Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:464

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
201405269/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2013 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor een tijdelijke berging op het perceel [locatie]te Hoorn (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405269/1/A1.

Datum uitspraak: 18 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hoorn,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 juni 2014 in zaak nr. 13/2071 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoorn.

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2013 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor een tijdelijke berging op het perceel [locatie]te Hoorn (hierna: het perceel).

Tegen dat besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij brief van 31 januari 2014 heeft het college aan [appellant] medegedeeld dat op 7 januari 2013 hem van rechtswege de gevraagde omgevingsvergunning is gegeven. Bij besluit van dezelfde datum heeft het college het besluit van 30 oktober 2013 ingetrokken.

Bij uitspraak van 13 juni 2014 heeft de rechtbank het beroep van [appellant], voor zover gericht tegen het besluit van 30 oktober 2013 niet-ontvankelijk verklaard en, voor zover gericht tegen de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning, naar het college verwezen ter behandeling als bezwaar. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2014, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door G.R.M. Koopman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in een reeds gerealiseerde tijdelijke berging met een oppervlakte van 23 m² op het perceel. Het perceel grenst aan de openbare weg de Gedempte Appelhaven. De binnenstad van Hoorn, waarbinnen het perceel is gelegen, is aangewezen als beschermd stadsgezicht.

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk.

c. het gebruik van gronden in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is, in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 3 in samenhang met artikel 5 van bijlage II.

Ingevolge het tweede lid is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de wet, geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8, van bijlage II.

Ingevolge artikel 4a, tweede lid, aanhef en onder b, onder 3, zijn onverminderd artikel 5 de artikelen 2 en 3 slechts van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in een beschermd stads- of dorpsgezicht, voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2, onderdelen 3 tot en met 21, of artikel 3 voor zover het betreft een bouwwerk op erf aan de achterkant van een hoofdgebouw, mits dat erf niet ook deel uitmaakt van het erf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voor de berging geen omgevingsvergunning is vereist. Daartoe voert hij aan dat het deel van het erf waarop de berging is gebouwd niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd, nu een tuinmuur het zicht op dat deel van het erf ontneemt. Volgens hem volgt uit toelichting op het Bor (Stb. 2011, 339) en de wetsgeschiedenis dat de zichtbaarheid van het erfdeel waarop de berging staat van belang is. Voorts voert [appellant] aan dat, nu in artikel 2.3 van het Bor niet naar artikel 4a van Bijlage II van het Bor wordt verwezen, laatstgenoemd artikel buiten toepassing dient te worden gelaten. Daartoe bestaat volgens hem te meer aanleiding nu het bouwwerk vanwege zijn tijdelijke karakter niet hoeft te worden getoetst aan redelijke eisen van welstand en niet van invloed is op het beschermd stads- en dorpsgezicht. Dat brengt volgens [appellant] mee dat de berging ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Bor, gelezen in verbinding met artikel 2, aanhef en onderdeel 3 of onderdeel 20, van bijlage II van het Bor omgevingsvergunningvrij is. Indien de berging niet op grond van deze bepalingen omgevingsvergunningvrij is, dan is de berging dat op grond van artikel 2.3, eerste lid, van het Bor, gelezen in verbinding met artikel 3, aanhef en onderdeel 1 van bijlage II bij het Bor, aldus [appellant].

3.1. Vast staat dat de berging is gerealiseerd op erf aan de achterkant van een hoofdgebouw.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de berging niet omgevingsvergunningvrij is. Zij heeft daartoe terecht overwogen dat uit de tekst van artikel 4a, tweede lid, aanhef en onder b, onder 3 van Bijlage II van het Bor volgt dat bepalend is of het erf naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd. Dat, als gesteld, een tuinmuur het zicht ontneemt op het deel van het erf waarop de berging is gebouwd, kan [appellant] niet baten. Dat laat onverlet dat het erf als zodanig naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd. De verwijzing naar de toelichting bij het Bor, waarin is opgenomen dat, voor zover de vergunningvrij geworden bouwactiviteiten in een beschermd stads- of dorpsgezicht ondanks de gestelde voorwaarden toch tot publiekelijk zichtbare gevolgen zullen leiden, dit in het grotere geheel ondergeschikt is geacht ten opzichte van de lastenverlichting die daarmee wordt bereikt, vormt geen grond voor een ander oordeel. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het feit dat artikel 4a van bijlage II van het Bor niet wordt genoemd in artikel 2.3 van het Bor niet maakt dat eerstgenoemd artikel toepassing mist. Dat de gerealiseerde berging van tijdelijke aard is, vormt geen grond voor een ander oordeel, nu voor die situatie in artikel 4a van Bijlage II bij het Bor geen uitzondering wordt gemaakt.

Het betoog faalt.

4. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft van rechtswege het bezwaar of beroep mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Ingevolge het vierde lid zendt, indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, het dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door.

Ingevolge het vijfde lid kan de bestuursrechter het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.

Ingevolge het zesde lid staat intrekking of vervanging van het bestreden besluit niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte met toepassing van artikel 6:19, vijfde lid van de Awb zijn beroep van rechtswege tegen de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning naar het college heeft verwezen ter behandeling als bezwaar. Daartoe voert hij aan dat het niet nodig is een bezwaarprocedure te volgen, aangezien er voorafgaand aan het ingetrokken besluit van 30 oktober 2013 reeds een zienswijzeprocedure heeft plaatsgevonden, waarbij ook de door [belanghebbende] aangevoerde belangen bij de weigering van een omgevingsvergunning voor de berging zijn betrokken en het standpunt van het college na voormeld besluit niet is gewijzigd. Voorts heeft het college het bezwaarschrift van [belanghebbende] tegen de omgevingsvergunning van rechtswege ter behandeling naar de rechtbank gezonden, aldus [appellant].

