Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:455

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
201403006/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:1278, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2010 aan [appellant] herzien naar € 3.768,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403006/1/A2.

Datum uitspraak: 18 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats] (Duitsland),

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 april 2014 in zaak nr. 13/3098 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2010 aan [appellant] herzien naar € 3.768,00.

Bij besluit van 3 juni 2013, aangevuld bij besluit van 14 juni 2013, heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het voorschot herzien naar € 2.084,00.

Bij besluit van 30 september 2013, aangevuld bij besluit van 12 oktober 2013, heeft de Belastingdienst/Toeslagen het besluit van 3 juni 2013, aangevuld bij besluit van 14 juni 2013, gewijzigd en het voorschot herzien naar € 2.023,00.

Bij besluit van 15 oktober 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming kinderopvangtoeslag over 2010 aan [appellant] op € 2.023,00 vastgesteld.

Bij besluit van 19 november 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming kinderopvangtoeslag herzien en op € 1.795,00 vastgesteld.

Bij besluit van 28 november 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het besluit van 30 september 2013 gewijzigd en het voorschot herzien naar € 2.209,00.

Bij besluit van 12 december 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming kinderopvangtoeslag herzien en op € 2.209,00 vastgesteld.

Bij uitspraak van 1 april 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep voor zover gericht tegen de besluiten van 3 juni 2013 en 30 september 2013 niet-ontvankelijk en voor zover gericht tegen het besluit van 28 november 2013 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2014, waar [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam aldaar, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het bezwaar of beroep van rechtswege betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: Wko) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder ouder verstaan: de bloed- of aanverwant in opgaande lijn van een kind op wie de kinderopvang betrekking heeft.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, is op de Wko de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), met uitzondering van artikel 5, van toepassing.

Bij wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wet kinderopvang, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid (Stb. 2010, 296) is de citeertitel van de Wet kinderopvang met ingang van 1 augustus 2010 gewijzigd in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en zijn de artikelen 1 tot en met 89 vernummerd tot 1.1 tot en met 1.89.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awir wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, onder kind verstaan de persoon bedoeld in artikel 4.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder o, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, onder inkomensgegeven verstaan het inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr).

Ingevolge artikel 4, eerste lid, is kind de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn van de belanghebbende of zijn partner, die in belangrijke mate wordt onderhouden door de belanghebbende of zijn partner en op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: basisregistratie personen, hierna: BRP).

Ingevolge het tweede lid geldt de in het eerste lid opgenomen voorwaarde van inschrijving in de BRP niet gedurende de periode waarin de aldaar bedoelde persoon tegelijkertijd tot de huishoudens van zijn beide ouders behoort en hij op hetzelfde woonadres als een van die ouders staat ingeschreven in de BRP. Voor de toepassing van de eerste volzin behoort iemand tegelijkertijd tot het huishouden van beide ouders indien hij doorgaans ten minste drie gehele dagen per week in elk van beide huishoudens verblijft.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, is toetsingsinkomen het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.

Ingevolge het tweede lid wordt niet in Nederland belastbaar inkomen, zoals dat bij beschikking is vastgesteld, in aanvulling op het eerste lid mede als toetsingsinkomen in aanmerking genomen.

Ingevolge artikel 8a, eerste lid, wordt het niet in Nederland belastbaar inkomen vastgesteld door de Inspecteur.

Ingevolge artikel 21, aanhef en onder e, van de Awr wordt onder inkomensgegeven verstaan, indien over een kalenderjaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld, het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen.

2. Aan het besluit van 28 november 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen, voor zover thans nog van belang, ten grondslag gelegd dat voor [naam zoon], de zoon van [appellant], geen kinderopvangtoeslag aan [appellant] kan worden toegekend, nu [zoon] volgens de BRP niet staat ingeschreven op hetzelfde adres als zijn vader en hij niet ten minste drie gehele dagen per week in het huishouden van [appellant] verblijft. Voorts heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan de herziening van het voorschot het toetsingsinkomen over 2010 van € 44.200,00, zoals door de Inspecteur bij besluit van 14 november 2013 vastgesteld, ten grondslag gelegd.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de besluiten van 15 oktober 2013, 19 november 2013 en 12 december 2013 geen besluiten zijn als bedoeld artikel 6:19 van de Awb. Daartoe voert hij aan dat in deze besluiten uitdrukkelijk de mogelijkheid van bezwaar en beroep is opgenomen.

