Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:428

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
201311211/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1]-37" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2015/58 met annotatie van J.C. van Oosten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201311211/1/R3.

Datum uitspraak: 18 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

verweerster.

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1]-37" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 2] en [appellant sub 1]en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2014, waar [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [appellant sub 2B], bijgestaan door mr. M.M.H. Schulte, advocaat te Zoetermeer, en [gemachtigde], [appellant sub 1] en anderen, van wie [belanghebbende 1], [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3], bijgestaan door mr. L.C.J. Dekkers, advocaat te Alphen aan den Rijn, en de raad, vertegenwoordigd door mr. Th.L. van Deursen, ing. M. Groen, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door J. van den Berg Msc en J.F. Rings, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan voorziet in een planologische regeling voor de percelen [locatie 1] en [locatie 2]. De bestaande bedrijven op het perceel [locatie 1], te weten het loonspuitbedrijf van [appellant sub 2], een bedrijf in het vervaardigen van dierensnacks met een vetsmelterij en een verhuurbedrijf van units in bedrijfsverzamelgebouwen, worden als zodanig bestemd. Voorts is de woning op het perceel bestemd als bedrijfswoning. De woning op het perceel [locatie 2] is bestemd als burgerwoning.

Het beroep van [appellant sub 1]en anderen

Actuele regionale behoefte

4. [appellant sub 1]en anderen, die wonen aan de Meije, betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Zij voeren aan dat de raad niet heeft gemotiveerd dat wordt voldaan aan een actuele regionale behoefte. Volgens hen staan in de Staat van bedrijfsactiviteiten in elk geval deels bedrijfsactiviteiten genoemd waarvoor de units in de bedrijfsverzamelgebouwen niet eerder werden verhuurd. De raad heeft volgens [appellant sub 1] en anderen evenmin gemotiveerd dat de voorziene ontwikkeling niet elders in de gemeente Bodegraven-Reeuwijk kan worden gerealiseerd.

4.1. De raad stelt dat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet op het plan van toepassing is, omdat een bestaande situatie die onder de vorige bestemmingsplannen was toegestaan als zodanig is bestemd. Voorts voorziet het plan slechts in een beperkte uitbreidingsruimte.

4.2. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd:

a. een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen;

(…).

Ingevolge het tweede lid voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

4.3. Aan het perceel [locatie 1] zijn de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak (m²) = 4350" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. niet-agrarische bedrijfs- en/of hobbymatige activiteiten;

b. bedrijfswoning.

Ingevolge lid 3.1.2, aanhef en onder a, geldt voor bedrijfsactiviteiten dat uitsluitend de volgende bedrijven zijn toegestaan:

1. één loonspuitbedrijf tegen ongedierte met een maximale oppervlakte van 510 m²;

2. één vervaardiger van dierensnacks met een omvang van 570 m², waarvan onderdeel mag uitmaken een vetsmelterij ten behoeve van de vervaardiging van dierensnacks met een maximale oppervlakte van 130 m², waar bij de smeltactiviteiten geen hogere werktemperatuur mag worden toegepast dan 90 graden Celsius. De overige bedrijfsvloeroppervlakte mag gebruikt worden ten behoeve van groothandelsactiviteiten van de vervaardiger van dierensnacks, waaronder opslag-, verpakkings- en administratieve activiteiten;

3. één verhuurbedrijf van units in bedrijfsverzamelgebouwen waarin hobbymatige- en/of bedrijfsmatige activiteiten mogen plaatsvinden voor zover de bedrijfsmatige activiteiten behoren tot de categorieën 1 en 2 als opgenomen in Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge het bepaalde onder b geldt voor het verhuurbedrijf van units in bedrijfsverzamelgebouwen de volgende bepaling:

1. er zijn maximaal 50 units ten behoeve van bedrijfsmatige en/of hobbymatige activiteiten toegestaan en uitsluitend in bedrijfsverzamelgebouwen;

2. indien de activiteiten als genoemd in lid 3.1.2, aanhef en onder a, sub 1, worden gestaakt, is er, boven het aantal units genoemd onder 1, één extra unit toegestaan;

3. indien de activiteiten als genoemd in lid 3.1.2, aanhef en onder a, sub 2, worden gestaakt, zijn er, boven het aantal units genoemd onder 1, drie extra units toegestaan.

Ingevolge lid 3.2.2 dienen gebouwen en overkappingen aan de volgende bepalingen te voldoen:

a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak";

b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 4,5 m;

c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m;

d. de bebouwde oppervlakte bedraagt niet meer dan ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak (m²)" met deze aanduiding is aangegeven.

