alleen maar zal krimpen.

6.1. De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van een bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

6.2. De raad heeft gesteld dat de locatie op het ArenaPark geen geschikte locatie is, omdat deze locatie overeenkomstig het door de raad vastgestelde beleid "Structuurvisie Hilversum 2030" wordt ontwikkeld tot de kantoorlocatie in Hilversum met grote en kleinere kantoorcomplexen waar een metaalverwerkingsbedrijf als dat van VSH Fittings B.V. niet passend is, en dat verplaatsing van het bedrijf naar een locatie buiten Hilversum niet is gewenst vanwege het behoud van de werkgelegenheid voor Hilversum.

VSH Fittings B.V. heeft er hierbij ter zitting op gewezen dat - anders dan [appellant A] en [appellant B] stellen - geen automatisering zal plaatsvinden die tot vermindering van het aantal arbeidsplaatsen leidt, maar dat door de geplande uitbreiding van VSH Fittings B.V. de werkgelegenheid naar verwachting met 13 arbeidsplaatsen zal toenemen. Voorts heeft VSH Fittings B.V. toegelicht dat verplaatsing van het bedrijf naar een andere locatie niet gewenst is, omdat de bijkomende kosten niet opwegen tegen de baten. Door het type werkproces met specialistische machines en bijbehorende infrastructuur zal het verplaatsen van machines en apparatuur naar een andere locatie extra kostbaar en tijdrovend zijn. De gebruikte machines en productieprocessen zijn fijngevoelig en moeten na een verplaatsing geheel opnieuw ingeregeld worden, aldus VSH Fittings B.V. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid niet voor de door [appellant A] en [appellant B] aangedragen alternatieven hoeven kiezen.

Het betoog van [appellant A] en [appellant B] faalt.

7. Het beroep van [appellant A] en [appellant B], voor zover gericht tegen het plan, is ongegrond.

De omgevingsvergunning

8. [appellant A] en [appellant B] hebben ter onderbouwing van hun beroep tegen de verleende omgevingsvergunning geen andere beroepsgronden aangevoerd dan de beroepsgronden die zijn ingediend tegen het plan. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte de omgevingsvergunning heeft verleend.

Het beroep van [appellant A] en [appellant B], voor zover gericht tegen de omgevingsvergunning, is eveneens ongegrond.

Proceskosten

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, griffier.

w.g. Helder w.g. Driessen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2015

634.