Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:522

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2015
Datum publicatie
25-02-2015
Zaaknummer
201400541/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 november 2013 heeft het college het wijzigingsplan "[locatie 1] en Haagdoornweg ong. te Merkelbeek" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/806
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400541/1/R1.

Datum uitspraak: 25 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Merkelbeek, gemeente Onderbanken,

en

het college van burgemeester en wethouders van Onderbanken,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2013 heeft het college het wijzigingsplan "[locatie 1] en Haagdoornweg ong. te Merkelbeek" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2014, waar [appellanten] en het college, vertegenwoordigd door drs. W.H.J.M. Smeets en mr. I. Vromen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het wijzigingsplan is gebaseerd op de wijzigingsbevoegdheid van artikel 37, lid B, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied", vastgesteld door de raad van de gemeente Onderbanken op 13 juli 2006 en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Limburg bij besluit van 13 maart 2007 (hierna: het bestemmingsplan). Met het wijzigingsplan wordt voorzien in de sloop van agrarische bedrijfsbebouwing op de locatie aan de [locatie 1] en in de bouw van een compensatiewoning op de locatie aan de Haagdoornweg.

Ontvankelijkheid

2. Het college stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellanten] niet-ontvankelijk is voor zover hun beroep zich richt tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch bouwblok Ab" aan de [locatie 1]. Hiertoe voert het college aan dat [appellanten] in hun zienswijze slechts gronden hebben aangevoerd tegen het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden W - Ruimte voor Ruimte".

2.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

2.2. [appellanten] hebben zich in hun zienswijze gericht tegen het plan voor zover wordt voorzien in een woning op het perceel aan de Haagdoornweg. Het college heeft beoogd de woning met toepassing van de provinciale ruimte-voor-ruimteregeling "POL-aanvulling Ruimte voor Ruimte Zuid-Limburg" (hierna: de ruimte-voor-ruimteregeling) te realiseren. Voor zover [appellanten] in beroep nieuwe gronden hebben aangevoerd met betrekking tot het perceel aan de [locatie 1], overweegt de Afdeling dat deze gronden geen betrekking hebben op de bestemmingsregeling op dat perceel, maar zien op de voorwaarden voor toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling. Anders dan het college betoogt, richt het beroep van [appellanten] zich derhalve niet tegen een ander planonderdeel dan waartegen zij in hun zienswijze zijn opgekomen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep van [appellanten] in zoverre niet-ontvankelijk is.

Formeel

3. [appellanten] betogen dat de begrenzing van het plangebied voor zover betrekking hebbend op de compensatielocatie aan de Haagdoornweg ten onrechte is vastgesteld. Hiertoe voeren zij aan dat een gedeelte van de locatie aan de Haagdoornweg niet is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan "Buitengebied" zodat te dien aanzien ten onrechte gebruik is gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid uit dat plan.

3.1. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

3.2. Ingevolge artikel 37, lid B, van de regels van het bestemmingsplan kan het college, toepassing gevende aan de "POL-aanvulling Ruimte voor Ruimte Zuid-Limburg", het realiseren van één of meerdere burgerwoningen op passende locaties, in ruil voor het duurzaam en substantieel slopen van (overtollige) bedrijfsgebouwen, mogelijk maken, mits voldaan wordt aan de algemene randvoorwaarden en de specifieke voorwaarden voor Zuid-Limburg, zoals deze zijn vermeld in de "POL-aanvulling Ruimte voor Ruimte Zuid-Limburg", (…).

3.3. Blijkens de verbeelding bij het bestemmingsplan, is het onderhavige plangebied gelegen binnen de grenzen van dat plan. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college de in dat plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor deze locatie niet heeft mogen aanwenden. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

Inhoudelijk

4. [appellanten] betogen dat het plan in strijd is met het provinciale beleid zoals neergelegd in het Limburgs Kwaliteitsmenu (hierna: het LKM), omdat op grond daarvan tegenover sloop van bebouwing niet het recht om te bouwen staat maar een financiële vergoeding. Volgens [appellanten] valt de voorziene woningbouw niet onder de overgangsregeling van het LKM, omdat ten tijde van de invoering van het LKM in januari 2010 voor de voorziene woning geen bouwplannen waren ingediend of vergunningen waren afgegeven.