4.4. Met het plan worden drie bestaande bedrijven op het perceel [locatie 1] als zodanig bestemd. Bij besluit van 6 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders een vrijstelling verleend voor het vernieuwen en vergroten van de bedrijfsgebouwen op het perceel. De bij deze vrijstelling vergunde bebouwing is in het plan als zodanig bestemd. Over eventuele mogelijkheden voor uitbreiding hebben [appellant sub 1] en anderen ter zitting opgemerkt dat het hen gaat om de mogelijkheden voor nieuwe stedelijke gebruiksfuncties, in het bijzonder in de units. Wat betreft deze gebruiksmogelijkheden is tussen partijen niet in geschil dat de bestaande bedrijfsactiviteiten van het loonspuitbedrijf en de vervaardiger van dierensnacks onder de vorige bestemmingsplannen waren toegestaan. Verder is niet in geschil dat de bestaande bedrijfsactiviteiten van het verhuurbedrijf onder de vorige bestemmingsplannen in elk geval ten dele waren toegestaan. Het betrof vooral stalling en opslag. Voor zover [appellant sub 1]en anderen betogen dat in de Staat van bedrijfsactiviteiten deels bedrijfsactiviteiten staan genoemd waarvoor de units in de bedrijfsverzamelgebouwen niet eerder mochten worden verhuurd, oordeelt de Afdeling dat het plan hiermee niet voorziet in een zodanige functiewijziging dat om die reden sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 december 2014 in zaak nr. 201310814/1/R1) is daarbij van belang dat met een verruiming van de gebruiksmogelijkheden geen nieuw beslag op de ruimte plaatsvindt. Hierbij komt dat de uitbreiding van het gebruik van de bedrijfsunits in dit geval is beperkt tot hobbymatig gebruik en een selectie uit de bedrijfsactiviteiten in categorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering van de VNG. Zo zijn bedrijfsactiviteiten met gevaar als maatgevend milieuaspect niet toegestaan, evenmin als andere niet gewenste bedrijfsactiviteiten, zoals een benzinestation.

Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de raad er in dit geval terecht vanuit is gegaan dat het plan niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Reeds hierom faalt het betoog.

Natuurbeschermingswet 1998

5. [appellant sub 1]en anderen betogen dat de raad zich voor de vaststelling van het plan niet in redelijkheid op het rapport "Bestemmingsplan [locaties] Voortoets in het kader van de herziene Natuurbeschermingswet 1998" (hierna: de voortoets) heeft mogen baseren. Zij voeren hiertoe aan dat in de voortoets geen rekening is gehouden met de in het plan niet begrensde mogelijkheden voor hobbymatige activiteiten. Voorts is in de voortoets volgens [appellant sub 1]en anderen ten onrechte uitgegaan van 22 bedrijfsunits.

5.1. In de voortoets staat dat met het vaststellen van het bestemmingsplan tevens een uitbreiding van het aantal units mogelijk wordt gemaakt van 22 naar maximaal 54. Gelet hierop mist het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat in de voortoets ten onrechte is uitgegaan van 22 units, feitelijke grondslag.

Voorts staat in de voortoets dat op het perceel [locatie 1] drie gebouwen met 22 units aanwezig zijn, waar diverse kleinschalige bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd. De overige commerciële activiteiten betreffen een loonspuiterij en een hondenvoerproducent. Een gedeelte van de gebouwen is door kleinschalige bedrijven in gebruik als opslag. Naast opslag vinden op kleine schaal reparatiewerkzaamheden plaats. Activiteiten in de overige ruimtes betreffen stalling en reparatie van motorvoertuigen en hebben veelal een hobbymatig karakter. Voorts staat in de voortoets dat de hobbymatige activiteiten vooral ’s avonds en in het weekend en grotendeels in de gebouwen en afgesloten ruimtes plaatsvinden en dat deze van dien aard zijn dat er weinig tot geen geluid wordt geproduceerd dat hinder veroorzaakt voor de in de omgeving aanwezige natuurwaarden. De conclusie in de voortoets is dat significant negatieve effecten op het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse plassen ten gevolge van het plan kunnen worden uitgesloten.

Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in de voortoets onvoldoende rekening is gehouden met de mogelijkheden voor hobbymatige activiteiten in het plan of dat in de voortoets anderszins niet van de maximale mogelijkheden van het plan is uitgegaan.

Hetgeen [appellant sub 1]en anderen hebben aangevoerd geeft gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet op de voortoets heeft mogen baseren. Het betoog faalt.

Geluid

6. [appellant sub 1]en anderen vrezen geluidsoverlast te zullen ondervinden ten gevolge van het plan. Zij hebben ter zitting toegelicht dat zij met name vrezen dat de maximale mogelijkheden die het plan biedt onvoldoende zijn onderzocht. De raad heeft zich bij de vaststelling van het plan volgens hen ten onrechte op het akoestisch rapport "Akoestisch onderzoek Industrielawaai t.b.v. Bp de [locaties] te Bodegraven" van 11 juni 2013 (hierna: het akoestisch rapport) gebaseerd. Zo is in het akoestisch rapport ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt wat de geluidbelasting van de volledige bedrijvigheid op het perceel is. Ter zitting hebben [appellant sub 1] en anderen betoogd dat in het akoestisch rapport ten onrechte is uitgegaan van bedrijfsbebouwing van 7,5 m hoog in plaats van de 10 m waarin het plan voorziet. Gelet op de maximale bouwhoogte kan een tweede bouwlaag worden gerealiseerd en dit kan volgens hen betekenen dat de geluidbelasting op een grotere hoogte wordt geproduceerd. In het akoestisch rapport is volgens [appellant sub 1]en anderen voorts niet inzichtelijk gemaakt waarom voor het brongeluid van een kavelkengetal van 50 dB(A) per m² is uitgegaan in plaats van het bronvermogen van 77 dB(A) waarvan is uitgegaan in het akoestisch rapport dat aan het ontwerpplan ten grondslag lag. Verder is volgens [appellant sub 1] en anderen ten onrechte in de illustraties bij het akoestisch rapport volstaan met meetpunten en zijn geen geluidcontouren weergegeven. Zij stellen dat voor heftrucks en vrachtwagens van een te kleine hoogte van het brongeluid is uitgegaan.

