Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:476

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
201405734/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:6448, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2011 heeft het college aan de gemeente Oegstgeest vergunning verleend voor het graven van 513 m2 overig polderwater binnen de polder Oudenhof (zuid), het maken en hebben van twee stuwen met uitstroombak in de kernzone van overig polderwater van polder Oudenhof (zuid) en het maken en hebben van twee ondergrondse containers in de beschermingszone van overig polderwater van polder Oudenhof (zuid), een en ander ter plaatse van de Spaargarenstraat te Oegstgeest.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Waterwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2015/59 met annotatie van B. Arentz
JOM 2015/275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405734/1/A4.

Datum uitspraak: 18 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. de vereniging Emmatuin, gevestigd te Oegstgeest (hierna: Emmatuin),

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 mei 2014 in zaak nr. 12/8619 in het geding tussen:

Emmatuin en [appellant sub 2]

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het college).

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2011 heeft het college aan de gemeente Oegstgeest vergunning verleend voor het graven van 513 m2 overig polderwater binnen de polder Oudenhof (zuid), het maken en hebben van twee stuwen met uitstroombak in de kernzone van overig polderwater van polder Oudenhof (zuid) en het maken en hebben van twee ondergrondse containers in de beschermingszone van overig polderwater van polder Oudenhof (zuid), een en ander ter plaatse van de Spaargarenstraat te Oegstgeest.

Bij besluit van 17 juli 2012 heeft het college het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Emmatuin heeft tegen het besluit van 28 november 2011 eveneens bezwaar gemaakt en het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Het college heeft bij brief van 7 februari 2013 met dat verzoek ingestemd.

Bij uitspraak van 26 mei 2014 heeft de rechtbank de door Emmatuin en [appellant sub 2] ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Emmatuin en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Emmatuin en [appellant sub 2] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2014, waar [appellant sub 2], mede als voorzitter van Emmatuin, het college, vertegenwoordigd door ir. I.A. Elema en J.J.G. Hopman, beiden werkzaam bij het hoogheemraadschap, en het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest, vertegenwoordigd door C.A. Brunt, zijn verschenen. Tevens is ter zitting het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland, vertegenwoordigd door M.C. Vlaardingerbroek en mr. L.J. de Vrueh, beiden werkzaam bij de provincie, gehoord.

Overwegingen

1. De aanvraag om verlening van een watervergunning ziet op het graven van een watergang binnen de polder Oudenhof (zuid) om de wateroverlast in het gebied tegen te gaan. Polders Oudenhof (noord) en Oudenhof (zuid) zijn met elkaar verbonden door middel van een regenwaterriool. Met de aanleg van de watergang wordt een gedeelte van het regenwaterriool vervangen door een open verbinding.

2. Emmatuin en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank de zaak, nadat mediation in beroep niet succesvol was, ten onrechte niet naar een meervoudige kamer heeft verwezen zoals tijdens de behandeling ter zitting was aangekondigd. Volgens hen is de zaak te ingewikkeld en complex en zijn de belangen te groot voor enkelvoudige behandeling.

2.1. Ingevolge artikel 8:10, eerste lid, van de Awb is bij de rechtbank een behandeling van zaken door een enkelvoudige kamer uitgangspunt. Of een zaak voor verwijzing naar een meervoudige kamer in aanmerking komt, staat ter beoordeling aan de enkelvoudige kamer. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 februari 2008 in zaak nr. 200704318/1) betreft dit een procesrechtelijke beslissing die in beginsel de verantwoordelijkheid is van de eerste rechter. Behoudens uitzonderingssituaties kunnen hiertegen gerichte gronden niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank blijkt dat ter zitting aan de orde is geweest dat de zaak zich leent voor behandeling door een meervoudige kamer en dat partijen in dat kader is gevraagd toestemming te verlenen om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Deze toestemming hebben partijen verleend. Hoewel het wellicht zorgvuldig was geweest als de rechtbank aan partijen had laten weten dat zij nadien tot de conclusie is gekomen dat de zaak toch niet voor verwijzing naar een meervoudige kamer in aanmerking kwam, doet een uitzonderingssituatie als hiervoor bedoeld zich in dit geval niet voor. De Afdeling ziet in het aangevoerde derhalve geen aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen.

