Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:524

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2015
Datum publicatie
25-02-2015
Zaaknummer
201311441/3/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 oktober 2013, kenmerk BW13.01201, heeft de raad het bestemmingsplan "Kloosterhof Weurt" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Besluit omgevingsrecht
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/801
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201311441/3/R2.

Datum uitspraak: 25 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Weurt, gemeente Beuningen,

en

de raad van de gemeente Beuningen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2013, kenmerk BW13.01201, heeft de raad het bestemmingsplan "Kloosterhof Weurt" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2014, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.M. Hendriksen, P.H.J. van Uden en mr. A.J.M. Elschot, beide laatsten werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 9 juli 2014 in zaak nr. 201311441/1/R2 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen een termijn van twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van 22 oktober 2013 te herstellen. De tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 23 september 2014, kenmerk BW14.00615, heeft de raad het gewijzigde bestemmingsplan "Koosterhof Weurt" (hierna: het herstelplan) vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [appellant] een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld.

De Afdeling heeft de zaak wederom ter zitting behandeld op 27 januari 2015, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door drs. C.A. Crooijmans, werkzaam bij de gemeente, mr. E.M. Hendriksen en ir. J.R. Brouwer, zijn verschenen.

Daarop heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het besluit van 22 oktober 2013

1. Gelet op rechtsoverwegingen 10.2, 10.3 en 11.4 van de tussenuitspraak is het beroep tegen het besluit van 22 oktober 2013 gegrond. Dit besluit komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor vernietiging in aanmerking.

Het besluit van 23 september 2014

2. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op het besluit van 23 september 2014.

3. In rechtsoverweging 13 van de tussenuitspraak is overwogen dat de raad met in achtneming van hetgeen in rechtsoverwegingen 10.2, 10.3 en 11.4 is overwogen het plan dient te wijzigen door de meest gunstige inrichting van het plangebied zoals omschreven in het akoestisch onderzoek in het plan op te nemen en te motiveren waarom de geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant] aanvaardbaar is. Voorts dient de raad op grond van de uitkomsten van het onderzoek naar de aanwezige flora en fauna nader te motiveren waarom de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

4. In rechtsoverweging 10.2 van de tussenuitspraak is overwogen dat de raad ter zitting heeft verzocht om toepassing van de bestuurlijke lus om de meest gunstige inrichting van het plangebied zoals omschreven in het akoestisch onderzoek in het plan te kunnen vastleggen.

4.1. In de verbeelding bij het herstelplan zijn aanduidingen voor het centrale schoolplein, het peuterplein en de laad- en losplaats opgenomen.

4.2. In zijn zienswijze gaat [appellant] hierop niet in. De Afdeling leidt hieruit af dat [appellant] daartegen geen bezwaren heeft.

5. In rechtsoverweging 10.3 van de tussenuitspraak is overwogen dat de raad niet heeft gemotiveerd waarom hij de ter plaatse van maatgevende woningen optredende overschrijdingen van het door hem aanvaardbaar geachte maximale geluidniveau aanvaardbaar acht. Evenmin heeft de raad inzichtelijk gemaakt waarom geluidwerende maatregelen stedenbouwkundig niet inpasbaar zijn. Aldus heeft de raad de afwijking van de in de VNG-brochure met het oog op het aspect geluid opgenomen richtafstand niet deugdelijk gemotiveerd.

5.1. In de verbeelding bij het herstelplan is een aanduiding voor een geluidwerende afscheiding opgenomen.

Ingevolge artikel 3.2.3 van de planregels gelden voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende regels:

a. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1 m bedragen en achter (het verlengde van) de voorgevel maximaal 2 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van de erfafscheiding ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - geluidwerende erfafscheiding’ minimaal 2 m dient te bedragen.

Ingevolge artikel 3.4.2 geldt ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk - peuterplein’ dat het gebruik van deze gronden als peuterplein uitsluitend is toegestaan indien en voor zover ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke aanduiding - geluidwerende erfafscheiding’ een geluidwerende erfafscheiding aanwezig is.

5.2. Aan het herstelplan is het rapport "Akoestische onderbouwing van bestemmingsplan Kloosterhof ten aanzien van de woning [locatie] te Weurt" van 18 augustus 2014 van De Roever omgevingsadvies ten grondslag gelegd (hierna: het akoestisch rapport).

Onder verwijzing naar het akoestisch rapport en de in artikel 3.4.2 van de planregels aan het in gebruik nemen van het zogenoemde peuterplein opgenomen voorwaardelijke verplichting een geluidwerende afscheiding op te richten, stelt de raad zich op het standpunt dat als gevolg van het plan ter plaatse van de woning aan de [locatie] geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat optreedt.

5.3. [appellant] bestrijdt het akoestisch rapport. Hij betoogt dat in paragraaf 3.3 ten onrechte wordt uitgegaan van 120 personenwagens, terwijl in het eveneens aan het plan ten grondslag liggende verkeersonderzoek wordt uitgegaan van 160 extra verkeersbewegingen.

