Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:552

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2015
Datum publicatie
25-02-2015
Zaaknummer
201405242/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Dronten-Heuvelpark (2015)" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/805
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405242/1/R4.

Datum uitspraak: 25 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Dronten,

en

de raad van de gemeente Dronten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Dronten-Heuvelpark (2015)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2015, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.M. Hegger, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Het plan

2. Het plan voorziet onder meer in het mogelijk maken van drie woongebouwen aan De Helling en een woongebouw aan De Noord ten noorden van het centrum van Dronten.

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Beroepsgronden

4. [appellant] en anderen kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover daarbij een woongebouw aan De Noord ten koste van de zich daar bevindende dierenweide mogelijk wordt gemaakt. Zij betogen dat het welzijn van de dieren in de dierenweide daardoor wordt aangetast. Daartoe voeren zij aan dat zij vrezen dat de dierenweide wordt verkleind, hetgeen geur- en geluidhinder van de dieren ter plaatse van het woongebouw tot gevolg zal hebben, wat het einde van de dierenweide zou kunnen betekenen. Voorts zal de toename van het verkeer en van het aantal parkeerplaatsen ten gevolge van het plan leiden tot een vermindering van de groene aanblik en tot verstoring van de dieren. Zij vrezen voor geluidhinder voor de dieren. Zij brengen naar voren dat de resultaten in het aan het plan ten grondslag gelegde geluidonderzoek "Akoestisch onderzoek De Helling Dronten" van Adviesbureau RBOI van 3 mei 2013 zijn onderschat, omdat daarvoor gedateerde gegevens uit 2007 zijn gebruikt. Het plan leidt volgens [appellant] en anderen verder tot lichthinder voor de dieren. De voor het realiseren van het woongebouw noodzakelijke kap van bomen zal voorts negatieve gevolgen hebben voor de dieren in de weide, vleermuizen en de vogelpopulatie. [appellant] en anderen kunnen zich evenmin verenigen met het plan voor zover het monument De Polderpionier ten behoeve van het realiseren van het woongebouw aan De Noord dient te worden verplaatst. Dit monument behoort volgens hen tezamen met de dierenweide tot het cultureel erfgoed. [appellant] en anderen betogen verder dat de raad ten onrechte de door hen genoemde alternatieven niet in ogenschouw heeft genomen. De gekozen locatie voor het woongebouw maakt volgens hen geen deel uit van de visie die aan de ontwikkeling van het Hanzekwartier, waar de Structuurvisie Hanzekwartier Dronten betrekking op heeft, ten grondslag ligt. Zij wijzen er ten slotte op dat het woongebouw de monumentale status van hun woningen aan De Noord schaadt.

5. [appellant] en anderen wonen op een afstand van ongeveer 40 tot 70 m van het bestemmingsvlak waaraan de bestemming "Wonen-Woongebouw" is toegekend en waar het bestreden woongebouw kan worden gerealiseerd. Hun woningen bevinden zich op ongeveer 40 m van het bestemmingsvlak waaraan de bestemming "Cultuur en ontspanning" is toegekend voor onder meer een kinderboerderij, waartoe de dierenweide behoort.

Alternatief

6. Bij de keuze van een bestemming dient de raad een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

6.1. Het plangebied maakt, anders dan [appellant] en anderen menen, deel uit van het Hanzekwartier, waar de Structuurvisie Hanzekwartier Dronten betrekking op heeft. De ontwikkelingen in het plangebied hangen samen met de ontwikkelingen in andere gebieden die ook in die structuurvisie zijn opgenomen. De raad heeft toegelicht dat de aanleg van een wandel- en fietspromenade, de zogeheten loper, van het stationsplein via het plangebied naar het centrum daarvan deel uitmaakt. De door [appellant] en anderen genoemde alternatieve locatie in de noordwestelijke hoek van het plangebied, aan De Gangboord en De Oeverloper, belemmert volgens de raad de beoogde loper en voldoet voorts niet aan de stedenbouwkundige wensen om de bebouwing aan de oostelijke zijde van het plangebied te concentreren. Daarnaast acht de raad deze door [appellant] en anderen genoemde locatie ongewenst omdat deze zich aan een drukke verkeersweg bevindt.

De Afdeling ziet gelet op het voorgaande in het betoog van [appellant] en anderen geen grond voor het oordeel dat de raad het door hen genoemde alternatief in de noordwestelijke hoek van het plangebied niet in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

6.2. Ook na afloop van de beroepstermijn en indien die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.

Het betoog waarin is gewezen op een alternatieve locatie voor het bestreden woongebouw op braakliggende grond ten noorden van het plangebied, is eerst ter zitting naar voren gebracht. Niet is gebleken dat [appellant] en anderen dit betoog niet eerder naar voren hebben kunnen brengen. De Afdeling ziet daarom aanleiding om dit betoog buiten beschouwing te laten.

Dierenweide

7. De dierenweide zal heringericht moeten worden ten gevolge van het plan. Ter zitting heeft de raad bevestigd dat de oppervlakte van de dierenweide, die bij de in het plan gevestigde kinderboerderij hoort, niet zal worden verkleind ten gevolge van het plan. De raad heeft toegelicht dat het vlak met de bestemming "Cultuur en ontspanning" zo groot is dat naast de overige voorzieningen op de gronden met die bestemming voldoende ruimte resteert voor de dierenweide. Niet is voorts aannemelijk gemaakt dat het plan zodanige gevolgen heeft voor het welzijn van de dieren dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de verkeerstellingen die in het geluidonderzoek zijn gebruikt weliswaar dateren uit 2007, maar volgens het onderzoek zijn geactualiseerd door rekening te houden met een autonome groei van 1% per jaar. Het betoog dat van verouderde gegevens is uitgegaan, mist daarom feitelijke grondslag.