4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de ruimte-voor-ruimteregeling op grond van de overgangsregeling van het LKM kan worden toegepast, omdat ten tijde van de invoering van het LKM reeds afspraken waren gemaakt met de initiatiefnemer over toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling.

4.2. Het LKM bevat beleidsregels voor het bouwen in het buitengebied in Limburg. Het LKM voorziet in de vervanging van de provinciale regelingen onder meer met betrekking tot ruimte-voor-ruimte. In het LKM is een overgangsregeling genomen voor ruimte-voor-ruimteplannen die een lange voorgeschiedenis kennen alvorens de formele ruimtelijke ordeningsprocedure is opgestart. In de overgangsregeling staat dat indien in het kader van deze plannen voorafgaande aan de formele procedure afspraken zijn gemaakt die redelijkerwijze niet meer zijn aan te passen aan het LKM, de ruimte-voor-ruimte-regeling kan worden toegepast.

4.3. De Afdeling overweegt dat het college bij de vaststelling van een wijzigingsplan niet gebonden is aan het LKM, maar dat met dit beleid slechts rekening dient te worden gehouden, hetgeen betekent dat het college het LKM in de belangenafweging dient te betrekken. In dit geval heeft het college evenwel ter zitting toegelicht dat hij het LKM voor zover betrekking hebbend op bouwen in het buitengebied tot het eigen beleid heeft gemaakt en aan dit beleid heeft getoetst.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het LKM in dit geval niet in de weg staat aan toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het college ter zitting heeft gesteld dat voorafgaand aan de invoering van het LKM door de initiatiefnemer reeds een principeverzoek was ingediend, alternatievenonderzoek was verricht en bouwplannen waren uitgewerkt en dat het college reeds een concrete toezegging tot medewerking had gedaan. Dit is door [appellanten] niet bestreden. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ten tijde van de invoering van het LKM reeds afspraken waren gemaakt met de initiatiefnemer over toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling die redelijkerwijs niet meer konden worden aangepast aan het LKM. Er bestaat in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid toepassing heeft kunnen geven aan de ruimte-voor-ruimteregeling. Het betoog faalt.

5. [appellanten] betogen dat niet is voldaan aan de voorwaarden in de ruimte-voor-ruimteregeling. Hiertoe voeren zij onder meer aan dat niet alle bedrijfsbebouwing op het perceel aan de [locatie 1] wordt gesloopt. Volgens [appellanten] kan geen beroep worden gedaan op de aanvullende regeling voor gemengde agrarische bedrijven met een intensieve veehouderijtak (hierna: de aanvullende regeling), omdat de paardenhouderij die op het perceel zal overblijven geen grondgebonden bedrijf in de zin van de ruimte-voor-ruimteregeling is.

5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de aanvullende regeling van toepassing is zodat een deel van de bedrijfsbebouwing op het perceel mag blijven staan. Hiertoe voert het college aan dat een paardenhouderij weliswaar niet expliciet wordt genoemd in de ruimte-voor-ruimteregeling, maar dat wordt voldaan aan het vereiste van grondgebondenheid van het overgebleven bedrijf. Bovendien bestaat het overgebleven agrarische bedrijf gedeeltelijk uit akkerbouw.

5.2. In de ruimte-voor-ruimteregeling staat dat het recht op het bouwen van een compensatiewoning kan ontstaan indien sprake is van de sloop van minimaal 750 m² aan agrarische bedrijfsgebouwen. Er dient sprake te zijn van een duurzame en substantiële sloop, zodat geen risico bestaat dat er in een later stadium nieuwe bedrijfsgebouwen worden opgericht. In dat verband dient ook te worden voorzien in het intrekken van de milieuvergunningen.

Voorts staat in de ruimte-voor-ruimteregeling dat voor gemengde bedrijven met een intensieve veehouderijtak een uitzondering wordt gemaakt op de verplichting tot beëindiging van het gehele bedrijf. Voor deze bedrijven wordt het toegestaan om alleen de bedrijfsgebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderijtak te laten slopen, en als grondgebonden bedrijf door te gaan. Ontwikkeling in een later stadium van het overgebleven grondgebonden deel van het bedrijf mag er niet toe leiden dat de ontstening van minimaal 750 m² (deels) teniet wordt gedaan. Om dit te bereiken dient de initiatiefnemer een ondernemersplan op te stellen, waarin zowel het afstoten van de intensieve veehouderijtak als de gewenste ontwikkeling van de grondgebonden tak wordt vastgelegd voor de komende tien jaar.

