Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:474

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
201405423/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:6225, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] toegekende huurtoeslag over 2009 herzien en opnieuw berekend, en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405423/1/A2.

Datum uitspraak: 18 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2014 in zaken nrs. 13/2974 en 13/2975 in het geding tussen:

[appellant]

en

Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] toegekende huurtoeslag over 2009 herzien en opnieuw berekend, en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 2 november 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] toegekende huurtoeslag over 2010 definitief berekend en vastgesteld op € 1447,00.

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft Belastingdienst/Toeslagen de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 mei 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover het de herziening van de huurtoeslag over 2009 betreft, het besluit van 5 maart 2013 in zoverre vernietigd en het besluit van 12 oktober 2012 herroepen en de huurtoeslag over 2009 vastgesteld op € 1.839,00. Voor zover het de huurtoeslag over 2010 betreft heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.H.G. Katz, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (hierna ook: Wht), zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, is op deze wet de Awir, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, wordt in de Wht en de bepalingen die daarop berusten, onder rekenhuur verstaan de huurprijs die de huurder per maand is verschuldigd of, als dat lager is dan de huurprijs, een bedrag dat gelijk is aan de maximale huurprijsgrens, bedoeld in de krachtens de artikelen 10, eerste lid, en 12, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (hierna: Uhw) daarover gestelde regels, vermeerderd met een bedrag voor door de huurder verschuldigde servicekosten.

Ingevolge het tweede lid kan bij de toepassing van het eerste lid het in de aanhef van dat lid laatstbedoelde bedrag slechts in plaats van de verschuldigde huurprijs in aanmerking worden genomen nadat, op verzoek van de Belastingdienst/Toeslagen, de huurcommissie, dan wel de voorzitter van de huurcommissie, aan de Belastingdienst/Toeslagen en aan de huurder advies heeft uitgebracht, dan wel een verklaring heeft verstrekt, over de redelijk te achten huurprijs.

Ingevolge artikel 6, aanhef en onder b, van de Uhw, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, heeft de voorzitter van de huurcommissie tot taak in de gevallen van een verzoek van de Belastingdienst/Toeslagen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wht, binnen zes weken een verklaring te verstrekken omtrent de redelijkheid van de huurprijs en de juistheid van andere gegevens betreffende de woonruimte waarvoor een aanvraag om een huurtoeslag is ingediend, een en ander voor zover van belang voor de toepassing van genoemde wet.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gegeven voor de waardering van de kwaliteit van een woonruimte, van de redelijkheid van de huurprijs en van wijziging daarvan.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, doet de huurcommissie, in geval van een verzoek als bedoeld in artikel 249 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), uitspraak omtrent de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs. Als een dergelijk verzoek wordt mede aangemerkt een verzoek ingevolge artikel 6, aanhef en onder b, indien een aanvraag om een huurtoeslag voor de desbetreffende woonruimte is ingediend binnen de in artikel 249 van Boek 7 van het BW bedoelde termijn en indien en zodra de voorzitter van de huurcommissie op dat verzoek een verklaring heeft afgegeven waaruit blijkt dat de overeengekomen huurprijs hoger is dan de bij de desbetreffende woonruimte behorende maximale huurprijsgrens.

Ingevolge het tweede lid toetst de huurcommissie in dat geval de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs aan de krachtens artikel 10, eerste lid, gegeven regels.

Ingevolge het derde lid vermeldt de huurcommissie, indien zij de overeengekomen huurprijs niet redelijk acht, in haar uitspraak de huurprijs die zij redelijk acht.

Ingevolge het vijfde lid beoordeelt de huurcommissie de kwaliteit van de woonruimte en de redelijkheid van de huurprijs naar de toestand op de datum van ingang van de huurovereenkomst.

Ingevolge artikel 249 van Boek 7 van het BW kan de huurder tot uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop een door hem met betrekking tot die woonruimte voor de eerste maal aangegane huurovereenkomst is ingegaan, de huurcommissie verzoeken uitspraak te doen over de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs.

2. Aan het besluit van 5 maart 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat de voorzitter van de huurcommissie een verklaring heeft afgegeven, inhoudende dat de door [appellant] en de verhuurder overeengekomen huurprijs van €625,00 per 1 juli 2009 niet redelijk is. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de huurtoeslag over 2009 en 2010 opnieuw berekend aan de hand van de door de voorzitter genoemde huurprijs die redelijk te achten is.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen niet bevoegd was de verklaring van de voorzitter van de huurcommissie te vragen en met terugwerkende kracht toe te passen op de huurtoeslag over 2010. De Belastingdienst/Toeslagen had binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag om huurtoeslag van [appellant] een verzoek als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wht, aan de voorzitter van de huurcommissie moeten doen. Gelet op de tijd die reeds is verstreken sinds het toeslagjaar, is het vragen om de verklaring door de Belastingdienst/Toeslagen in strijd met het verbod van détournement de pouvoir, de rechtszekerheid en de zorgvuldigheid, alsmede het vertrouwensbeginsel. De in de verklaring van de voorzitter vervatte redelijke huurprijs had bovendien niet met terugwerkende kracht mogen worden toegepast, gelet op de term ‘nadat’ in die bepaling. Dit blijkt ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wht.

