Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:479

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2015
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
201404702/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:4557, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/68
JV 2015/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404702/1/V1.

Datum uitspraak: 2 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 20 mei 2014 in zaak nr. 12/35106 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 6 november 2012 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 mei 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2014, waar de vreemdeling, bijgestaan door mr. M.J.C. van den Hoff, advocaat te Veldhoven, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.E.J. ten Berg, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: zijn rechtsvoorganger.

2. Volgens paragraaf B8/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals ten tijde van belang luidend, verstaat de staatssecretaris onder medische noodsituatie: die situatie waarbij een vreemdeling lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een termijn van drie maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.

3. In het besluit heeft de staatssecretaris zich, onder verwijzing naar het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 27 september 2012, op het standpunt gesteld dat de vreemdeling medisch in staat is om te reizen en geen medische noodsituatie zal ontstaan. Daarbij heeft de staatssecretaris in aanmerking genomen dat het BMA uit de informatie van de behandelend psychiater van de vreemdeling (hierna: de behandelaar) alleen de feitelijke informatie over klachten, diagnostiek en behandeling destilleert en geneeskundige verklaringen van de behandelaar die prognoses of andere niet-objectieve uitspraken bevatten over gevolgen van terugkeer naar het land van herkomst niet overneemt. Verder heeft de staatssecretaris er in het kader van het gestelde reisvereiste van begeleiding door een psychiatrisch geschoold verpleegkundige op gewezen dat de reisvereisten zien op maatregelen die direct verband houden met de reis.

4. Het BMA-advies van 27 september 2012 vermeldt dat de vreemdeling een posttraumatische stressstoornis (hierna: ptss) heeft, die gedurende de jaren dat hij onder behandeling is onveranderd aanwezig is, en zich vaker ernstige crises hebben voorgedaan met suïcidale ideaties, waarop intensieve ondersteuning werd geboden, maar dat hij nooit opgenomen is geweest. De medische behandeling van de vreemdeling bestaat uit therapie en medicatie, onder meer Risperidon. Volgens dit BMA-advies zal geen medische noodsituatie ontstaan omdat er sinds het vorige advies van 9 februari 2009 geen structurele wijziging in het ziektebeeld is gekomen, er nadien geen daadwerkelijke suïcidepoging is gemeld die is ontstaan vanuit het ziektebeeld en evenmin een gedwongen opname door een gevaar opleverende situatie. Voorts vermeldt dit BMA-advies dat de vreemdeling, gezien de aard van zijn klachten, tijdens de reis naar Togo moet worden begeleid door een psychiatrisch geschoold verpleegkundige.

Bij brief van 16 oktober 2012 heeft de behandelaar te kennen gegeven dat beëindiging van de behandeling van de vreemdeling binnen 24 tot 48 uur zal leiden tot overlijden door zelfmoord of ernstig chronisch psychiatrisch lijden.

Bij brief van 11 december 2012 heeft de behandelaar laten weten dat de vreemdeling op een afwijzing in het kader van zijn verblijfsrechtelijke procedure heeft gereageerd met een suïcidepoging op 5 oktober 2012 door middel van een overdosis Risperidon (hierna: de suïcidepoging), waardoor hij twee dagen een verlaagd bewustzijn heeft vertoond, en een hoog suïciderisico duidelijk op de voorgrond blijft staan.

Het naar aanleiding van laatstgenoemde brief opgestelde BMA-advies van 12 december 2013 vermeldt dat de vreemdeling ptss heeft, hij op 5 oktober 2012 naar aanleiding van een afwijzing in het kader van zijn verblijfsrechtelijke procedure te veel Risperidon heeft ingenomen, zodat hij twee dagen een verlaagd bewustzijn had, en er volgens de behandelaar nog steeds een hoog suïciderisico is. De medische behandeling van de vreemdeling bestaat uit therapie en medicatie, onder meer Risperidon. Volgens dit BMA-advies zal geen medische noodsituatie ontstaan omdat de vreemdeling nooit gedwongen opgenomen is geweest, een gedocumenteerde zelfmoordpoging als direct en onvermijdelijk gevolg van de aanwezige ziekte niet is genoemd en de suïcidepoging direct was gekoppeld aan de dreiging van gedwongen terugkeer. Voorts vermeldt dit BMA-advies dat het tijdens de reis naar Togo aan te bevelen is de vreemdeling te laten begeleiden door een psychiatrisch geschoold verpleegkundige en dat een fysieke overdracht niet aan de orde is, nu de vreemdeling teveel Risperidon heeft genomen na slecht nieuws, maar geen dermate gevaarlijke situatie is opgetreden dat hij moest worden opgenomen en behandeld.

De staatssecretaris heeft bij brief van 13 december 2013 toegelicht dat hij, gezien het BMA-advies van 12 december 2013, het onder 3 weergegeven standpunt in het besluit handhaaft.

In reactie op het BMA-advies van 12 december 2013 heeft de behandelaar bij brief van 17 januari 2014 gesteld dat een medische noodsituatie zal ontstaan. Hiervoor heeft hij gewezen op de gedocumenteerde aanwezige psychiatrische aandoening van de vreemdeling met zeer labiele gemoedstoestand, die reeds jaren aanwezig was vóór de suïcidepoging, waardoor volgens hem de suïcidepoging niet als onmiddellijk en onvermijdelijk gevolg van dreigende uitzetting kan worden gezien. Verder moet er volgens de behandelaar rekening mee worden gehouden dat de vreemdeling in Togo niet in staat is om op eigen houtje de nodige hulp te zoeken.

5. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat tussen de behandelaar en de BMA-arts verschil van inzicht bestaat over het antwoord op de vraag of een medische noodsituatie dreigt en de hiermee verband houdende vraag of de suïcidepoging gerelateerd is aan zijn ziektebeeld.

In grief 2 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zich geen tegenstrijdigheid voordoet tussen de BMA-adviezen van 27 september 2012 en 12 december 2013.

In grief 3 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het stellen van reisvereisten ten doel heeft de directe weerslag die de reis uit medisch oogpunt op hem heeft op te vangen, zodat zijn betoog dat het BMA-advies van 12 december 2013 naast reisbegeleiding ten onrechte geen fysieke overdracht voorschrijft, niet kan slagen.

De vreemdeling voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het antwoord in het BMA-advies van 12 december 2013 dat de suïcidepoging direct was gekoppeld aan de dreiging van gedwongen terugkeer niet is toegelicht, dat de behandelaar deskundiger is om dit te beoordelen en deze zijn antwoord in de brief van 17 januari 2014 wel heeft toegelicht. Verder betoogt hij dat de rechtbank heeft miskend dat juist door de directe weerslag van de reis bij aankomst in Togo, fysieke overdracht nodig is.

5.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1) strekt, indien en voor zover de staatssecretaris een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht ervan heeft vergewist dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

5.2. Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris, onder verwijzing naar het Protocol Bureau Medische Advisering 2010 (www.ind.nl), nader uiteengezet dat het BMA voor de beantwoording van de vraag of een medische noodsituatie zal ontstaan de aanwezigheid van een verband tussen een suïcidepoging en het onderliggende ziektebeeld op zichzelf niet beslissend acht. Het BMA beziet de medische voorgeschiedenis van een vreemdeling en het ziektebeloop, bijvoorbeeld of sprake is geweest van opname in een psychiatrisch ziekenhuis. Daarbij gaat het BMA uit van de situatie in Nederland, omdat het daarbij betrekken van hetgeen er in het land van herkomst met een vreemdeling gebeurt als de behandeling wordt gestaakt te speculatief is. Het BMA gaat over tot het stellen van het reisvereiste van fysieke overdracht als het BMA het reëel acht dat acuut medisch ingrijpen nodig is bij aankomst op het vliegveld in het land van herkomst, waarbij het ook de medische voorgeschiedenis van een vreemdeling en het ziektebeloop in aanmerking neemt.

Indien volgens het BMA kan worden volstaan met begeleiding door een psychiatrisch geschoold verpleegkundige tijdens de reis, staat die verpleegkundige volgens de staatssecretaris continu in contact met de desbetreffende vreemdeling. Indien de medische situatie van die vreemdeling mocht verslechteren en de verpleegkundige direct medische zorg op de bestemming aangewezen acht, wordt contact opgenomen met de plaatselijke autoriteiten om een medicus ter beschikking te laten stellen. Afhankelijk van de omstandigheden zal worden bezien of ter plaatse in de noodzakelijke medische zorg kan worden voorzien.

5.3. Voor de vreemdeling betekent het onder 5.2 vermelde, volgens de staatssecretaris, dat voor beantwoording van de vraag of een medische noodsituatie zal ontstaan voor het BMA bepalend is geweest dat de vreemdeling, zoals beide BMA-adviezen in antwoord op deze vraag ook vermelden, nooit opgenomen is geweest in een psychiatrisch ziekenhuis. Daarbij heeft de staatssecretaris er op gewezen dat de vreemdeling ook direct na de suïcidepoging niet is opgenomen en de behandelaar toen ook niet is gestopt met het voorschrijven van Risperidon. Daarom stellen beide BMA-adviezen volgens de staatssecretaris fysieke overdracht niet als reisvereiste.

5.4. Bij het opstellen van het BMA-advies van 12 december 2013 zijn de brieven van de behandelaar van 16 oktober 2012 en 11 december 2012 betrokken. Het BMA en de behandelaar zijn bij het beoordelen van de medische toestand van de vreemdeling van dezelfde medische gegevens uitgegaan. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 6 januari 2014 in zaak nr. 201305765/1/V3, dat een verschil van inzicht over de uit die gegevens te trekken conclusies op zichzelf niet betekent dat het BMA-advies van 12 december 2013 niet zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is. Daaraan doet niet af de nadere toelichting die de behandelaar in de brief van 17 januari 2014 heeft gegeven over het ontstaan van een medische noodsituatie, nu die toelichting - evenals diens conclusie dat de suïcidepoging is gerelateerd aan het ziektebeeld van de vreemdeling - alleen een nadere duiding is van de reeds bekende in voormelde BMA-adviezen vermelde medische gegevens. Voorts is de enkele stelling van de behandelaar in de brief van 17 januari 2014 dat de vreemdeling niet in staat is zichzelf in Togo te melden voor behandeling speculatief.

Het vorenstaande in aanmerking genomen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris terecht is uitgegaan van voormelde BMA-adviezen.

De door de vreemdeling ingediende nadere stukken, voor zover die al een contra-expertise inhouden gericht tegen het BMA-advies van 12 december 2013, doen hieraan niet af, reeds omdat daarin alleen - in algemene zin - wordt ingegaan op suïcide en de relatie tussen suïcide enerzijds en ptss en het ontstaan van een medische noodsituatie anderzijds, derhalve los van de concrete medische voorgeschiedenis van de vreemdeling.

De grieven falen.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Vink

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2015

154.