Het betoog faalt.

3. Voorts betogen Emmatuin en [appellant sub 2] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was de watervergunning te verlenen, omdat de gemeente Oegstgeest de waterbeheerder is van polder Oudenhof. Daartoe verwijzen zij naar een besprekingsverslag van de commissie Voldoende Water van het hoogheemraadschap van 4 juni 2014 en de beantwoording van een op 9 september 2014 door een lid van die commissie ingediende bestuursvraag. Hieruit blijkt volgens hen dat het waterbeheer van de polder niet bij Rijnland ligt.

3.1. Ingevolge artikel 56, eerste lid, van de Waterschapswet is het waterschapsbestuur bevoegd tot regeling en bestuur ter behartiging van de taken die het waterschap in het reglement zijn opgedragen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Reglement van bestuur voor het hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het Reglement) heeft het hoogheemraadschap tot taak de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor zover deze taak niet uitdrukkelijk aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen.

3.2. Het college heeft in beroep verwezen naar het bij de bezwaarschriftencommissie ingediende verweerschrift waarin het zich op het standpunt heeft gesteld dat met het provinciaal besluit tot de fusie van waterschappen tot het nieuwe hoogheemraadschap van Rijnland in 2005 een einde is gekomen aan eerdere ontpolderingsbesluiten. Het watersysteembeheer berust in het gehele op de reglementskaart aangeduide gebied bij het hoogheemraadschap. Ook de keur en leggers van Rijnland betreffen dit gebied. Aldus is volgens het college door het hoogheemraadschap terecht op basis van de keur Rijnland 2009 een watervergunning verleend aan de gemeente Oegstgeest.

In hoger beroep heeft het college gewezen op het bij brief van 25 juni 2014 door de voorzitter van de commissie ex artikel 6 van de Waterschapswet toegezonden voorontwerp van het besluit tot wijziging van het Reglement. In de toelichting op onderdeel A is vermeld dat recent is gebleken dat er in onder meer de gemeente Oegstgeest (polder Oudenhof) nog gebieden zijn waar de gemeente waterbeheertaken uitvoert en dat, om het waterbeheer volledig over te dragen aan het hoogheemraadschap, een aantal waterstaatswerken moet worden overgedragen aan het hoogheemraadschap. Daartoe heeft het hoogheemraadschap met de gemeente een overeenkomst gesloten. Op grond van artikel 5a van de Waterschapswet moet nog een herpolderingsbesluit worden genomen. Met de wijziging van artikel 3, vijfde lid, van het Reglement wordt dit mogelijk gemaakt, aldus de toelichting. Het college heeft daarnaast gewezen op het verslag van een op 1 juli 2014 tussen de provincie Zuid-Holland, het hoogheemraadschap Rijnland en de gemeente Oegstgeest gevoerd bestuurlijk overleg over het beheer van polder Oudenhof. Hierin is vermeld dat, in tegenstelling tot hetgeen eerder in ambtelijk overleg is gesteld, het Reglement volgens de provincie de grondslag vormt voor de uitoefening van de waterkwantiteitstaak door het hoogheemraadschap. Gelet op het vorenstaande is bij het college onduidelijkheid gerezen over de vraag of de waterbeheerstaak van de polder Oudenhof nu bij het hoogheemraadschap of de gemeente berust.

3.3. Het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland heeft ter zitting bij de Afdeling naar voren gebracht dat het hoogheemraadschap Rijnland in het Reglement is aangewezen als waterbeheerder in het gehele beheersgebied. Het beheersgebied is aangeduid op een bij het Reglement behorende reglementskaart. Bij de vaststelling van het Reglement zijn geen andere beheerders aangewezen noch zijn op de reglementskaart uitzonderingen opgenomen, zodat de provincie er met het hoogheemraadschap van uit is gegaan dat het hoogheemraadschap vanaf 1 januari 2005 in het gehele waterschapsgebied de zorg heeft gekregen voor het waterbeheer. Het was de provincie toen niet bekend dat er in de polder Oudenhof nog waterstaatswerken in beheer zijn bij de gemeente Oegstgeest. Met partijen is afgesproken dat de waterstaatswerken op 1 juli 2015 alsnog in beheer zullen overgaan naar het hoogheemraadschap Rijnland. Op grond van artikel 5a van de Waterschapswet zullen gedeputeerde staten in een wijzigingsbesluit van het Reglement de waterstaatswerken aanwijzen die in beheer overgaan.

