Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:553

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2015
Datum publicatie
25-02-2015
Zaaknummer
201405282/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:6420, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 maart 2013 heeft het college aan Astorium Projecten omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de gevel van het kantoorpand aan de Bezuidenhoutseweg 50 te Den Haag (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2015/35
JOM 2015/282
JOM 2015/295
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405282/1/A4.

Datum uitspraak: 25 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Astorium Projecten B.V., gevestigd te Den Haag,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 mei 2014 in zaak nr. 13/10377 in het geding tussen:

Astorium Projecten

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2013 heeft het college aan Astorium Projecten omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de gevel van het kantoorpand aan de Bezuidenhoutseweg 50 te Den Haag (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 oktober 2013 heeft het college het door M.T. [partij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 20 maart 2013 herroepen en alsnog geweigerd de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

Bij uitspraak van 23 mei 2014 heeft de rechtbank het door Astorium Projecten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Astorium Projecten hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2015, waar Astorium Projecten, vertegenwoordigd door mr. P.M.A. van Trommel-Ober en drs. B.J. van Trommel en bijgestaan door mr. I.M. van der Heijden, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.J. Smittenaar-van der Geer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij] als partij gehoord.

Overwegingen

1. Astorium Projecten heeft voor de activiteit bouwen een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) aangevraagd voor het aanbrengen van een reclame-uiting met daarop de tekst "Astorium detachering recruitment projecten" aan de voorgevel van het kantoorpand op het perceel (hierna: het kantoorpand). De reclame-uiting is 500 cm lang, 80 cm hoog en enkele cm diep en is deels voorzien van verlichting.

De ruimten in het kantoorpand worden afzonderlijk verhuurd aan verschillende gebruikers, waaronder Astorium Projecten en Advocatenkantoor Bezuidenhout.

2. Astorium Projecten betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het bezwaar, dat is gemaakt door [partij] in persoon, ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. De rechtbank is er volgens Astorium Projecten ten onrechte van uitgegaan dat [partij] geacht moet worden het bezwaar niet op persoonlijke titel te hebben ingediend, maar namens Advocatenkantoor Bezuidenhout. Volgens Astorium Projecten kan [partij] in persoon niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) worden aangemerkt. Voorts betwist Astorium Projecten dat het door [partij] gestelde belang bij de herkenbaarheid van het kantoorpand voor bezoekers als gebouw waarin Advocatenkantoor Bezuidenhout is gevestigd, een belang is dat rechtstreeks wordt geraakt door verlening van een omgevingsvergunning.

2.1. Ingevolge artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 7:1, van de Awb kan tegen een besluit bezwaar worden gemaakt door een belanghebbende.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het besluit.

2.2. Het bezwaar is gemaakt door [partij]. Zij heeft te kennen gegeven dat de omgevingsvergunning niet kon worden verleend vanwege de invloed van de reclame-uiting op haar eenmanszaak Advocatenkantoor Bezuidenhout, waarvoor zij ruimte huurt in het kantoorpand. Zij kan - anders dan aan de orde was in de door Astorium Projecten in dit verband aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 september 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AU2448) - in persoon handelen onder de naam Advocatenkantoor Bezuidenhout en in die hoedanigheid opkomen voor de belangen die de exploitatie van dat kantoor raken. Dat, zoals Astorium Projecten heeft gesteld, voor dit kantoor naast [partij] nog een andere persoon werkzaam is, maakt dat niet anders. Gelet hierop heeft de rechtbank de belangen die de exploitatie van het kantoor raken terecht betrokken bij de vraag of het college het bezwaar terecht ontvankelijk heeft geacht. Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat deze belangen rechtstreeks zijn betrokken bij het in bezwaar bestreden besluit, nu dat besluit van invloed was op de uitstraling van het kantoorpand. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college het bezwaar ten onrechte ontvankelijk heeft geacht.

Het betoog faalt.

3. Astorium Projecten betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de gevraagde omgevingsvergunning niet had mogen weigeren op grond van strijd met redelijke eisen van welstand. Daartoe voert zij aan dat het college in bezwaar ten onrechte een nieuw advies aan de welstandscommissie heeft gevraagd, nu niet is gebleken dat aan het reeds afgegeven positieve advies gebreken kleefden. Voorts voert zij aan dat de Reclamenota, voor zover daarin onderscheid wordt gemaakt tussen reclame-uitingen met daarop de naam van het betreffende bedrijfsverzamelgebouw en andere reclame-uitingen, buiten toepassing had moeten worden gelaten wegens strijd met artikel 12a van de Woningwet, aangezien daarmee geen welstandsbelang wordt gediend. Astorium Projecten betoogt verder dat dit onderscheid niet in de weg kan staan aan de plaatsing van een enkele reclame-uiting op het kantoorpand, zoals hier aan de orde, en dat het college in de aard van de reclame-uiting waarvoor Astorium Projecten vergunning heeft gevraagd dan ook ten onrechte aanleiding heeft gevonden om deze in strijd met redelijke eisen van welstand te achten.

