Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:538

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2015
Datum publicatie
25-02-2015
Zaaknummer
201404185/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2014 heeft de deelraad (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Rhijnspoorgebouw" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/287
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404185/1/R3.

Datum uitspraak: 25 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Amsterdam,

2. de vereniging Vereniging Buurtbehoud Weesperzijdestrook, gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

en

de deelraad van het stadsdeel Oost, thans de raad van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2014 heeft de deelraad (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Rhijnspoorgebouw" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en de vereniging beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Hogeschool van Amsterdam heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2015, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. B.J. Meruma, advocaat te Amsterdam, de vereniging, vertegenwoordigd door A.J.M. van Stiphout, en de raad, vertegenwoordigd door mr. W. Sietinga, werkzaam bij de gemeente, en bijgestaan door drs. M. Haak en I.S.M. Roovers, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de Stichting Hogeschool van Amsterdam, vertegenwoordigd door ir. K. Lammers en ir. E. Frehe, en bijgestaan door mr. J.R. van Angeren, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in het zogenoemde Rhijnspoorgebouw met maximale bouwhoogtes van 33 m en deels van 55 m. Het gebouw is bedoeld voor de vestiging van een onderdeel van de Hogeschool van Amsterdam (hierna: HvA). Het plangebied wordt begrensd door de Swammerdamstraat, aan de noordzijde door de Mauritskade, aan de oostzijde door de Wibautstraat en aan de zuidzijde door het Amstelcampusgebouw, het Theo Thijssenhuis en het Kohnstammhuis.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van de vereniging

3. De vereniging betoogt dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld. Zij voert aan dat in strijd met een goede ruimtelijke ordening een zogenoemd postzegelplan is vastgesteld, waardoor deze ontwikkeling niet tezamen met de overige ontwikkelingen op de Amstelcampus zijn bezien en in één bestemmingsplan zijn vervat. Hierdoor is de stedenbouwkundige samenhang uit het oog verloren. Het gebouw past niet in de stedenbouwkundige opzet en niet op deze locatie aan de rand van de Singelgracht, die de afsluiting vormt van het binnenstadgebied dat door de UNESCO is aangewezen als werelderfgoed. Voorts betoogt de vereniging dat het plan wat betreft de maximale bouwhoogtes en het bouwvolume in strijd is met de nota van uitgangspunten van het Stedenbouwkundig Programma van Eisen (hierna: SPvE). In dit programma was op de plaats van het plangebied een gebouw gepland met een maximale hoogte van 33 m.

Het woon- en leefklimaat van de omwonenden van het voorziene Rhijnspoorgebouw, waaronder de bewoners aan de Weesperzijdestrook, wordt door de overschrijding van deze bouwhoogte volgens haar aangetast.

3.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het Rhijnspoorgebouw onderdeel is van de Amstelcampus en dit een project is waarvan de ontwikkeling meer dan tien jaar in beslag zal nemen. Bij dergelijke projecten ligt het in de rede dat deze niet in één keer volledig worden bestemd in één plan, omdat een nadere uitwerking van bepaalde onderdelen afhankelijk kan zijn van de omstandigheden van een bepaald moment. Het is binnen de grenzen van een goede ruimtelijke ordening ook toegestaan om de besluitvorming in meerdere fasen en diverse plannen te laten plaatsvinden. De raad merkt daarbij op dat het faseren van de besluitvorming niet betekent dat er per deelproject geen integrale afweging meer plaatsvindt en dat de samenhang tussen de ontwikkelingen en de verhouding tot de omgeving niet wordt bezien. Voorts stelt de raad dat het woon- en leefklimaat van de omwonenden van het Rhijnspoorgebouw niet zodanig wordt aangetast dat het plan niet had mogen worden vastgesteld.

3.2. Over het betoog dat ten onrechte een zogenoemd postzegelplan is vastgesteld en deze ontwikkeling niet tezamen met de overige ontwikkelingen op de Amstelcampus in één plan is vervat, overweegt de Afdeling dat de raad beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzing van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen de vereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

De raad heeft in redelijkheid de besluitvorming over de Amstelcampus in meerdere fasen laten plaatsvinden en behoefde de diverse ontwikkelingen op de campus niet op te nemen in één allesomvattend bestemmingsplan. Daarbij is van belang dat de raad ook bij de vaststelling van dit postzegelplan een ruimtelijke afweging heeft gemaakt waarbij de omgeving en de gevolgen voor de bewoners van de Weesperzijdestrook eveneens zijn betrokken en zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat ter plaatse niet ernstig zal worden aangetast. Het betoog faalt.