In de begripsbepaling bij de ruimte-voor-ruimteregeling wordt onder grondgebonden bedrijf een agrarisch bedrijf verstaan dat zijn hoofdinkomen haalt uit het houden van melk- of zoogkoeien, en/of het telen in de open grond van akkerbouwgewassen, tuinbouwgewassen of fruit.

5.3. In de plantoelichting staat dat de initiatiefnemer op het perceel aan de [locatie 1] een intensieve veehouderij met daarbij een paardenhouderij en akkerbouwtak exploiteert. De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het beëindigen van de intensieve veehouderijtak. Het bedrijf wordt voortgezet als akkerbouwbedrijf met een productiegerichte paardenhouderij.

5.4. In het ondernemersplan van 19 januari 2010, dat als bijlage bij de aanvraag voor toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling is opgenomen, is de toekomstige economische omvang van het overgebleven agrarische bedrijf na sanering van de veehouderijtak berekend en uitgedrukt in Nederlandse grootte-eenheden (hierna: nge’s). In het ondernemersplan staat dat de toekomstige bedrijfsomvang 76,59 nge’s zal bedragen, waarvan 59,51 nge’s zijn toe te rekenen aan de paardenhouderijtak en 17,08 nge’s aan de akkerbouwtak.

5.5. Het college heeft beoogd realisering van de compensatiewoning mogelijk te maken door toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling. Deze regeling betreft provinciaal beleid waar het college in beginsel slechts rekening mee dient te houden. Nu echter ingevolge de wijzigingsbevoegdheid in artikel 37, lid B, van de regels van het bestemmingsplan dient te worden voldaan aan de algemene randvoorwaarden en specifieke voorwaarden van de ruimte-voor-ruimteregeling, is het college in dit geval gebonden aan de ruimte-voor-ruimteregeling.

Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte op het standpunt gesteld dat het overgebleven agrarische bedrijf als grondgebonden bedrijf in de zin van de ruimte-voor-ruimteregeling kan worden aangemerkt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals [appellanten] terecht betogen, een paardenhouderij in de begripsbepaling van de ruimte-voor-ruimteregeling niet als grondgebonden bedrijf wordt aangemerkt. Het college stelt terecht dat het overgebleven bedrijf moet worden aangemerkt als een gemengd bedrijf dat gedeeltelijk bestaat uit akkerbouw en dat akkerbouw in de begripsbepaling als grondgebonden wordt aangemerkt. Ingevolge de begripsbepaling wordt een gemengd bedrijf echter pas als grondgebonden aangemerkt als het hoofdinkomen uit de grondgebonden tak wordt gehaald. Deze situatie doet zich niet voor, nu uit het ondernemersplan blijkt dat de toekomstige economische omvang van het bedrijf voor het grootste deel wordt bepaald door de paardenhouderijtak.

Voorts heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de begripsbepaling aldus dient te worden opgevat dat het grondgebonden karakter van het overgebleven bedrijf doorslaggevend is en dat hiervan bij een paardenhouderij sprake is. Naar het oordeel van de Afdeling komt het college bij de vraag of sprake is van een grondgebonden bedrijf in de zin van de ruimte-voor-ruimteregeling geen beoordelingsruimte toe, omdat in de ruimte-voor-ruimteregeling een duidelijke definitie van het begrip grondgebonden bedrijf is opgenomen met daarin een limitatieve opsomming van duidelijk omschreven grondgebonden agrarische activiteiten. Een paardenhouderij behoort niet tot die activiteiten.

Verder bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen afwijken van de voorwaarde dat het overgebleven agrarisch bedrijf grondgebonden is. Hiertoe wordt overwogen dat slechts van de ruimte-voor-ruimteregeling kan worden afgeweken in bijzondere gevallen die niet in de regeling zijn verdisconteerd. Niet valt in te zien dat bij het opstellen van de ruimte-voor-ruimteregeling geen rekening is gehouden met de aanwezigheid van paardenhouderijen in het buitengebied.

Nu in zoverre niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling, heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan de voorwaarden voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan wordt voldaan. Gelet hierop behoeven de beroepsgronden van [appellanten] die zien op de andere voorwaarden van de ruimte-voor-ruimteregeling geen bespreking meer.

Het betoog slaagt.