3.1. Het aanvankelijke advies van de welstandscommissie is in mandaat genomen door de projectinspecteur. Het college heeft toegelicht dat als in een dergelijk geval het welstandsoordeel in bezwaar wordt bestreden, het college volgens vaste werkwijze een nieuw advies van de voltallige welstandscommissie vraagt.

Het college was op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Awb gehouden om in bezwaar het besluit van 20 maart 2013 te heroverwegen. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat het college de welstandscommissie opnieuw om advies vraagt, gelet op bezwaargronden die zich tegen het welstandsoordeel richtten, ook indien aan het reeds uitgebrachte advies geen gebreken kleefden.

Het betoog faalt.

3.2. Ingevolge artikel 12a, aanhef en onder a, van de Woningwet stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het bevoegd gezag toepast bij de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd, als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.

De Reclamenota maakt onderdeel uit van de krachtens dit artikel vastgestelde Welstandsnota van Den Haag. In hoofdstuk 2 van de Reclamenota staat dat bij de beoordeling of een reclame-uiting aan redelijke eisen van welstand voldoet, deze wordt getoetst aan:

a. de "Algemene richtlijnen voor gevelreclame" of de "Algemene richtlijnen voor reclame op eigen erf en voor reclame in de openbare ruimte";

b. de karakteristiek van de reclamezone waarbinnen de reclame-uiting wordt gerealiseerd, dan wel de in een ontwikkelingskader genoemde criteria;

c. indien van toepassing: de "Specifieke richtlijnen voor gevelreclame" of de "Specifieke richtlijnen voor reclame op eigen erf";

d. indien van toepassing: de criteria die gelden voor "Bijzondere vormen van reclame".

In hoofdstuk 3 (Bijzondere vormen van reclame) staat dat bij bedrijfsverzamelgebouwen de naam van het complex als de belangrijkste reclame-uiting wordt gezien. Daarnaast en daaraan ondergeschikt kunnen de namen van de verschillende ondernemingen op een gemeenschappelijke reclamedrager worden aangebracht.

3.3. Het door het college overgenomen negatieve advies van de welstandscommissie steunt op de overweging uit de Reclamenota dat een reclame-uiting bij een bedrijfsverzamelgebouw de naam van het complex, en niet de naam van één van de bedrijven die in het kantoorpand is gevestigd, kan dragen, en dat de reclame-uiting van Astorium Projecten daarmee niet in overeenstemming is.

3.4. Wat betreft de door Astorium Projecten naar voren gebrachte grond dat de Reclamenota buiten toepassing moet worden gelaten, wordt overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat met de Reclamenota, gelet op het daarin gemaakte onderscheid tussen reclame-uitingen met de naam van een bedrijfsverzamelgebouw en namen van daarin gevestigde bedrijven, de grenzen van de in artikel 12a van de Woningwet gegeven bevoegdheid worden overschreden. Het beperken van het aantal reclame-uitingen dient in het licht van redelijke eisen van welstand een redelijk doel. De gemeenteraad heeft er daarbij voor kunnen kiezen om bij een bedrijfsverzamelgebouw de aanduiding van de naam van het desbetreffende bedrijfsverzamelgebouw, door deze als belangrijkste reclame-uiting aan te merken, toe te staan en reclame-uitingen van de afzonderlijke bedrijven alleen als deze daaraan ondergeschikt zijn en op een gemeenschappelijke reclamedrager worden aangebracht. Uit een oogpunt van welstand heeft de gemeenteraad het ongewenst kunnen achten dat afzonderlijke bedrijven aan de gevel van een bedrijfsverzamelgebouw reclame-uitingen mogen plaatsen. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college de Reclamenota in zoverre buiten toepassing had moeten laten.