De rechtbank heeft voorts niet onderkend dat hij niet de lagere, door de voorzitter van de huurcommissie redelijk geachte, huurprijs verschuldigd was en betaald heeft aan de verhuurder, maar de door hem en de verhuurder overeengekomen huurprijs. De rechtbank heeft ten onrechte de geschillenprocedure als bedoeld in artikel 14 van de Uhw voor ogen gehad, waarbij de huurcommissie op verzoek van de huurder een uitspraak doet over de redelijkheid van de huurprijs. In dit geval heeft de voorzitter van de huurcommissie slechts een verklaring afgegeven over de hoogte van de huurprijs, op verzoek van de Belastingdienst/Toeslagen. Daar hebben [appellant] en de verhuurder geen rol bij gespeeld, aldus [appellant].

3.1. Er zijn geen aanknopingspunten om strijd met het verbod op détournement de pouvoir, het rechtszekerheidsbeginsel, het fair play-beginsel of enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur aanwezig te achten bij de totstandkoming van het besluit. De Belastingdienst/Toeslagen heeft onweersproken gesteld dat [appellant] op de hoogte is gesteld van het door de dienst gedane verzoek aan de voorzitter van de huurcommissie, en het daarop volgende onderzoek.

3.2. In geval van een aanvraag om een tegemoetkoming dient de Belastingdienst/Toeslagen te beschikken over de gegevens die voor het bepalen van de aanspraak op die tegemoetkoming nodig zijn. Bij een aanvraag om huurtoeslag is de rekenhuur een dergelijk gegeven. In artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht is bepaald dat de Belastingdienst/Toeslagen onder bepaalde omstandigheden bij het vaststellen van de rekenhuur van de tussen de huurder en de verhuurder overeengekomen huurprijs mag afwijken. In plaats van de overeengekomen huurprijs wordt dan overeenkomstig het tweede lid de maximale huurprijsgrens, zoals vastgesteld door de voorzitter van de huurcommissie, gehanteerd. De Belastingdienst/Toeslagen is bij het doen van dat verzoek, anders dan [appellant] stelt, niet aan een termijn gebonden.

De Belastingdienst/Toeslagen was bevoegd de redelijk te achten huurprijs te hanteren bij de vaststelling van de rekenhuur en de aan [appellant] toegekende huurtoeslag voor 2010. Dat enige tijd is verstreken sinds de afloop van het toeslagjaar, maakt niet dat de Belastingdienst/Toeslagen geen gebruik meer kon maken van die bevoegdheid. De term ‘nadat’ in artikel 5, tweede lid, van de Wht betekent dat de verklaring toepassingsvoorwaarde is voor de te hanteren maximale huurprijsgrens in plaats van de overeengekomen huurprijs. De wetsgeschiedenis waar [appellant] naar verwijst ziet op de tot 1 januari 2006 geldende Huursubsidiewet, die een andere systematiek kende voor zover het de toekenning van huursubsidie betrof. In de Awir noch in de Wht of enige andere regeling is een bepaling opgenomen op basis waarvan zou kunnen worden afgeweken van het voorgaande, in geval van een naar gesteld onbillijke uitkomst. Dat [appellant] de tussen hem en de verhuurder overeengekomen hogere huurprijs heeft betaald, maakt het voorgaande niet anders. De wetgever heeft voor een geval als dat van [appellant] een voorziening getroffen in artikel 11, eerste lid, van de Uhw. Dat [appellant] van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, komt voor zijn rekening.

3.3. Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ter zake van de proceskosten ten onrechte heeft nagelaten twee punten toe te kennen voor het verschijnen ter zitting van zijn gemachtigde op 1 augustus 2013 en op 8 mei 2014, voor zover het de huurtoeslag over 2009 betreft.

4.1. De Belastingdienst/Toeslagen heeft reeds in zijn verweerschrift van 16 juli 2013 de rechtbank medegedeeld dat het besluit van 5 maart 2013 onjuist was voor zover het de herziening van de tegemoetkoming van de huurtoeslag in 2009 betrof en dat het daartegen gerichte beroep volgens de Belastingdienst/Toeslagen gegrond kon worden verklaard. Voor de eerste zitting van 1 augustus 2013 was al bekend dat de huurtoeslag over 2009 niet langer in geschil was. Behandeling van de herziening van de toegekende huurtoeslag over 2009 was derhalve niet meer nodig. Blijkens de processen-verbaal van de zittingen van 1 augustus 2013 en 8 februari 2014 is alleen de herziening van het voorschot huurtoeslag over 2010 inhoudelijk aan de orde geweest. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen punten toegekend voor het verschijnen van de gemachtigde op deze zittingen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2015

17-729.