5.6. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. In het geval dat de raad alsnog planologische medewerking wenst te verlenen aan realisering van de woning op het perceel aan de Haagdoornweg, komt betekenis toe aan het oordeel van de Afdeling over de overige beroepsgronden. De Afdeling ziet daarom aanleiding die beroepsgronden uit het oogpunt van finale geschilbeslechting inhoudelijk beoordelen.

6. [appellanten] betogen dat de voorziene woning aan de Haagdoornweg niet passend is in de omgeving en niet aansluit bij de bestaande bebouwing aan het lint. Zij vrezen dat de woning zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het dorpsgezicht en het natuurlandschap. Hiertoe voeren zij aan dat in het plan niets is opgenomen over de maat, schaal en situering van de woning. Uit het schetsontwerp blijkt bovendien dat de woning veel groter is dan de woningen in de directe en naburige omgeving, waaronder hun eigen woning en de woningen op nummers 1, 3, 5, 7, en 11. Voorts omvat het ontwerp verkapt twee woningen. Verder maakt het plan bijgebouwen mogelijk, terwijl deze voor de bestaande woningen aan het lint niet zijn toegestaan. [appellanten] vrezen voorts dat de woning niet zal worden gebouwd volgens redelijke eisen van welstand, omdat de objectiviteit van de welstandscommissie, die uit één persoon bestaat, onvoldoende is gewaarborgd.

6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de voorziene woning passend is in de omgeving en dat in de planregels bebouwingsvoorschriften zijn opgenomen ten aanzien van de maat, schaal en situering van de woning. Voorts is in de planregels niet toegestaan dat binnen het bouwvlak twee woningen worden gebouwd. Het college stelt zich verder op het standpunt dat de woning landschappelijk zal worden ingepast en dat op het perceel 0,5 ha bos zal worden aangelegd als tegenprestatie voor de bouw van de woning in het natuurlandschap.

6.2. Aan een gedeelte van het perceel aan de Haagdoornweg is ten behoeve van de voorziene woning de bestemming "Woondoeleinden: W - Ruimte voor Ruimte" met daarbinnen een bouwvlak toegekend. Het overige deel van het perceel heeft deels de bestemming "Agrarisch gebied A" en deels de bestemming "Natuurgebied".

Ingevolge artikel 9, lid A, van de planregels zijn de voor "Agrarisch gebied A" aangewezen gronden bestemd voor:

a. dynamisch agrarisch gebruik;

b. bestrijding en voorkoming van bodemerosie en wateroverlast;

met daaraan ondergeschikt:

c. instandhouding en herontwikkeling van de oorspronkelijke landschapsstructuur;

d. instandhouding en ontwikkeling van de landschappelijke openheid, onverminderd het bepaalde onder c. en e.;

e. realisering van laanbeplanting langs verbindingswegen;

f. ontsluiting van de afzonderlijke percelen;

g. recreatief medegebruik.

Ingevolge artikel 12, lid A, onder a, zijn de voor "Natuurgebied" aangewezen gronden bestemd voor instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden.

Ingevolge artikel 18, lid A, aanhef en onder a, zijn de voor "Woondoeleinden: W - Ruimte voor Ruimte" aangewezen gronden bestemd voor ruimte-voor-ruimtewoningen, (…).

Ingevolge lid B, onder f, mag per bouwvlak maximaal 1 nieuwe woning worden gebouwd.

Ingevolge lid B, onder g, is het splitsen van woningen niet toegestaan.

Ingevolge lid C, onder a, mogen op de tot "Woondoeleinden: W - Ruimte voor Ruimte" aangewezen gronden met daarop woningen uitsluitend worden gebouwd:

1. één woning per bouwperceel, (…);

2. bijgebouwen, en de daarbij behorende andere bouwwerken, welke qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen;

met dien verstande, dat:

1. woningen uitsluitend in het op betreffende kaartuitsnede aangeduide bouwvlak mogen worden gebouwd;

2. de nokhoogte van woningen ten hoogste 10 m mag bedragen;

(…)

6.3. Het perceel aan de Haagdoornweg is gelegen aan het einde van het lint. De andere woningen aan het lint, waaronder de woning van [appellanten], zijn gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan "Woonkernen 2013", vastgesteld door de raad op 20 juni 2013. Aan deze woningen zijn de bestemming "Wonen" en de aanduiding "bijgebouwen" toegekend. Ten behoeve van de woningen zijn bouwvlakken opgenomen.

