Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:443

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
201403588/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:10105, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2013 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onderscheidenlijk om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat uitzetting achterwege blijft, afgewezen, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vreemdelingenbesluit 2000 3.51
Vreemdelingenbesluit 2000 5.1b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403588/1/V1.

Datum uitspraak: 10 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 2 april 2014 in zaak nr. 14/305 in het geding tussen:

[vreemdeling 1], ook genoemd [vreemdeling 2],

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2013 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onderscheidenlijk om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat uitzetting achterwege blijft, afgewezen, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Bij besluit van 9 december 2013 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 april 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder r, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), zoals luidend ten tijde van het besluit, houden de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperkingen verband met niet-tijdelijke humanitaire gronden.

Ingevolge het derde lid kan de staatssecretaris de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen onder een andere beperking, dan in het eerste lid vermeld.

Ingevolge artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder h, kan de staatssecretaris de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking, verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden, verlenen aan een vreemdeling die wegens bijzondere individuele omstandigheden naar het oordeel van de staatssecretaris blijvend op verblijf in Nederland is aangewezen.

2. De staatssecretaris klaagt in grief 1 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd, omdat hij de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, niet heeft beoordeeld aan de hand van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000. Onder verwijzing naar de geschiedenis van de totstandkoming van het Besluit van 24 juli 2010, houdende wijziging van het Vb 2000 en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de positie van de referent in het reguliere vreemdelingenrecht en versnelling van de vreemdelingenrechtelijke procedure, in verband met de implementatie van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PbEU L 155), in verband met de openbare orde en enkele andere onderwerpen (hierna: het Besluit modern migratiebeleid; Stb. 2010, 307) voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank heeft miskend dat hij die aanvraag terecht heeft aangemerkt als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier op niet-tijdelijke humanitaire gronden.

2.1. De vreemdeling heeft de aanvraag ingediend door middel van een aanvraagformulier waarop hij als doel van het verblijf in Nederland heeft aangekruist ‘anders, vanwege bijzondere en individuele omstandigheden’. In de toelichting op de aanvraag heeft de vreemdeling verzocht hem krachtens artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder de beperking ‘conform beschikking minister’ en daaraan ten grondslag gelegd dat hij sinds 1994 in Nederland verblijft, psychische en somatische klachten heeft, in een slechte financiële situatie verkeert, in Nederland cursussen en opleidingen heeft gevolgd, bekeerd is tot het christendom, geen banden meer heeft met Irak, een zoon en een partner in Nederland heeft en dat de staatssecretaris in het verleden zijn personalia onjuist heeft vastgesteld.

2.2. Het Besluit modern migratiebeleid heeft onder meer tot doel het stelsel van beperkingen waaronder de staatssecretaris een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan verlenen te herstructureren. Onder verwijzing naar de nota van toelichting bij het Besluit modern migratiebeleid voert de staatssecretaris terecht aan dat de rechtbank hem ten onrechte heeft opgedragen de aanvraag van de vreemdeling te beoordelen aan de hand van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000. Voormelde nota van toelichting vermeldt op p. 58, 105 en 147 immers het volgende:

"In het onderhavige besluit is het aantal beperkingen waaronder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend, teruggebracht (artikel 3.4). […] De in het eerste lid van artikel 3.4 opgenomen beperkingen zijn niet limitatief. Ook voorheen was dat niet het geval. Op grond van het derde lid blijft het mogelijk, indien zulks noodzakelijk is, om een verblijfsvergunning te verlenen onder een andere beperking. Hiervan zal terughoudend gebruik worden gemaakt; waar mogelijk zal aansluiting worden gezocht bij een van de bestaande beperkingen. […] Daarnaast is in [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en] onderdeel h de mogelijkheid verruimd om deze verblijfsvergunning te verlenen op grond van andere klemmende redenen van humanitaire aard dan louter de sterke banden van de vreemdeling met Nederland (vgl. de voormalige restcategorieën in de artikelen 3.52 en 3.53, tweede lid, onderdeel b), die tot permanente verblijfsaanvaarding nopen. Voorheen werd in individuele gevallen, die niet onder de bestaande regelingen vielen, in de uitvoeringspraktijk veelal op grond van artikel 3.4, derde lid, het verblijf geregeld «conform beschikking van Onze Minister». Die discretionaire bevoegdheid van de minister om in individuele gevallen wegens klemmende redenen van humanitaire aard tot verblijfsaanvaarding over te gaan, blijft onverminderd bestaan. Die bevoegdheid is noodzakelijk om in ieder individueel geval, naar gelang de feiten en omstandigheden van het geval en binnen de kaders van het internationale recht, de juiste beslissing te kunnen nemen."

Hieruit kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is dat de staatssecretaris aanvragen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen zoveel als mogelijk beoordeelt aan de hand van reeds gereguleerde beperkingen, zoals gelet op artikel 3.51 van het Vb 2000 en het ter invulling daarvan in hoofdstuk B9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 neergelegde beleid het geval is voor de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden. Mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2008 in zaak nr. 200706668/1, volgens welke het aan de staatssecretaris is om, in het licht van het door een vreemdeling gespecificeerde verblijfsdoel, te bepalen welke aan de verblijfsvergunning te verbinden beperking van toepassing is, heeft de staatssecretaris, gezien hetgeen de vreemdeling aan de aanvraag ten grondslag heeft gelegd, terecht aan de hand van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder r, gelezen in samenhang met artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder h, van het Vb 2000 beoordeeld of de vreemdeling wegens bijzondere individuele omstandigheden blijvend op verblijf in Nederland is aangewezen. Voor dit oordeel is ook van belang dat de vreemdeling overigens geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die de staatssecretaris ertoe noopten om de aanvraag aan de hand van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 te beoordelen.