Voorts wijst hij erop dat het plan niet waarborgt dat de geluidwerende voorzieningen waarvan in het akoestisch onderzoek is uitgegaan ook daadwerkelijk zullen worden getroffen.

Verder betoogt [appellant] dat in het akoestisch onderzoek de gevolgen van de sport voor de geluidbelasting van zijn woning ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten. Hij wijst daarbij op de festiviteiten die plaatsvinden in de sporthal en de reflecterende werking van de metalen gevel van de sporthal.

Ten slotte betoogt hij dat de plaatsing van een geluidscherm een schijnoplossing is die bovendien met zich brengt dat zijn woning nog meer opgesloten raakt.

5.4. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat in het akoestisch rapport is gerekend met een worst case scenario van 120 extra personenwagens ofwel 240 extra verkeersbewegingen per dag dat zich kan voordoen op regenachtige dagen. In het verkeersonderzoek daarentegen is uitgegaan van een jaargemiddelde toename van het aantal verkeersbewegingen van 160 per dag.

Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat het plan de geluidwerende voorzieningen waarvan in het akoestisch onderzoek wordt uitgegaan niet waarborgt, wijst de raad erop dat is uitgegaan van de voor de inrichting van toepassing zijnde geluidnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer en dat met de toepassing van reguliere bouwmaterialen de daartoe vereiste geluidwerendheid kan worden gerealiseerd.

Ten aanzien van de gevolgen van de sporthal voor de geluidbelasting van de woning van [appellant] brengt de raad naar voren dat de geluidemissie vanwege sportactiviteiten dusdanig gering is dat deze niet bijdraagt aan de geluidbelasting op de gevel van de woning van [appellant] en deze derhalve buiten beschouwing kon worden gelaten. Met betrekking tot de geluidbelasting bij festiviteiten in de sporthal heeft de raad ter zitting toegelicht dat de sporthal slechts incidenteel kan worden gebruikt voor festiviteiten, nu in artikel 2.21, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelezen in verbinding met de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Beuningen (hierna: APV) is bepaald dat voor zeven dagen van collectieve festiviteiten en voor maximaal vijf aan de inrichting gebonden festiviteiten in plaats van de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen uit de APV gelden.

De raad wijst ten slotte erop dat de geluidreflectie van de plaatstalen gevel van de sporthal wordt afgeschermd door het gebouw dat ervoor staat en dat deze effecten in het akoestisch onderzoek zijn betrokken.

Met betrekking tot de gevolgen van het voorwaardelijk verplicht gestelde geluidscherm van 2 meter hoogte voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant], wijst de raad erop dat een erfafscheiding van 2 meter hoogte zonder meer kan worden opgericht, nu ingevolge artikel 2, aanhef en onder 12 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht daarvoor geen omgevingsvergunning is vereist.

Gelet op hetgeen de raad in reactie op de zienswijze ter zitting naar voren heeft gebracht, geeft hetgeen van [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het herstelplan niet op het akoestisch onderzoek heeft mogen baseren. Evenmin is aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ten gevolge van het herstelplan ter plaatse van de woning van [appellant] aan de [locatie] geen onaanvaardbare geluidhinder optreedt. Het betoog faalt.

6. In rechtsoverweging 11.4 van de tussenuitspraak is overwogen dat ten tijde van de vaststelling van het plan onvoldoende inzichtelijk was of in het te slopen dorpshuis vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, en zo ja of een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) benodigd is en of deze kan worden verleend.

6.1. Aan het herstelplan is het rapport "Flora- en faunaonderzoek De Kloosterhof, Weurt" van Bureau Bleijerveld van 18 augustus 2014 ten grondslag gelegd. Daarin is geconcludeerd dat uit het vleermuizenonderzoek blijkt dat zich in de bomen en gebouwen geen verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden. De waarde van het terrein als foerageergebied is zeer beperkt en de functie wordt niet aangetast door de ontwikkeling. Volgens de raad blijkt uit dit onderzoek dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

6.2. De tegen dit onderzoek ingebrachte stelling van [appellant] dat hij ter plaatse van zijn woning geregeld vleermuizen waarneemt, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit onderzoek niet aan het herstelplan ten grondslag heeft mogen leggen, reeds omdat [appellant] zijn stelling niet met gegevens heeft onderbouwd. Het betoog faalt.

7. Voor zover [appellant] zich keert tegen overwegingen van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

8. Het beroep tegen het besluit van 23 september 2014 is ongegrond.

9. De raad van de gemeente Beuningen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Beuningen van 22 oktober 2013 gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Beuningen van 22 oktober 2013, kenmerk BW13.01201;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Beuningen van 23 september 2014 ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Beuningen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 90,78 (zegge: negentig euro en achtenzeventig cent);

V. gelast dat de raad van de gemeente Beuningen aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, griffier.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Van Baaren

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2015

579.