Ingevolge artikel 19, lid 19.2.1, van de planregels van dat plan mogen op de voor "Wonen" aangewezen gronden worden gebouwd:

a. woningen, (…);

c. de daarbij behorende bijgebouwen.

Ingevolge artikel 19, lid 19.2.2, onder k, van de planregels bedraagt de bouwhoogte van hoofdgebouwen maximaal 12 m, (…).

6.4. In opdracht van de initiatiefnemer is het landschapsplan "Landschappelijke inpassing terugbouwlocatie Haagdoornweg, ongen. Merkelbeek" opgesteld. In het landschapsplan, dat als bijlage is opgenomen bij het wijzigingsplan, staat dat het perceel gedeeltelijk zal worden ontwikkeld tot natuurlijk bos en gedeeltelijk tot extensief te beheren grasland en dat rondom het erf van de woning een aantal hagen en enkele bomen zullen worden geplant.

6.5. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene woning niet leidt tot een aantasting van het dorpsgezicht en het natuurlandschap. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat is voorzien in een landschappelijke inpassing van de woning en dat ter compensatie van de bouw van de woning is voorzien in de aanleg van 0,5 ha bos.

Het college heeft zich verder in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene woning aansluit bij de bestaande bebouwing aan het lint. Hierbij heeft het college in aanmerking mogen nemen dat elders aan het lint woningen voorkomen met een vergelijkbaar bouwoppervlak. Voorts is de in het plan voorziene maximale nokhoogte niet hoger dan de maximaal toegestane bouwhoogte voor de bestaande woningen. [appellanten] betogen verder ten onrechte dat het bestemmingsplan "Woonkernen 2013" ter plaatse van de bestaande woningen geen bijgebouwen mogelijk maakt. Het college heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat niet is toegestaan dat binnen het bouwvlak twee woningen worden gerealiseerd. Evenmin is splitsing van de woning toegestaan.

Voor zover [appellanten] betogen dat niet op objectieve wijze aan redelijke eisen van welstand zal worden getoetst, overweegt de Afdeling dat dit een aspect betreft, dat aan de orde komt in het kader van een eventuele procedure over een omgevingsvergunning voor bouwen. Deze beroepsgrond moet derhalve thans buiten beschouwing blijven.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene woning passend is in de omgeving. Het betoog faalt.

7. [appellanten] betogen dat het plan leidt tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat door een toename van schaduw in hun tuin. Hiertoe voeren zij aan dat ten onrechte geen bezonningsstudie heeft plaatsgevonden. Voorts leidt het plan tot een vermindering van hun uitzicht.

7.1. Naar aanleiding van het beroep van [appellanten] heeft het college onderzoek laten doen naar de schaduwwerking van de voorziene woning. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Bezonning [locatie 2] te Merkelbeek". In het rapport staat dat op 21 juni bij de hoogste zonnestand en op 21 december bij de laagste zonnestand nagenoeg geen schaduwwerking is op het naastgelegen perceel. Op 21 maart en 21 oktober is na 17.00 uur schaduw op het perceel, waarbij de schaduw vanwege de afstand tussen de voorziene woning en het perceel van [appellanten] minimaal is. Tevens zullen de begroeiingen en bomen op dit perceel meer invloed hebben op de schaduwbeleving dan de voorziene woning.

7.2. De afstand tussen de woning van [appellanten] en de voorziene woning bedraagt ongeveer 25 m.

7.3. Ten aanzien van het betoog dat het plan leidt tot extra schaduwhinder in de tuin van [appellanten], overweegt de Afdeling dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat de voorziene woning niet zal leiden tot onaanvaardbare schaduwhinder. Dit standpunt wordt ondersteund door de resultaten in de bezonningsstudie. [appellanten] hebben deze resultaten niet gemotiveerd bestreden, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare schaduwhinder. [appellanten] betogen voorts weliswaar terecht dat de voorziene woning zal leiden tot een vermindering van hun uitzicht, maar het college heeft aan deze omstandigheid in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen. Hierbij heeft het college in aanmerking mogen nemen dat geen blijvend recht op vrij uitzicht bestaat.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan leidt tot een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat. Het betoog faalt.