3.3. Op 8 november 2003 is de Nota van Uitgangspunten (hierna: NvU) vastgesteld. Met deze NvU is ingezet op de ontwikkeling van een zogenoemde stadscampus aan de kop van de Wibautstraat. Vervolgens is op 26 september 2005 het SPvE vastgesteld. De maximale bouwhoogte van het gebouw in dit SPvE was aan de Mauritskade op 30 m bepaald en aan de Wibautstraatzijde op 44 m. Op 19 oktober 2010 heeft de raad besloten tot wijziging van het SPvE, inhoudende een verplaatsing van de geplande hoogbouw aan de Eerste Boerhaavestraat naar de locatie van het Rhijnspoorgebouw. Hierbij is voorgesteld om een verhoging van het hoogteaccent te onderzoeken om te voorkomen dat ter plaatse een te massief gebouw zou ontstaan. Volgens het onderzoek bleek dat een maximale hoogte van 55 m aan de Wibautstraatzijde architectonisch en stedenbouwkundig mogelijk en wenselijk was. Na de wijziging van het SPvE is op 15 februari 2011 een vergunning verleend voor de bouw van het Wibauthuis met een maximale hoogte van 55 m als onderdeel van de Amstelcampus. Met de bouw van het Rhijnspoorgebouw met een maximale bouwhoogte van 55 m is de raad aangesloten bij de bestaande maximale hoogte van het Wibauthuis. Het Rhijnspoorgebouw is voorzien op de locatie schuin tegenover het Wibauthuis gelegen waardoor één lijn ontstaat van gebouwen met een gedeeltelijke maximale hoogte van 55 m. Het betoog van de vereniging dat het plan wat betreft de maximale bouwhoogten en het bouwvolume in strijd is met de NvU en het SPvE, kan de Afdeling, gelet op het voorgaande, niet volgen. Het SPvE is aangepast naar aanleiding van het onderzoek en is in die zin gewijzigd dat een hogere maximale bouwhoogte is opgenomen. Het betoog faalt.

4. Gelet op het voorgaande is het beroep van de vereniging ongegrond.

4.1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 1]

5. De raad stelt zich op het standpunt dat de door [appellant sub 1] aangevoerde beroepsgronden over de Hoogbouweffectrapportage (hierna: HER) en de parkeerbehoefte, gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, nu de relativiteit hieraan in de weg staat. Volgens de raad richt de verplichting tot het opstellen van een HER zich tot het bestuursorgaan en strekt deze regel niet tot de bescherming van individuele belangen, zoals die van [appellant sub 1]. Voorts stelt de raad dat de Spinozastraat, waar [appellant sub 1] woont, niet behoort tot de directe omgeving van het plangebied en dat mogelijke parkeeroverlast als gevolg van het plan zich daar niet zal voordoen. Zij kan zich dan ook niet beroepen op normen met betrekking tot parkeren, zoals artikel 2.5.30 van de Bouwverordening.

5.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

5.2. De Afdeling is van oordeel dat de beroepsgronden over de HER en de parkeerbehoefte verband houden met de belangen van [appellant sub 1], nu beiden aspecten betrekking kunnen hebben op haar woon- en leefklimaat en zij zich kan beroepen op de ingeroepen normen. In de HER is bezien wat de bouw van het Rhijnspoorgebouw met een maximale hoogte van 55m voor effecten kan hebben op de nabije omgeving, waar de Spinozastraat ook onder valt. Over de parkeerbehoefte overweegt de Afdeling dat de Spinozastraat weliswaar een straat is waar slechts eenrichtingsverkeer is toegestaan en aan de andere zijde van de gracht ligt, maar niet op voorhand is uit te sluiten dat zich ter plaatse effecten kunnen voordoen in verband met parkeren. De Afdeling zal deze beroepsgronden inhoudelijk beoordelen.

