Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:517

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2015
Datum publicatie
25-02-2015
Zaaknummer
201306220/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij op 9 mei 2012 verzonden besluit heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/510
JV 2015/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306220/1/V2.

Datum uitspraak: 19 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 19 juni 2013 in zaak nr. 12/34537 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij op 9 mei 2012 verzonden besluit heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij op 11 oktober 2012 verzonden besluit heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 juni 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens heeft de Afdeling partijen medegedeeld dat zij de behandeling van de zaak aanhoudt in afwachting van de beantwoording van aan het Hof van Justitie gestelde prejudiciële vragen.

Bij arrest van 12 maart 2014, C-456/12, O. en B., ECLI:EU:C:2014:135, (hierna: het arrest) heeft het Hof deze vragen beantwoord.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2014, waar de vreemdeling, bijgestaan door mr. A. Duisterwinkel, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. C. Prins, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen. De zaak is ter zitting tegelijkertijd behandeld met zaak nr. 201209532/1/V2.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. De staatssecretaris heeft ter zitting de eerste grief niet gehandhaafd.

3. In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de rechtsgevolgen van het besluit van 11 oktober 2012 in stand te laten. Volgens de staatssecretaris heeft de vreemdeling met de overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat referent ten minste drie maanden aaneengesloten in Spanje heeft verbleven.

3.1. Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris toegelicht dat een vreemdeling aannemelijk dient te maken dat referent zijn hoofdverblijf heeft verplaatst naar een gastlidstaat. Voorts verwacht de staatssecretaris dat een vreemdeling aannemelijk maakt dat referent en de vreemdeling daar reëel en daadwerkelijk hebben verbleven op grond van artikel 7 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004 L 158) door een verplaatsing van het centrum van de belangen. Het enkele wonen in een gastlidstaat betekent niet zonder meer dat dit centrum van belangen is verplaatst. Die verplaatsing dient aannemelijk te worden gemaakt naast het gestelde verblijf, anders zou dit afbreuk doen aan de overwegingen in het arrest, aldus de staatssecretaris.

3.2. In de uitspraken van 20 augustus 2014 in zaken nrs. 201011889/1/V2 en 201108529/1/V2, heeft de Afdeling overwogen dat uit het arrest kan worden afgeleid dat een verblijf van een burger van de Unie en zijn derdelands familielid van minder dan drie maanden in een gastlidstaat in geen geval voldoende is voor dit familielid om bij terugkeer naar de lidstaat waarvan deze burger van de Unie de nationaliteit bezit, aanspraak te kunnen maken op een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 21, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. Indien het familielid van de burger van de Unie aannemelijk heeft gemaakt dat hij in die hoedanigheid samen met de burger van de Unie langer dan drie maanden in een gastlidstaat heeft verbleven en daar een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd, heeft hij in beginsel bij terugkeer naar de lidstaat waarvan de burger van de Unie de nationaliteit bezit, een afgeleid verblijfsrecht (zie punt 53). Uit punt 59 van het arrest heeft de Afdeling voorts afgeleid dat is vereist dat de burger van de Unie en het desbetreffende familielid een aaneengesloten periode in een gastlidstaat hebben verbleven, nu het Hof heeft overwogen dat bij verschillende verblijven van korte duur, zelfs samengenomen, niet is voldaan aan de vereisten voor een afgeleid verblijfsrecht in vorenbedoelde zin.

3.3. Niet in geschil is dat referent de Nederlandse nationaliteit bezit en dat hij is getrouwd met de vreemdeling, die in het bezit is van de Ghanese nationaliteit. De vreemdeling is derhalve een derdelands familielid van een burger van de Unie. De vreemdeling stelt dat zij vanaf mei 2010 met referent heeft samengewoond in Spanje en dat zij in juni 2011 plotseling zijn teruggekeerd naar Nederland, omdat referent in Nederland werk kon krijgen.

3.4. Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij en referent voor een periode van meer dan drie maanden in Spanje hebben verbleven. Daartoe heeft de staatssecretaris van belang geacht dat de vreemdeling weliswaar een bewijs van inschrijving van de vreemdeling en referent in een Spaanse gemeente, een Spaans EU-verblijfsdocument van de vreemdeling en een document waaruit blijkt dat referent zich in Spanje heeft ingeschreven als een daar verblijvende burger van de Unie heeft overgelegd, maar dat referent gedurende hun gestelde verblijf in Spanje ingeschreven is gebleven in de Nederlandse Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (thans: de Basisregistratie personen) en niet in Spanje heeft gewerkt. Volgens de staatssecretaris zijn veel stukken ingebracht die zien op momentopnamen, zoals documenten uit het ziekenhuis van Almeria, facturen en bonnen van verschillende aankopen en buskaartjes, en kan daaruit niet worden afgeleid welke periode de vreemdeling en referent daadwerkelijk in Spanje hebben verbleven. De overgelegde getuigenverklaringen van onder meer priesters van de vreemdeling, de huisarts van referent in Nederland en de huisbaas van de vreemdeling en referent in Spanje, kunnen niet worden aangemerkt als objectief en verifieerbaar en kunnen derhalve alleen als ondersteunend bewijs worden beschouwd. De staatssecretaris mist van belang zijnde stukken, zoals een huurovereenkomst die ziet op de periode waarin de vreemdeling en referent naar eigen zeggen hebben verbleven in Spanje of huurbetalingen over die periode, dan wel een inschrijving van de kinderen op een school in Spanje.

3.5. De staatssecretaris heeft terecht noodzakelijk geacht dat de vreemdeling naast bewijs van administratieve aard, zoals een inschrijving en een EU-verblijfsdocument, bewijs van feitelijk verblijf overlegt (zie het arrest, punten 57-60). De Afdeling kan de staatssecretaris echter niet volgen in zijn standpunt dat uit de door de vreemdeling overgelegde bewijsstukken, in onderlinge samenhang bezien, niet kan worden afgeleid welke periode referent en zij in Spanje hebben verbleven. Dat de vreemdeling bepaalde door de staatssecretaris genoemde bewijsstukken niet heeft overgelegd, maakt dit niet anders, nu de staatssecretaris omtrent het aannemelijk maken van een verblijf in een gastlidstaat geen beleidsregels heeft opgesteld, anderszins niet kenbaar heeft gemaakt met welke documenten hij het verblijf aannemelijk gemaakt acht en de vreemdeling conform de door de staatssecretaris ter zitting benadrukte vrije bewijsleer wel diverse andere bewijsstukken heeft overgelegd. Hoewel de bewijskracht van getuigenverklaringen in veel gevallen beperkt is, kan voorts aan dergelijke verklaringen tezamen genomen en omdat zij stroken met bewijsstukken met grotere bewijskracht, tegen de achtergrond van hetgeen de vreemdeling in dit geval aannemelijk moet maken, niet iedere betekenis worden ontzegd. Gelet op al hetgeen de vreemdeling heeft overgelegd, heeft de staatssecretaris met zijn onder 3.4. weergegeven standpunt, niet deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat referent en zij langer dan drie maanden in Spanje hebben verbleven en daar gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd. De rechtbank heeft derhalve terecht geen aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 11 oktober 2012 in stand te laten. De grief faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1005,74 (zegge: duizendvijf euro en vierenzeventig cent), waarvan € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een griffierecht van € 478,00 (zegge: vierhonderdachtenzeventig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Ahmady-Pikart

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2015

638.