Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:451

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
201401081/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:9751, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2012 heeft het dagelijks bestuur aan [vergunninghouder A] en [vergunninghouder B] krachtens de Keur waterschap Brabantse Delta (hierna: de Keur) een vergunning verleend voor het vervangen van de klinkers van het inspectiepad op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] te Raamsdonksveer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401081/1/A4.

Datum uitspraak: 18 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 december 2013 in zaak nr. 13/2184 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2012 heeft het dagelijks bestuur aan [vergunninghouder A] en [vergunninghouder B] krachtens de Keur waterschap Brabantse Delta (hierna: de Keur) een vergunning verleend voor het vervangen van de klinkers van het inspectiepad op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] te Raamsdonksveer.

Bij besluit van 13 februari 2013 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder A] en [vergunninghouder B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.W. Verhoeven, advocaat te Breda, en [gemachtigde], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. J.L.W. Huijsmans en ing. J.B. Klaasen, beiden werkzaam bij het waterschap, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [vergunninghouder A] en [vergunninghouder B], vertegenwoordigd door mr. S. van Hengel, advocaat te Etten-Leur, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij besluit van 19 september 2012 heeft het dagelijks bestuur aan [vergunninghouder A] en [vergunninghouder B] een vergunning verleend als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Keur. De vergunning ziet op het vervangen van de bestaande klinkers van het inspectiepad door lichtere klinkers. Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag heeft het dagelijks bestuur zijn Beleidsregel toepassing Waterwet en Keur (hierna: de Beleidsregel) gehanteerd.

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet is de toepassing van deze wet gericht op voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

Ingevolge artikel 6.21 wordt een vergunning geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1.

Ingevolge artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Keur is het verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur binnen een waterkering, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarover of daaronder op enigerlei wijze grondroeringen te verrichten, voorwerpen in de grond aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of uit de grond te verwijderen.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder c, is het verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur werken te maken, te hebben, te onderhouden, te wijzigen of te verwijderen.

In de Beleidsregel is vermeld, voor zover van belang, dat bij de beoordeling van vergunningaanvragen wordt getoetst of de waterhuishoudkundige situatie zich niet verzet tegen het verlenen van een vergunning. In het geval dat de vergunningaanvraag (mede) betrekking heeft op de waterkering wordt tevens getoetst of de veiligheid en stabiliteit van de waterkering zich niet verzet tegen het verlenen van een vergunning en of het onderhoud van de waterkering niet wordt belemmerd.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de vergunning niet in redelijkheid kon worden verleend. Daartoe voert hij aan dat verlening van de vergunning in strijd is met de doelstellingen van artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet en met de Beleidsregel. [appellant] stelt verzakking van het inspectiepad en, mede daardoor, wateroverlast op zijn perceel, [locatie 3], te vrezen. Volgens hem zijn de toegestane klinkers te licht en daardoor niet bestand tegen het gebruik daarvan door zwaar materieel. Door verzakking van het inspectiepad wordt de veiligheid en de stabiliteit van de waterkering geschaad en het onderhoud daarvan bemoeilijkt, aldus [appellant]. In dit verband wijst hij nog op een door hem met het waterschap in 2002 gesloten overeenkomst, waarin zou zijn vastgelegd dat het inspectiepad gedeeltelijk dient te bestaan uit zware klinkers. Volgens [appellant] blijkt uit door hem overgelegde processen-verbaal van een gerechtsdeurwaarder van 29 januari 2013 dat zich reeds verzakkingen hebben voorgedaan.

Uit een door hem overgelegd e-mailbericht van ARA Adviesbureau van 24 februari 2014 blijkt, zo stelt [appellant], dat de vervanging van de klinkers door lichtere klinkers leidt tot wateroverlast op zijn perceel. Hemelwater dringt langs de klinkers de bodem in en kan vervolgens niet door een aanwezige 60 cm dikke laag zogenoemde ‘repac’ dringen. Omdat zijn perceel lager ligt dan naastliggende percelen en zijn perceel in de stroomrichting van het grondwater ligt, stroomt het ingezegen hemelwater naar zijn perceel, aldus [appellant].

3.1. De percelen [locatie 3], [locatie 4], [locatie 1] en [locatie 2] grenzen, gescheiden door een damwand, aan een zijtak van de rivier De Donge. Parallel aan de damwand ligt op de primaire waterkering Boterpolderdijk een inspectiepad. De vergunning is verleend ter legalisering van de door [vergunninghouder B] in of omstreeks 2009 en door [vergunninghouder A] in of omstreeks 2012 op de percelen [locatie 1] onderscheidenlijk [locatie 2] aangebrachte klinkerbestrating.

3.2. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten gevolge van de vergunde vervanging van de klinkers verzakkingen van het inspectiepad op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] zich zullen voordoen en meer hemelwater de bodem zal inzijgen. Uit de door [appellant] overgelegde en de ter zitting getoonde foto’s is niet gebleken dat de klinkerbestrating op de percelen [locatie 1] en [locatie 2], die ter plaatse reeds enkele jaren aanwezig is, is verzakt, terwijl het inspectiepad in die jaren wel door zwaar materieel is gebruikt. Uit door [appellant] overgelegde processen-verbaal van een gerechtsdeurwaarder van door hem verrichte waarnemingen op 29 januari 2013 blijkt evenmin dat zich ten gevolge van de vergunde werkzaamheden verzakkingen hebben voorgedaan. Weliswaar staat in de processen-verbaal dat zand onder tegels is weggespoeld en zijn daarvan foto’s bijgevoegd, maar niet aannemelijk is geworden dat dit betrekking heeft op het deel van het klinkerpad waarop de vergunning ziet. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat alleen wanneer het inspectiepad uit zware klinkers bestaat de veiligheid en stabiliteit van de waterkering, zoals bedoeld in de Beleidsregel, zich niet verzet tegen vergunningverlening. Dit volgt niet, anders dan [appellant] heeft gesteld, uit een tussen hem en het waterschap in 2002 gesloten overeenkomst, wat daar verder ook van zij.

De rechtbank heeft in de door [appellant] gestelde nadelige gevolgen voor de veiligheid en stabiliteit van de waterkering en voor de mogelijkheden van onderhoud, gelet op het vorenoverwogene, geen grond moeten zien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid de vergunning heeft kunnen verlenen.

De rechtbank heeft verder in de door [appellant] gestelde wateroverlast op zijn perceel [locatie 3] geen grond moeten zien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergunning kon worden verleend. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten gevolge van de vergunning wateroverlast op zijn perceel zal optreden. Weliswaar stelt een medewerker van ARA Adviesbureau zich in een door [appellant] overgelegd e-mailbericht op het standpunt dat in de bestaande situatie, gezien de aanwezige damwand en het grondwaterstroomprofiel, vernatting van zijn perceel zich kan voordoen bij niet functionerende drains, maar in dit e-mailbericht wordt niet ingegaan op de gevolgen van de vergunde vervanging van de klinkers. Op grond van het e-mailbericht kan derhalve niet worden geoordeeld dat ten gevolge van de vergunning wateroverlast op het perceel van [appellant] ontstaat.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het dagelijks bestuur de vergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2015

163-784.