Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:466

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
201405842/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:6327, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2013 heeft het college aan BOVAG een vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Waterwet verleend voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van een energieopslagsysteem in de bodem ter plaatse van het perceel Kosterijland 15 te Bunnik.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Waterwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2015/24
JOM 2015/276
JBO 2015/112 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405842/1/A4.

Datum uitspraak: 18 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vrumona B.V., gevestigd te Bunnik,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 juni 2014 in zaak nr. 13/2859 in het geding tussen:

Vrumona

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2013 heeft het college aan BOVAG een vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Waterwet verleend voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van een energieopslagsysteem in de bodem ter plaatse van het perceel Kosterijland 15 te Bunnik.

Bij uitspraak van 4 juni 2014 heeft de rechtbank het door Vrumona daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Vrumona hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Vrumona heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2014, waar Vrumona, vertegenwoordigd door mr. C.N.J. Kortmann, advocaat te Amsterdam, ir. W.A.M. Kerkhof en G. van Loo, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.H. Marskamp, drs. M.B. van der Meer en ir. D.M. Keeman, zijn verschenen. Voorts is ter zitting BOVAG, vertegenwoordigd door J. Dijkstra en drs. R.C. Clements, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Waterwet is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van gedeputeerde staten grondwater te onttrekken of water te infiltreren ten behoeve van een bodemenergiesysteem.

2. De bij besluit van 23 april 2013 verleende watervergunning ziet op het onttrekken en infiltreren van maximaal 30 m3 grondwater per uur en maximaal 120.600 m3 grondwater per jaar ten behoeve van een open systeem voor koude- en warmteopslag (hierna: KWO-systeem) voor het koelen en verwarmen van het kantoorgebouw van BOVAG. Het systeem bestaat uit een warme en een koude bron, die zijn gelegen op een afstand van 125 m van elkaar. Het grondwater mag uitsluitend worden onttrokken op een diepte tussen 18 en 48 m onder NAP en moet in hetzelfde watervoerende pakket worden teruggebracht.

3. Vrumona betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het KWO-systeem een bedreiging vormt voor haar grondwaterwinning die plaatsvindt op een diepte tussen 65 en 115 m onder NAP op 350 m afstand van het KWO-systeem. Vrumona wint grondwater ten behoeve van de vervaardiging van frisdranken en natuurlijk mineraalwater. Zij vreest dat het KWO-systeem verontreinigd grondwater of grondwater van mindere kwaliteit uit de omgeving zal aantrekken, vermengen en verplaatsen tot vlakbij haar waterwinpunt, waardoor haar bron daarmee besmet kan raken.

Daartoe voert zij onder meer aan dat er geen beschermende laag in de bodem aanwezig is tussen het KWO-systeem en haar waterwinning, terwijl daar in het besluit van 23 april 2013 wel van is uitgegaan. In hoger beroep heeft Vrumona een in haar opdracht opgesteld rapport van Miltop B.V. van 25 november 2014 overgelegd. Vrumona betoogt, onder verwijzing naar dit rapport, dat zich tussen het eerste en tweede watervoerende pakket lagen zand en grind bevinden waardoor grondwater zich makkelijk kan verplaatsen, dat door het KWO-systeem grondwater van lagere kwaliteit uit de bovenste 20 m zal worden vermengd met schoon grondwater dat dieper is gelegen en dat een groot deel van dat vermengde grondwater zal afstromen richting de bron van Vrumona. Volgens Vrumona heeft het college de stroomsnelheid van het grondwater en daarmee de hoeveelheid grondwater die van de bron van het KWO-systeem zal afstromen, onderschat.

3.1. Niet in geschil is dat door het KWO-systeem grondwater van lagere kwaliteit uit de bovenste 20 m van de bodem zal worden vermengd met schoner grondwater dat dieper is gelegen. Ter zitting heeft het college erkend dat de waterremmende laag in de bodem tussen het eerste en het tweede watervoerende pakket niet alle maar slechts een gedeelte van het grondwater tegenhoudt, waardoor er vermenging tussen het eerste en het tweede watervoerende pakket plaatsvindt. Voorts heeft het college erkend dat een gedeelte van het grondwater van de westelijke bron van het KWO-systeem zal afstromen richting Vrumona. Volgens het college stroomt echter ook in de natuurlijke situatie, zij het in mindere mate, grondwater vanaf de plaats van de geplande bronnen van het KWO-systeem richting de bron van Vrumona. Het college stelt zich op het standpunt dat slechts een klein gedeelte van het grondwater van de bronnen van het KWO-systeem afstroomt en dat daardoor geen kwaliteitsverslechtering van de bron van Vrumona zal optreden.

De Afdeling acht het, daargelaten de omvang van de afstroming en de gevolgen daarvan voor de kwaliteit van de bron van Vrumona, aannemelijk dat grondwater van de westelijke bron van het KWO-systeem zal afstromen richting de bron van Vrumona, zodat die bron op termijn invloed kan ondervinden van het KWO-systeem. Gelet daarop heeft het college zich in het besluit van 23 april 2013 ten onrechte op het standpunt gesteld dat vaststaat dat het KWO-systeem in het geheel geen gevolgen voor de grondwaterwinning van Vrumona kan hebben. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college onvoldoende onderzoek gedaan naar de gevolgen van het KWO-systeem voor de grondwaterwinning van Vrumona, zodat het in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

4. Zoals onder 3.1 overwogen, is het college er bij het besluit tot verlening van de vergunning, de motivering daarvan en de daarbij gemaakte belangenafweging, ten onrechte van uitgegaan dat vaststaat dat het KWO-systeem geen negatieve gevolgen voor de grondwateronttrekking van Vrumona heeft. Gelet daarop berust het gehele besluit op een onjuist uitgangspunt en behoeven de overige hogerberoepsgronden geen bespreking.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 23 april 2013 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 juni 2014 in zaak nr. 13/2859;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 23 april 2013, kenmerk 80DE75BF;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vrumona B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.960,00 (zegge: negentienhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vrumona B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 821,00 (zegge: achthonderdeenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Drupsteen w.g. Van Roessel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2015

457-687.