De grief slaagt.

3. De staatssecretaris klaagt in grief 2 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in strijd met artikel 7:2 van de Awb heeft gehandeld door de vreemdeling niet in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Hij voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bezwaar kennelijk ongegrond is.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 december 2008 in zaak nr. 200802115/1) mag een bestuursorgaan krachtens artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb slechts van horen afzien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden.

In de motivering van het besluit van 15 november 2013 is de staatssecretaris ingegaan op de omstandigheden die de vreemdeling aan de aanvraag ten grondslag heeft gelegd. In de bezwaargronden in het aanvullend bezwaarschrift van 15 november 2013 heeft de vreemdeling, onder verwijzing naar de onder 2.1 vermelde omstandigheden, volstaan met aan te voeren dat de staatssecretaris hem ten onrechte niet heeft vrijgesteld van het vereiste dat hij beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: het mvv-vereiste), ten onrechte artikel 64 van de Vw 2000 niet heeft toegepast, ten onrechte een terugkeerbesluit tegen hem heeft uitgevaardigd, hem ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd en ten onrechte schorsende werking aan het bezwaarschrift heeft onthouden, zonder feiten en omstandigheden aan te voeren die de staatssecretaris niet al bekend waren. Daarom is in dit geval aan voormelde maatstaf voldaan.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5. De staatssecretaris heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat de aan de aanvraag ten grondslag gelegde omstandigheden geen aanleiding bieden om de vreemdeling vrij te stellen van het mvv-vereiste of krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat uitzetting achterwege blijft en evenmin om aan te nemen dat zich een schrijnende situatie voordoet die tot verblijfsaanvaarding noopt. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat:

* het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) in een advies van 17 oktober 2013 (hierna: het BMA-advies) heeft vermeld dat behandeling van de vreemdeling in het land van herkomst mogelijk is en hij kan reizen, mits een psychiatrisch geschoolde verpleegkundige hem tijdens de reis begeleidt, hij over de voorgeschreven medicatie beschikt en direct na de reis aan een psychiater wordt overgedragen;

* de vreemdeling het gezinsleven met zijn partner, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, buiten Nederland kan voortzetten en hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij feitelijk invulling geeft aan het gezinsleven met zijn kind, dat bij zijn ex-partner woont, of dat de weigering van zijn verblijf de belangen van zijn kind schaadt;

* de staatssecretaris gelet op de, op de vreemdeling betrekking hebbende uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2004 in zaak 200308900/1 vasthoudt aan de aangetoonde andere personalia van de vreemdeling;

* het voor risico van de vreemdeling komt dat hij cursussen en opleidingen in Nederland heeft gevolgd en door zijn onrechtmatig verblijf niet in zijn levensonderhoud kan voorzien; en

* de vreemdeling niet heeft toegelicht waarom zijn bekering tot het christendom relevant is in deze reguliere procedure.

5.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 16 augustus 2013 in zaak nr. 201210703/1/V4) is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. De staatssecretaris moet zich er, indien hij een advies van het BMA, daaronder begrepen de eventueel nadien uitgebrachte nota's, aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, ingevolge artikel 3:2 van de Awb van vergewissen dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

5.2. Gelet op de onder 5 weergegeven motivering van het besluit, faalt de beroepsgrond dat de staatssecretaris het besluit in zoverre onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De door de vreemdeling overgelegde verklaring van 24 december 2013 van zijn behandelaar leidt niet tot een ander oordeel, nu deze er alleen toe strekt dat de vreemdeling een veilige behandelomgeving nodig heeft en de behandelaar niet heeft toegelicht waarom behandeling van de vreemdeling in Irak, gezien de aard en het ontstaan van zijn klachten, in een context van zodanige onveiligheid zal plaatsvinden dat die behandeling onaanvaardbaar is.

6. De staatssecretaris heeft aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd dat een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken als bedoeld in artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat hij in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit en nationaliteit of over zijn reis naar Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie, hij meer dan één aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening hebben geleid, geen gevolg heeft gegeven aan verzoeken om Nederland te verlaten, over onvoldoende middelen van bestaan beschikt en meer dan eens is veroordeeld voor een misdrijf.

6.1. De staatsecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, nu de aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegde omstandigheden, omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 5.1b, eerste lid, aanhef en onder c, e, f, j, en l, van het Vb 2000, zoals luidend ten tijde van het besluit, en de vreemdeling geen omstandigheden heeft aangevoerd die tot een ander standpunt nopen.

De desbetreffende beroepsgrond faalt.

7. De staatssecretaris heeft krachtens artikel 66, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd, omdat de vreemdeling is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van minder dan zes maanden als bedoeld in artikel 6.5a, derde lid, van het Vb 2000.

7.1. De beroepsgrond dat de staatssecretaris het inreisverbod ondeugdelijk heeft gemotiveerd, faalt. De vreemdeling heeft niet bestreden dat hij is veroordeeld tot een vrijheidsstraf als onder 7 bedoeld. Voor zover de vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris niet bij zijn beoordeling heeft betrokken dat hij een gezin in Nederland heeft, faalt het betoog gelet op de weergave onder 5. Voor zover de vreemdeling heeft betoogd dat hij erop mocht vertrouwen dat de staatssecretaris hem de veroordelingen uit 1998, 2001 en 2004 niet meer zou tegenwerpen, faalt het betoog, nu hij niet heeft toegelicht waarop hij dit vertrouwen heeft gebaseerd. Voor zover hij heeft betoogd dat de veroordeling uit 2012 nog niet onherroepelijk is, faalt het betoog, reeds omdat dit geen vereiste is (uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2014 in zaak nr. 201308944/1/V1).

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 2 april 2014 in zaak nr. 14/305;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Schuurman

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2015

282-716.