6. [appellant sub 1] betoogt dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld. Zij vreest dat zal worden gebouwd in strijd met de maximale bouwhoogtes, nu in het verleden bij de bouw van een ander gebouw in de omgeving ook is afgeweken van de maximale bouwhoogte. Verder vreest zij voor overlast door de bouw. Zij betoogt voorts dat de HER ondeugdelijk is, omdat ter plaatse van de Spinozastraat geen meetpunt is opgenomen, terwijl dit in verband met de zichtlijn vanuit het gebied dat als werelderfgoed is aangemerkt van belang is. Voorts betoogt zij dat de exacte vormgeving en de uitvoering van het gebouw niet zijn betrokken bij het plan. Zij betoogt voorts dat bij de in het kader van de HER onderzochte windhinder en bezonning ten onrechte uit is gegaan van een maximale bouwhoogte van 54 m. Verder wordt het windklimaat ter hoogte van de Mauritskade als matig beoordeeld. Voorts heeft de raad niet gemotiveerd waarom in het bezonningsonderzoek is uitgegaan van de zogenoemde lichte TNO-norm.

Zij betoogt tot slot dat de parkeerbehoefte te laag is ingeschat en dat ten onrechte niet is voorzien in nieuwe extra fietsenstallingen.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er in het HER geen meetpunt in de Spinozastraat is opgenomen omdat deze locatie in hoge mate vergelijkbaar is met de Mauritskade, waar wel een meetpunt was. Verder stelt de raad dat in een plan geen welstandsaspecten kunnen worden geregeld. Voorts stelt de raad over de windhinder dat bij bestaande woningen in de omgeving geen ernstige windhinder te verwachten is en dat bij het bezonningsonderzoek is uitgegaan van de lichte TNO-norm, nu dat de meest gangbare en meest gehanteerde norm is bij bezonningsonderzoeken. De resultaten laten zien dat bij geen van de omliggende woningen sprake is van een dusdanige teruggang van de bezonning dat er geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn. Verder stelt de raad over de parkeerbehoefte dat er zoveel mogelijk op eigen terrein geparkeerd moet worden. Over het aantal studenten waarvan is uitgegaan voor de parkeerbehoefte stelt de raad dat er opleidingen zijn die in meerdere gebouwen worden gegeven waardoor er dubbeltellingen zijn opgetreden. Tot slot wordt de aanwezigheid van voldoende fietsparkeerplaatsen niet per afzonderlijke locatie geregeld, maar voor de Amstelcampus als geheel.

6.2. Aan de gronden zijn de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Verkeer" toegekend. Een gedeelte van het plan met de bestemming "Maatschappelijk" heeft een aanduiding met een maximale bouwhoogte van 33 m en een kleiner gedeelte heeft een aanduiding met een maximale bouwhoogte van 55 m.

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor onderwijsvoorzieningen.

Ingevolge artikel 3.2, lid 3.2.1, dienen gebouwen te voldoen aan de volgende kenmerken:

a. gebouwd binnen het bouwvlak, met dien verstande dat bestaande ondergrondse gebouwen voor nutsvoorzieningen ook buiten het bouwvlak zijn toegestaan;

b. ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)" is ten hoogste de aangegeven maximale bouwhoogte toegestaan;

c. de gevel ter plaatse van of evenwijdig aan de aanduiding "gevellijn", dient te worden uitgevoerd als dove gevel;

d. het gebouw moet zodanig worden uitgevoerd dat het windklimaat goed of matig is op de meetpunten beoordeeld als categorie I (loopgebied) en categorie II (slentergebied).

6.3. Over het betoog dat zal worden gebouwd in strijd met de maximale toegestane bouwhoogtes, overweegt de Afdeling dat, indien dit zich zal voordoen, dit een handhavingskwestie is. Dit kan in het kader van de beoordeling van een bestemmingsplan niet aan de orde kan komen. Dat in het verleden bij andere gebouwen op de Amstelcampus zou zijn afgeweken van de toegestane bouwhoogtes door middel van afwijkingsprocedures, kan bij de beoordeling van dit plan evenmin aan de orde komen.

Wat betreft de vrees voor overlast door de bouwwerkzaamheden overweegt de Afdeling, nog daargelaten of deze overlast zich zal voordoen in of bij de Spinozastraat, dat dit een uitvoeringsaspect betreft dat in deze procedure niet aan de orde is. De betogen falen.