8. [appellanten] betogen dat de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Hiertoe voeren zij aan dat ten onrechte geen deugdelijk onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van beschermde diersoorten in en rondom het perceel aan de Haagdoornweg. [appellanten] wijzen op de aanwezigheid van de vos, de das, de ree, de koningspage, het vliegend hert, de korenwolf en verschillende vogelsoorten.

8.1. Het college stelt dat een verkennend natuurwaardenonderzoek heeft plaatsgevonden waaruit volgt dat de voorziene woning geen aantoonbare negatieve effecten heeft op beschermde flora en fauna. Gelet hierop heeft het college geen noodzaak gezien tot nader flora- en faunaonderzoek.

8.2. De vragen of voor de uitvoering van het wijzigingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat het college het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

8.3. Naar aanleiding van de zienswijze van [appellanten] is in opdracht van de initiatiefnemer een verkennend natuurwaardenonderzoek in de vorm van een quickscan verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Verkennend natuurwaardenonderzoek locatie Haagdoornweg ong. te Merkelbeek", van 4 november 2013, opgesteld door Peeters Econsult.

In het rapport staat dat in het onderzoeksgebied tijdens het veldbezoek geen bijzondere natuurwaarden zijn aangetroffen. Deze zijn hier gezien de inrichting en het gebruik van het onderzoeksgebied als akkerbouwperceel ook niet te verwachten. Verder staat er dat door de aanwezigheid van opgaande beplanting langs de noord- en oostgrens van het plangebied moet worden gerekend met de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen en met een mogelijk beperkte functie als foerageergebied voor één of enkele algemene vleermuissoorten. Door het ontbreken van gebouwen of holle bomen is de aanwezigheid van zomer- of winterverblijfplaatsen in het plangebied zelf uitgesloten. In het rapport staat voorts dat het plangebied mogelijk deel uitmaakt van het leefgebied van de das. Er valt echter hoogstens met een beperkte functie als voedselgebied te rekenen. Burchten of andere schuilplaatsen zijn in het plangebied zeker niet aanwezig. De aanwezigheid van vogelnesten in het plangebied is voorts uiterst onwaarschijnlijk en de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is uitgesloten. Wel zou het gebied soms als voedselgebied voor in de omgeving broedende vogels kunnen fungeren. Wettelijk strenger beschermde soorten planten, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en overige ongewervelde dieren komen in het onderzoeksgebied niet voor. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen bouw van een woning geen nadelige effecten heeft voor strenger beschermde flora en fauna. Van het planvoornemen, dat samengaat met een herinrichting van het aangrenzend akkerland tot extensief grasland en bos, mag eerder een positief effect voor flora en fauna worden verwacht.

8.4. De Afdeling overweegt dat op grond van het verkennend natuurwaardenonderzoek niet kan worden uitgesloten dat in het plangebied beschermde diersoorten zoals vleermuis, das en vogelsoorten voorkomen. Het college heeft evenwel in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien tot nader flora- en faunaonderzoek. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan binnen de planperiode in de weg staat. Hierbij heeft het college in aanmerking mogen nemen dat in het natuurwaardenonderzoek staat dat is uitgesloten dat deze soorten een vaste verblijfplaats in het plangebied hebben. Voorts heeft het college in aanmerking mogen nemen dat in het onderzoek wordt geconcludeerd dat het plan naar verwachting een positief effect op de flora en fauna zal hebben. [appellanten] hebben de resultaten van het verkennend natuurwaardenonderzoek niet gemotiveerd bestreden. Voor zover [appellanten] nog op andere beschermde diersoorten hebben gewezen, overweegt de Afdeling dat zij geen gegevens hebben overgelegd die een begin van bewijs leveren dat zich ter plaatse deze soorten bevinden. Het betoog faalt.

9. Voor zover [appellanten] tot slot hebben betoogd dat niet kan worden voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor geluid, overweegt de Afdeling dat het college op 19 november 2013 een besluit hogere waarden op grond van de Wet geluidhinder heeft genomen. Gelet hierop kan hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. [appellanten] hebben voorts niet beargumenteerd waarom het besluit hogere waarden, waarmee zij zich niet kunnen verenigen, ten onrechte is vastgesteld. Het betoog faalt.

10. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 37, lid B, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

11. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Onderbanken van 19 november 2013 tot vaststelling van het wijzigingsplan "[locatie 1] en Haagdoornweg ong. te Merkelbeek";

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Onderbanken op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Onderbanken tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Onderbanken aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Bošnjaković

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2015

410-821.