5.1. Aan de rechtbank komt bij de toepassing van de bevoegdheid in artikel 6:19, vijfde lid, van de Awb aanzienlijke vrijheid toe. Gelet hierop en op de door de rechtbank gegeven motivering voor het toepassen van deze bevoegdheid, leidt hetgeen [appellant] terzake heeft aangevoerd niet tot de conclusie dat de rechtbank niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep tegen het besluit van 30 oktober 2013 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert hij aan dat hij belang heeft bij de vaststelling van de onrechtmatigheid van dat besluit. Volgens [appellant] waren op het bouwplan geen weigeringsgronden in de zin van artikel 2.10, eerste lid van de Wabo van toepassing, zodat het college de omgevingsvergunning had moeten verlenen. Dat brengt volgens hem mee dat de in het besluit van 30 oktober 2013 vastgestelde legeskosten te hoog zijn. Voorts heeft [appellant], naar gesteld, in verband met een in te dienen verzoek om nadeelcompensatie en een eventuele civiele procedure in verband met de berging belang bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 30 oktober 2013.

6.1. De rechtbank heeft terecht het beroep van [appellant], voor zover gericht tegen het ingetrokken besluit van 30 oktober 2013, niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van belang bij een inhoudelijke beoordeling daarvan. De uitspraak van 14 maart 2012, in zaak nr. 201106749/1/A1, waarnaar [appellant] in dit verband heeft verwezen, kan hem niet baten. Die zaak is niet vergelijkbaar met zijn zaak, reeds omdat daarin een nieuw besluit werd genomen op een nieuwe aanvraag, nadat de voorzieningenrechter van de rechtbank het besluit op de eerste aanvraag had vernietigd.

Met de uitdrukkelijke intrekking van het besluit van 30 oktober 2013 is bewerkstelligd dat de weigering omgevingsvergunning voor de berging te verlenen, is teruggenomen. Die terugname heeft tot gevolg dat geen besluit is genomen op de aanvraag om omgevingsvergunning voor de berging en deze dus niet is geweigerd. In zoverre bestond dan ook geen belang voor [appellant] bij een beoordeling van zijn beroep. Procesbelang kan nog wel aanwezig zijn als [appellant] tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden. Daarin is hij niet geslaagd. Met de intrekking van het besluit van 30 oktober 2013 is ook de betalingsverplichting van de daarin vastgestelde legeskosten vervallen, zodat legeskosten geen grond vormen om procesbelang aan te nemen. Voor zover [appellant] met zijn stelling dat hij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 30 oktober 2013, omdat de omgevingsvergunning van rechtswege de indruk wekt dat deze op onrechtmatige wijze is verkregen, beoogt te betogen dat hij in zijn eer en goede naam is aangetast, wordt overwogen dat, wat daarvan zij, daarin evenmin grond bestaat om procesbelang aan te nemen. Voorts valt niet in te zien waarom [appellant] in verband met een in te dienen verzoek om nadeelcompensatie of een eventuele civiele procedure belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het ingetrokken besluit van 30 oktober 2013. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat voor [appellant] tegen de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning een beroep van rechtswege is ontstaan en bij de behandeling van dat beroep de rechtmatigheid van die vergunning ter beoordeling staat.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt tot slot dat de rechtbank het college ten onrechte niet heeft veroordeeld in de door hem gemaakte kosten voor rechtsbijstand. Daartoe voert hij aan dat het beroepschrift in samenwerking met [persoon] is opgesteld. Indien de door [persoon] gemaakte kosten niet kunnen worden vergoed als kosten voor rechtsbijstand, dan dienen deze kosten te worden vergoed als deskundigenkosten, aldus [appellant]. Voorts heeft de rechtbank het college ten onrechte niet veroordeeld in de door hem hem gemaakte reis- en verletkosten, aldus [appellant].

7.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van 13 juni 2007, in zaak nr. 200607722/1, wordt overwogen dat voor het door [appellant] op eigen naam ingediende beroepschrift geen vergoeding kan worden toegekend, ook al is zijn beroepschrift met behulp van [persoon] opgesteld. Artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht biedt niet de mogelijkheid tot het toekennen van een vergoeding voor andere werkzaamheden dan de in de bijlage van het Besluit opgesomde proceshandelingen. De kosten van rechtsbijstand, bestaande uit het bijstaan bij het opstellen van processtukken die door de betrokkenen zelf, op eigen naam, worden ingediend, kunnen derhalve niet worden vergoed op grond van de genoemde bepaling. De rechtbank heeft derhalve terecht geen aanleiding gezien om het college te veroordelen tot vergoeding van door [appellant] gemaakte kosten van rechtsbijstand. Reeds omdat [appellant] in de beroepsprocedure geen verzoek om vergoeding van deskundigenkosten en reis- en verletkosten heeft ingediend, bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college in die kosten dient te worden veroordeeld. Dat, als gesteld, [appellant] dat verzoek niet heeft ingediend, omdat hij ervan uitging dat hij daartoe in een vervolgprocedure bij de rechtbank nog de gelegenheid zou hebben, dient voor zijn eigen rekening te blijven.

Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2015

414-757.