6.4. Over het betoog dat de uitvoering van het gebouw niet is betrokken bij het plan, overweegt de Afdeling dat een bestemmingsplan niet is bedoeld om de exacte uitvoering van het gebouw te regelen. Bij de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen zullen de aspecten als het uiterlijk en het materiaalgebruik van het gebouw in het kader van welstand worden betrokken. Het betoog faalt.

6.5. Het betoog dat de HER onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat ter plaatse van de Spinozastraat geen meetpunt is opgenomen faalt eveneens. Het hoogbouwbeleid van de gemeente Amsterdam is vastgelegd in de Structuurvisie Amsterdam 2040: Economisch sterk en duurzaam. Op grond van dit beleid is het verplicht om een HER op te stellen als wordt voorzien in hoogbouw van 30 m of hoger in de zone van 2 km rondom het zogenoemde UNESCO-gebied. Een verdere uitwerking van dit beleid is opgenomen in de Nota hoogbouw van de gemeente Amsterdam. In deze nota is het toetsingskader uit de structuurvisie voor hoogbouw opgenomen. Door de Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam (hierna: DRO) is in augustus 2013 de "Hoogbouweffectrapportage, Het nieuwe Rhijnspoorgebouw" opgesteld. Door de DRO is onderzocht wat de effecten zijn van de voorziene hoogbouw op het zicht vanuit de binnenstad, het werelderfgoedgebied. Hiervoor is vanuit verschillende punten bezien of het gebouw zichtbaar zal zijn. Conclusie van dit rapport is dat vanuit het werelderfgoedgebied het gebouw niet of nauwelijks waarneembaar zal zijn. De raad heeft er naar het oordeel van de Afdeling vanuit kunnen gaan dat de in het HER gekozen meetpunten overeenkomen met de relevante zichtlijnen in de openbare ruimte en dat het onderzoek voldoende representatief is.

6.6. Om te bepalen wat de mogelijke invloed van het gebouw is op het windklimaat en op de bezonning van de omliggende bestaande woonbebouwing, waaronder de Spinozastraat, zijn door het onderzoeksbureau Peutz een windklimaatonderzoek en een bezonningsonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn neergelegd in de rapporten "Windklimaatonderzoek Rhijnspoorgebouw Amsterdam" van 4 september 2013 en "Bezonningsonderzoek Rhijnspoorgebouw te Amsterdam" van 16 augustus 2013. Uit het windklimaatonderzoek blijkt dat rondom het Rhijnspoorgebouw een overwegend als goed te beoordelen windklimaat te verwachten is. In het bezonningsonderzoek is de potentiële bezonningsduur, de afname van de bezonning alsmede de schaduwwerking op de data 19 februari, 21 april en 21 juni, overeenkomend met de periode volgens de lichte TNO-norm, onderzocht. In beide onderzoeken is uitgegaan van een maximale bouwhoogte van 54 m. In artikel 3.2, lid 3.2.1, onder b, van de planregels geldt voor een gedeelte van het gebouw echter een maximale bouwhoogte van 55 m.

De raad verklaart het verschil van 1 m door erop te wijzen dat de hoogte van 54 m de verwachte hoogte is van het daadwerkelijke ontwerp van de nieuwbouw. Om speling te geven bij het uitwerken van het ontwerp naar een aanvraag voor een omgevingsvergunning is in het plan echter een gedeeltelijke maximale bouwhoogte van 55 m opgenomen.

6.7. De raad heeft erkend dat in deze beide rapporten niet is uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plan door niet van een bouwhoogte van 55 m uit te gaan, maar van een hoogte van 54 m. De Afdeling ziet echter aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb te passeren, nu de raad ter nadere onderbouwing van zijn standpunt dat het plan geen onevenredige gevolgen heeft voor de te verwachten windhinder en schaduwhinder nieuwe rapporten heeft laten opstellen.