3.4. Uit de in het dossier aanwezige stukken blijkt dat tussen het bestuur van de polder Oudenhof en de gemeente Oegstgeest op 13 november 1962 een overeenkomst is gesloten. In artikel 1 van deze overeenkomst is bepaald dat, indien provinciale staten met Koninklijke goedkeuring besluiten tot ontpoldering van de polder Oudenhof, de gemeente de algehele waterstaatkundige zorg voor het gebied van de polder aanvaardt zoals deze voordien op de polder heeft gerust, zulks met inbegrip van de aansprakelijkheid jegens het hoogheemraadschap van Rijnland ten aanzien van de boezemkaden, zonder dat zij deswege enige kosten bij de eigenaren, erfpachters of vruchtgebruikers van de nog in het gebied van de op te heffen polder gelegen agrarische gronden in rekening zal brengen.

Het college heeft de Afdeling desgevraagd een afschrift verstrekt van het besluit van provinciale staten van Zuid-Holland van 9 oktober 1963, no. XI, tot opheffing van de polder Oudenhof, onder intrekking van het bijzonder reglement voor deze instelling. In artikel 4 van dit besluit wordt vermeld dat alle bezittingen, lasten, rechten en verplichtingen van de opgeheven polder op de gemeente Oegstgeest overgaan. Uit het eveneens verstrekte afschrift van een brief van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 21 december 1966 aan het bestuur van de polder Oudenhof blijkt dat voormelde overeenkomst is goedgekeurd op 10 december 1962 en dat de datum van de inwerkingtreding van de overeenkomst is bepaald op 1 januari 1967.

3.5. Uit het voorgaande concludeert de Afdeling dat het beheer van de polder Oudenhof sinds het ontpolderingsbesluit van 9 oktober 1963 en de inwerkingtreding van de overeenkomst van 13 november 1962, waarin de gemeente de algehele waterstaatkundige zorg voor het gebied van de polder aan zich heeft getrokken, bij de gemeente Oegstgeest berust. Ter zitting is vastgesteld dat het ontpolderingsbesluit nimmer door de provincie is ingetrokken. Nu de waterstaatkundige verzorging van de polder uitdrukkelijk aan een ander publiekrechtelijk lichaam is opgedragen als bedoeld in artikel 3, eerste lid van het Reglement, is het beheer van dit gebied bij de inwerkingtreding van het Reglement op 1 januari 2005 niet de taak van het hoogheemraadschap Rijnland geworden. Het college was derhalve niet bevoegd de watervergunning te verlenen.

4. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van Emmatuin tegen het besluit van 28 november 2011 gegrond verklaren, dit besluit vernietigen omdat het onbevoegd is genomen en de aanvraag alsnog buiten behandeling stellen. Voorts zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 17 juli 2012 alsnog gegrond verklaren en dit besluit vernietigen, omdat het college in het gemaakte bezwaar ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om het primaire besluit van 28 november 2011 te herroepen. De Afdeling zal het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 28 november 2011 gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaren. Het besluit van 17 juli 2012 komt eveneens voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij is nagelaten de door [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten te vergoeden. De Afdeling zal het college alsnog veroordelen in de kosten die [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 mei 2014 in zaak nr. 12/8619;

III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland van 28 november 2011, kenmerk V53142;

V. stelt de aanvraag van de gemeente Oegstgeest om verlening van een watervergunning buiten behandeling;

VI. vernietigt het besluit van het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland van 17 juli 2012, kenmerk 12.37575;

VII. verklaart het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 28 november 2011 gemaakte bezwaar gegrond;

VIII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

IX. veroordeelt het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. veroordeelt het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en de vereniging Emmatuin in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

XI. gelast dat het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland aan de vereniging Emmatuin en [appellant sub 2] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 649,00 (zegge: zeshonderdnegenenveertig euro) voor de behandeling van de beroepen en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Dekker, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Dekker

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2015

563.