3.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, maakt de Awir nadrukkelijk onderscheid tussen de verlening van voorschotten en de toekenning van een tegemoetkoming. [appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 december 2011, welk besluit betrekking heeft op de voorschotverlening kinderopvangtoeslag over 2010. De besluiten van 15 oktober 2013, 19 november 2013 en 12 december 2013 hebben daarentegen betrekking op de toekenning van de tegemoetkoming kinderopvangtoeslag 2010 en niet op de voorschotverlening. Met deze besluiten worden de besluiten die betrekking hebben op de voorschotverlening niet gewijzigd of vervangen, zodat zij niet kunnen worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Dat tegen de vaststellingsbesluiten binnen de daarvoor geldende termijn separaat bezwaar kan worden gemaakt, zoals [appellant] heeft betoogd, is in dat verband niet van belang. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het beroep van [appellant] niet kan worden beschouwd als mede gericht tegen de besluiten van 15 oktober 2013, 19 november 2013 en 12 december 2013.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht het voorschot kinderopvangtoeslag over 2010 op € 2.209,00 heeft gesteld. Daartoe voert hij aan dat de Belastingdienst/Toeslagen de hoogte van het voorschot had moeten bepalen aan de hand van het door de Inspecteur vastgestelde negatieve wereldinkomen van € 54.269,00 en niet aan de hand van het Nederlandse verzamelinkomen van € 44.200,00.

4.1. De Inspecteur heeft in de definitieve aanslag inkomstenbelasting van 14 november 2013 over het jaar 2010 het verzamelinkomen van [appellant] op € 44.200,00 vastgesteld. Dat verzamelinkomen is, ingevolge artikel 21, aanhef en onder e, van de Awr in verbinding gelezen met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, van de Awir, het toetsingsinkomen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Awir, dat de Belastingdienst/Toeslagen in aanmerking dient te nemen bij de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming kinderopvangtoeslag of een voorschot daarop. Daarbij dient de Belastingdienst/Toeslagen ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Awir niet in Nederland belastbaar inkomen, zoals door de Inspecteur bij beschikking is vastgesteld, mede als toetsingsinkomen in aanmerking te nemen. In dit geval heeft de Inspecteur krachtens artikel 8a, eerste lid, van de Awir bij besluit van 21 augustus 2013 het niet in Nederland belastbaar inkomen op nihil vastgesteld. Voor het betoog van [appellant] dat de Belastingdienst/Toeslagen het in dit besluit vermelde wereldinkomen als uitgangspunt had moeten nemen voor de beoordeling van de aanspraak op kinderopvangtoeslag, bestaat geen grondslag in de Awir dan wel de Wko. Voor zover hij heeft betoogd dat hij ten onrechte als binnenlandse belastingplichtige is aangemerkt dan wel het verzamelinkomen, het wereldinkomen of het niet in Nederland belastbaar inkomen op onjuiste wijze is vastgesteld, dient hij zich tot de Inspecteur te richten. Dit leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht het toetsingsinkomen van € 44.200,00 heeft gehanteerd voor het bepalen van het voorschot kinderopvangtoeslag over 2010.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen aan hem een voorschot kinderopvangtoeslag had moeten verlenen voor de kosten van kinderopvang die hij voor de moeder van zijn [zoon] heeft voldaan.

5.1. Dat [appellant] de kosten van kinderopvang voor de moeder van zijn [zoon] zou hebben voldaan, betekent niet dat hij reeds daarom recht heeft op een voorschot kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich in dat verband terecht op het standpunt gesteld dat slechts een ouder in de zin van de Wko in aanmerking kan komen voor kinderopvangtoeslag. [appellant] kan, nu hij geen ouder is van een kind als bedoeld in artikel 4 van de Awir, wat betreft aanspraak op kinderopvangtoeslag voor [zoon] niet als zodanig worden aangemerkt, nu niet in geschil is dat [zoon] niet op hetzelfde adres in de BRP staat ingeschreven als [appellant] en door de Belastingdienst/Toeslagen onweersproken is gesteld dat [zoon] niet doorgaans ten minste drie gehele dagen per week bij [appellant] verblijft. De rechtbank heeft aldus terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] geen recht heeft op een voorschot kinderopvangtoeslag voor zijn [zoon].

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte een te lage proceskostenvergoeding aan hem heeft toegekend. [appellant] voert aan dat de rechtbank, door uit te gaan van het laagste tarief, de verletkosten op een te laag bedrag heeft vastgesteld, nu zijn uurtarief € 80,00 bedraagt. Voorts hadden de aan hem te vergoeden kosten moeten worden bepaald overeenkomstig het in het Besluit proceskosten bestuursrecht geldende tarief voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6.1. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen in onder meer de verletkosten die [appellant] heeft moeten maken in verband met de zittingen van 9 oktober 2013 en 12 februari 2014. Daarbij is de rechtbank terecht uitgegaan van het laagste tarief van € 7,00, nu, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, [appellant] zijn verletkosten niet nader heeft gespecificeerd. Hoewel [appellant] in hoger beroep heeft gesteld dat zijn uurtarief € 80,00 bedraagt en de rechtbank volgens hem dat tarief had moeten hanteren, heeft hij dit niet nader met stukken onderbouwd.

Voorts heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat [appellant] in aanmerking komt voor een vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking hebben op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu [appellant] zijn eigen belangen heeft behartigd, is niet door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Borman w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2015

85-705.