6.8. In het aanvullende rapport "Bestemmingsplan Rhijnspoorgebouw Amsterdam, Actualisatie windklimaatonderzoek" van het onderzoeksbureau Peutz van 26 september 2014 is geconcludeerd dat bij een maximale invulling van het plan rondom het Rhijnspoorgebouw een overwegend als goed te beoordelen windklimaat te verwachten is. Het gaat dan met name om de Mauritskade en de Wibautstraat. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid ervan uit heeft kunnen gaan dat ook ter hoogte van de verder gelegen Spinozastraat geen ernstige windhinder te verwachten valt. Het betoog faalt.

6.9. In het aanvullend rapport "Bestemmingsplan Rhijnspoorgebouw Amsterdam, Actualisatie Bezonningsonderzoek" van het onderzoeksbureau Peutz van 19 september 2014 is met betrekking tot de woning van [appellant sub 1] geconcludeerd dat voldaan wordt aan de lichte bezonningsnorm van TNO, die gebruikelijk is voor een stedelijke omgeving. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid ervan uit heeft kunnen gaan dat ter hoogte van de Spinozastraat geen dusdanige teruggang van bezonning plaatsvindt dat er geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn. Dat [appellant sub 1] ter zitting heeft verwezen naar een uitgevoerd bezonningsonderzoek van een paar jaar geleden en hieruit zou volgen dat bij een verdere teruggang van bezonning geen goed woon- en leefklimaat meer kan worden gewaarborgd, maakt het voorgaande niet anders, nu [appellant sub 1] dat onderzoek niet heeft overgelegd en ook anderszins niet aannemelijk heeft gemaakt dat van een onaanvaardbare teruggang in bezonning sprake is.

Het betoog faalt.

6.10. Over de volgens [appellant sub 1] te laag ingeschatte parkeerbehoefte, overweegt de Afdeling als volgt.

Door het onderzoeksbureau Goudappel Coffeng is voor het bepalen van de parkeerbehoefte het rapport "Bepaling parkeerbehoefte Rhijnspoorlocatie" op 21 juni 2013 opgesteld. Conclusie van dit rapport is dat de parkeerbehoefte voor het Rhijnspoorgebouw is bepaald op 65 parkeerplaatsen. Op basis van de berekening van de parkeerbehoefte voor de gehele Amstelcampus blijkt dat voor de onderwijsfuncties 300 parkeerplaatsen nodig zijn. In de Kohnstammhofgarage en Wibautgarage zijn reeds 393 parkeerplaatsen beschikbaar. Volgens het rapport zijn er gelet hierop voldoende parkeerplaatsen beschikbaar om de parkeerbehoefte van de gehele Amstelcampus op te vangen, inclusief de extra behoefte door het Rhijnspoorgebouw. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan het onderzoek. Dat in het onderzoek is uitgegaan van 28.000 studenten, terwijl er volgens de ramingen 28.800 studenten zullen zijn, maakt het voorgaande niet anders, nu de raad er op heeft gewezen dat bij deze ramingen sprake was van dubbeltellingen in het aantal studenten, zodat het onderzoek als representatief kan worden beschouwd. Dat de parkeergarage onder het Wibauthuis openbaar is en deze volgens [appellant sub 1] niet kan worden meegenomen bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen, maakt het voorgaande niet anders, nu dit slechts inhoudt dat ook derden gebruik mogen maken van de parkeergarage, maar niet betekent dat de garage niet tevens kan worden gebruikt door bezoekers en medewerkers van de HvA. Het betoog faalt.

6.11. Over het betoog dat ten onrechte niet is voorzien in nieuwe extra fietsenstallingen, overweegt de Afdeling dat in de plantoelichting staat dat voor de stalling van fietsen van gebruikers van het Rhijnspoorgebouw gebruik kan worden gemaakt van de bestaande voorzieningen op de Amstelcampus. In het naastgelegen Kohnstammhuis is een fietsenstalling aanwezig met ongeveer 700 plaatsen en er zijn aan de Wibautstraat 200 zogenoemde "fietsnietjes" aanwezig. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat de raad in redelijkheid de aanwezige fietsparkeerplaatsen op de Amstelcampus heeft kunnen betrekken in de afweging voor het aantal fietsparkeerplaatsen voor het Rhijnspoorgebouw, en zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen onaanvaardbare fietsparkeeroverlast in de omgeving tot gevolg zal hebben. Het betoog faalt.

7. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, griffier.

w.g. Kramer w.g. Kegge

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2015

459-774.