3.5. Bij de beoordeling of een bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, is het aan het college om aan de hand van de omstandigheden van het geval te beoordelen of de in de welstandsnota opgenomen criteria leiden tot de conclusie dat een bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Het college heeft ter zitting van de rechtbank toegelicht dat het gebouwen die in constructieve zin weliswaar één gebouw vormen, maar die bestaan uit verschillende winkel- of kantoorunits die zijn aan te merken als verschillende panden, niet aanmerkt als bedrijfsverzamelgebouwen in de zin van de Reclamenota. Evenmin merkt het college gebouwen waarin verschillende aan elkaar gelieerde ondernemingen zijn gevestigd, en gebouwen waarvan één van de gebruikers als klaarblijkelijke hoofdgebruiker kan worden aangemerkt, aan als bedrijfsverzamelgebouw in de zin van de Reclamenota. Voorts heeft het college toegelicht dat het onder de naam van het complex, die in de Reclamenota als belangrijkste reclame-aanduiding wordt beschouwd, in bepaalde gevallen de gezamenlijke naam van de ter plaatse gevestigde bedrijven, dan wel de naam van de hoofdgebruiker van dat complex begrijpt. De naam van één van de gebruikers die niet de hoofdgebruiker is, wordt niet als zodanig aangemerkt en het college acht reclame-uitingen met een dergelijke naam daarom op grond van de Reclamenota in beginsel in strijd met redelijke eisen van welstand. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om deze uitleg van de Reclamenota onredelijk te achten.

Niet in geschil is dat het kantoorpand in afzonderlijke ruimtes wordt verhuurd aan afzonderlijke huurders, zodat het college het kantoorpand mocht aanmerken als bedrijfsverzamelgebouw als bedoeld in de Reclamenota. Verder staat vast dat Astorium Projecten één van de verschillende huurders van kantoorruimte in het kantoorpand is, niet zijnde de hoofdgebruiker, zodat het college de naam "Astorium" op de reclame-uiting waarvoor Astorium Projecten omgevingsvergunning heeft gevraagd, terecht niet heeft aangemerkt als de naam van het complex dan wel daarmee gelijk heeft gesteld. Voorts heeft het college de reclame-uiting terecht niet aangemerkt als deel uitmakend van een gemeenschappelijke reclamedrager. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college het bouwplan niet in redelijkheid op grond van de Reclamenota in strijd met redelijke eisen van welstand heeft kunnen achten.

Het betoog faalt.

4. Astorium Projecten betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren wegens strijd met redelijke eisen van welstand. Daartoe voert zij aan dat het college in negentien nader door haar aangeduide gevallen vergunning heeft verleend voor het aanbrengen van een reclame-uiting op een bedrijfsverzamelgebouw, op welke reclame-uiting de naam of namen van ter plaatse gevestigde bedrijven zijn weergegeven. Astorium Projecten betwist dat daarbij rechtens relevante verschillen met haar bouwplan bestaan. Voor zover het college zich op het standpunt stelt dat er onderscheid kan worden gemaakt dat is terug te voeren op de uitleg van de termen "bedrijfsverzamelgebouw", "naam van het complex" en "gemeenschappelijke reclamedrager" in de Reclamenota, biedt deze nota voor die uitleg geen basis en leidt deze tot willekeur, aldus Astorium Projecten.

4.1. De enkele omstandigheid dat het college vergunningen heeft verleend voor reclame-uitingen op of bij gebouwen waarin verschillende ondernemingen zijn gevestigd, leidt er op zichzelf nog niet toe dat Astorium Projecten een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel toekomt. Ter zitting van de rechtbank heeft het college zich op het standpunt gesteld dat verschillende van de door Astorium Projecten genoemde gevallen zijn gelegen in andere in de Reclamenota aangewezen reclamezones, zodat daarop andere welstandscriteria van toepassing zijn. Verschillende van de door Astorium Projecten genoemde gevallen betreffen voorts, anders dan in haar geval, geen gebouwen die als bedrijfsverzamelgebouw als bedoeld in de Reclamenota dienen te worden aangemerkt, dan wel geen reclame-uitingen met daarop een andere naam dan die van het complex als bedoeld in de Reclamenota. Voorts betreffen enkele van de door Astorium Projecten genoemde gevallen nieuwbouw waarvoor de Reclamenota een afzonderlijk criterium bevat, en waarvoor overeenkomstig dat criterium een bij het gevelontwerp behorend reclameplan is opgesteld. Ook voor het overige heeft Astorium Projecten onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in een of meer van de door haar genoemde gevallen door het college, na inwerkingtreding van de Reclamenota, vergunning is verleend voor het aanbrengen van een reclame-uiting op de gevel van een op dat moment als bedrijfsverzamelgebouw aan te merken gebouw, met op die reclame-uiting de enkele naam van een van de huurders, niet zijnde de hoofdgebruiker.

Gelet op het voorgaande betreffen de door Astorium Projecten genoemde gevallen waarin het college vergunning heeft verleend alle gevallen die in rechtens relevant opzicht verschillen van haar bouwplan. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college, gelet op het gelijkheidsbeginsel, de door Astorium Projecten gevraagde vergunning niet had mogen weigeren.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Van Heusden

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2015

163-727.