Verder zal de kinderboerderij zich dienen te houden aan de voor geluid- en geurhinder geldende regelgeving. Het betoog van [appellant] en anderen geeft geen aanleiding voor het oordeel dat desondanks zodanige geur- en geluidhinder van de bij de kinderboerderij behorende dierenweide is te verwachten dat de raad het plan daarom niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Er bestaat in zoverre geen grond voor de vrees van [appellant] en anderen dat het plan zal leiden tot de beƫindiging van het gebruik voor de dierenweide.

Het betoog geeft geen aanleiding voor de conclusie dat de raad het plan in zoverre niet heeft mogen vaststellen.

Flora en fauna

8. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had mogen vaststellen, indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

8.1. De raad heeft onderzoek laten verrichten naar de mogelijke effecten van het plan op de flora en fauna. De resultaten van dat onderzoek zijn vastgelegd in het rapport "Natuurwaarden De Noord Dronten" van Landschapsbeheer Flevoland van maart 2013. Daarin staat dat het plan mogelijk effecten heeft op de watervleermuis, de meervleermuis en broedende vogels, hoewel er geen betrouwbare recente gegevens zijn dat deze soorten in het gebied voorkomen. Om mogelijke effecten te voorkomen wordt in het rapport aanbevolen om een aantal maatregelen te treffen omtrent de werkwijze en de inrichting van het woongebouw.

Niet is gebleken dat het rapport in zoverre dusdanige gebreken dan wel leemten in kennis vertoont dat de raad zich daarop niet heeft mogen baseren. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant] en anderen niet hebben bestreden dat de maatregelen die in het rapport worden aanbevolen afdoende zijn om effecten te voorkomen.

De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Monument

9. Het monument De Polderpionier zal ten behoeve van het realiseren van het bestreden woongebouw worden verplaatst naar een andere locatie in het plangebied. Het monument blijft derhalve behouden. Het betoog van [appellant] en anderen geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de verplaatsing van het monument zodanige gevolgen heeft voor de cultuurhistorische betekenis ervan, dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

Monumenten aan De Noord

10. De raad heeft toegelicht dat de monumentale status van de woningen aan De Noord van [appellant] en anderen ziet op het gevelbeeld van die woningen. Die woningen zijn niet in het plan opgenomen. Het plan heeft reeds daarom geen gevolgen voor de monumentale status van de woningen. Het betoog van [appellant] en anderen biedt in zoverre geen grond voor het oordeel dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

Groen

11. Volgens de raad zal het groene en parkachtige karakter van het plangebied bewaard blijven.

Aan het betrokken gedeelte van het plangebied zijn de bestemmingen "Cultuur en ontspanning", "Groen" en "Verkeer-Verblijf 1" toegekend. Ingevolge onderscheidenlijk artikel 3, lid 3.1, artikel 6, lid 6.1, en artikel 9, lid 9.1, van de planregels zijn de als zodanig aangewezen gronden onder meer bestemd voor wegen, paden en parkeervoorzieningen.

In het verweerschrift staat en ter zitting heeft de raad bevestigd dat in het betrokken gedeelte van het plangebied zal moeten worden voorzien in 70 parkeerplaatsen in verband met het verdwijnen van een aantal parkeerplaatsen in het zuiden van het plangebied. Voorts zal een aantal parkeerplaatsen ten behoeve van het bestreden woongebouw dienen te worden gerealiseerd, hetgeen volgens de raad ertoe leidt dat in totaal minimaal 90 parkeerplaatsen in het plangebied zullen moeten worden aangelegd. Hoewel ingevolge artikel 11, lid 11.1, van de planregels de als "Wonen-Woongebouw" aangewezen gronden mede zijn bestemd voor ondergronds parkeren, is het realiseren van een dergelijke ondergrondse parkeervoorziening, naar ter zitting is gebleken, onzeker. In dat geval zullen de parkeerplaatsen ten behoeve van het bestreden woongebouw bovengronds worden aangelegd. Het plan voorziet verder niet in een maximum voor het aantal in het plangebied te realiseren parkeerplaatsen. Bovendien kunnen op de betrokken gronden ook wegen en paden worden aangelegd.

Onder deze omstandigheden heeft de raad zich niet op het standpunt mogen stellen dat het plan verzekert dat het groene en parkachtige karakter van het gebied behouden blijft.

Gelet op het voorgaande is het besluit tot vaststelling van het plan genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en berust dit in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het besluit is in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

Het betoog van [appellant] en anderen slaagt in zoverre.

Relativiteit

12. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt en niet uitdrukkelijk op de toepasselijkheid van artikel 8:69a van de Awb is ingegaan, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of dat artikel van toepassing is.

Bestuurlijke lus

13. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beƫindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

14. De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 11 is overwogen alsnog te voorzien in een deugdelijke motivering dan wel in een deugdelijke planregeling.

Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd besluit niet opnieuw te worden toegepast. Bij wijziging van het besluit dient de raad het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Proceskosten

15. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Dronten op om binnen 20 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen:

- het besluit van 24 april 2014 van de raad van de gemeente Dronten te herstellen op een wijze als bedoeld in rechtsoverweging 14;

- de Afdeling en [appellant] en anderen de uitkomst mede te delen;

- bij wijziging van het besluit de wijziging op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, griffier.

w.g. Koeman w.g. Duursma

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2015

378.