Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:436

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
201304994/4/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 augustus 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2008 voor [appellante] herzien vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304994/4/A2.

Datum uitspraak: 18 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 mei 2013 in zaak nr. 13/318 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2008 voor [appellante] herzien vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 17 februari 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 mei 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2014, waar [appellante], bijgestaan door H. van ‘t Hul, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, werkzaam aldaar, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 2 juli 2014 in zaak nr. 201304994/1/A2 heeft de Afdeling de Belastingdienst/Toeslagen opgedragen om binnen acht weken na de verzending van deze uitspraak, met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen, een nieuw besluit te nemen en dit aan [appellante] en aan de Afdeling toe te zenden. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij beschikking van 17 september 2014 heeft de Afdeling de in die uitspraak gestelde termijn verlengd.

Bij besluit van 10 oktober 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het besluit van 17 februari 2012 herroepen en het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 25 augustus 2011 opnieuw ongegrond verklaard.

[appellante] heeft een zienswijze naar voren gebracht.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en dat het onderzoek wordt gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a van de Wet kinderopvang (hierna: Wko), zoals deze luidde ten tijde van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), met uitzondering van artikel 49, van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk, indien het gastouderopvang betreft die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1˚. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2˚. de voor die kinderopvang te betalen prijs,

3˚. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekt de belanghebbende de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2. Uit de tussenuitspraak volgt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de motivering van het besluit van 17 februari 2012 dat besluit niet kan dragen. De Afdeling heeft daartoe overwogen dat aan de door [appellante] overgelegde jaaropgaven enig gewicht kan worden toegekend, en dat de enkele vaststelling dat [appellante] meer uren kinderopvang heeft genoten dan waarvoor zij kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd de herziening van het voorschot en de vaststelling op nihil niet kan rechtvaardigen. Als de Belastingdienst/Toeslagen aanleiding zag te twijfelen aan de juistheid van de door [appellante] overgelegde gegevens, had het op zijn weg gelegen daarnaar nader onderzoek te verrichten. Daaruit volgt dat het hoger beroep gegrond is en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 17 februari 2012 van de Belastingdienst/Toeslagen alsnog gegrond verklaren. Dat besluit dient wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd.

3. Het besluit van 10 oktober 2014 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding.

4. Aan het besluit van 10 oktober 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij de gestelde kosten voor kinderopvang heeft gemaakt. Daarbij heeft de Belastingdienst/Toeslagen in aanmerking genomen dat [appellante] niet heeft gereageerd op de brieven van 21 juli 2014 en 25 augustus 2014, waarbij zij is verzocht om betaalbewijzen, zoals bankafschriften, waaruit blijkt dat de op de jaaropgave vermelde kosten zijn voldaan.

5. [appellante] betoogt in de zienswijze naar aanleiding van het besluit van 10 oktober 2014 dat de Belastingdienst/Toeslagen niet van haar kan verlangen de gevraagde bankafschriften over te leggen. Daartoe voert [appellante] aan dat zij niet meer over bankafschriften over 2008 beschikt. Bovendien heeft de Belastingdienst/Toeslagen voldoende gegevens om de hoogte van de kinderopvangtoeslag te kunnen vaststellen, aldus [appellante].

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2011 in zaak nr. 201102962/1/H2) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die voor kinderopvangtoeslag in aanmerking wil komen, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is. Dat [appellante] niet meer over bankafschriften over 2008 beschikt, dient dan ook voor haar rekening te blijven.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich bij de brieven van 21 juli 2014 en 25 augustus 2014 op het standpunt gesteld dat zowel het op de jaaropgave vermelde totaalbedrag van de kosten van kinderopvang als de periode waarin één van de kinderen van [appellante] opvang heeft genoten, afwijkt van de berekeningen die [appellante] zelf heeft opgesteld. De twijfel van de Belastingdienst/Toeslagen aan de juistheid van de op de jaaropgave vermelde gegevens rechtvaardigt het verzoek aan [appellante] om betaalbewijzen over te leggen. Nu [appellante] op die verzoeken niet heeft gereageerd, heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt gesteld dat zij niet heeft aangetoond dat zij de gestelde kosten van kinderopvang heeft gehad.

Het betoog faalt.

6. Het beroep van rechtswege tegen het besluit van 10 oktober 2014 is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 mei 2013 in zaak nr. 13/318;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 17 februari 2012, kenmerk BOB KOT;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 10 oktober 2014 ongegrond;

VI. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2015

17-799.