Verder stellen [appellant sub 1] en anderen dat onvoldoende geluidbeperkende maatregelen in het plan zijn opgenomen, gelet op de ligging van het plangebied in het stiltegebied. Ten onrechte zijn de maximale geluidwaarden uit de maatwerkvoorschriften niet in het bestemmingsplan voorgeschreven. Zij verwijzen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2014 (zaak nr. 201401588/2/R3). [appellant sub 1] en anderen betogen dat in het ontwerpbesluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften ten onrechte staat dat op het perceel [locatie 1] ook hobbymatige activiteiten zullen plaatsvinden. Dit leidt volgens hen tot een rechtsonzekere situatie, omdat dergelijke activiteiten niet onder dezelfde regelgeving vallen als bedrijfsmatige activiteiten.

6.1. Aan de woning op het perceel [locatie 1] is de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend.

Ingevolge het artikel 3, lid 3.1.2, aanhef en onder d, aanhef en sub 2, zijn ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" geen bedrijfsactiviteiten toegestaan als bedoeld in lid 3.1.2, onder a.

Voor de overige relevante planregels verwijst de Afdeling naar 4.3.

6.2. Ten behoeve van de vaststelling van het plan is een akoestisch onderzoek verricht waarvan de resultaten zijn opgenomen in het akoestisch rapport. In het akoestisch rapport staat dat is gerekend met kavelkengetallen voor bedrijfsactiviteiten behorend in categorie 2 overeenkomstig de publicatie Bedrijven en milieuzonering van de VNG. Hiermee wordt, zo staat in het rapport, de planologisch maximale invulling inzichtelijk gemaakt. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat in het akoestisch rapport desondanks niet inzichtelijk is gemaakt wat de geluidsbelasting is van de volledige bedrijvigheid op het perceel [locatie 1]. Wat betreft het betoog van [appellant sub 1] en anderen ter zitting dat een extra bouwlaag een andere geluidsbelasting oplevert, overweegt de Afdeling als volgt. In het akoestisch rapport is uitgegaan van een bedrijfsloods van 7,5 m hoog. Voorts is de geluidbelasting op de gevels van de omliggende woningen berekend op 1,5 m en 4,5 m hoogte, omdat de wettelijke regels de geluidbelasting van de gevels van gevoelige objecten normeren. Dat het geluid mogelijk op een grotere hoogte wordt geproduceerd dan waarvan in het akoestisch onderzoek is uitgegaan, leidt niet tot een andere norm voor de toegestane geluidbelasting. Ook dan dient aan de geldende norm te worden voldaan. Wat betreft het gehanteerde kavelkengetal overweegt de Afdeling dat dit getal in het akoestisch onderzoek is gehanteerd naast de mobiele bronnen van het verkeer op het terrein en de lijnbronnen van de gevels en daken van de bedrijfsbebouwing. De Afdeling stelt vast dat in bijlage I bij het akoestisch onderzoek dan ook veelal hogere bronvermogens zijn ingevoerd dan 77 dB(A). Niet aannemelijk is derhalve dat in zoverre van te lage bronvermogens is uitgegaan. Voorts staat in het akoestisch onderzoek wat de geluidbelasting op de gevels van de omliggende woningen is. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet kon baseren op dit akoestisch onderzoek omdat alleen meetpunten en geen geluidscontouren inzichtelijk zijn gemaakt. Voorts hebben [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat bij heftrucks en vrachtwagens van een onjuiste hoogte voor het brongeluid is uitgegaan. Daarbij is van belang dat de hoogte van het brongeluid bij heftrucks en vrachtwagens doorgaans niet gelijk is aan de totale hoogte van deze voertuigen.

De Afdeling overweegt verder dat ten tijde van de vaststelling van het plan een ontwerpbesluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften van het college van burgemeester en wethouders was vastgesteld waarin maatwerkvoorschriften waren opgenomen met een lager langtijdgemiddelde beoordelingsniveau dan volgt uit artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit milieubeheer). Hiermee is volgens de raad tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied in het stiltegebied. Wat betreft de verwijzing van [appellant sub 1]en anderen naar genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2014 overweegt de Afdeling dat die situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. In genoemde uitspraak oordeelde de voorzieningenrechter dat met het enkel stellen van de voorwaarde in de planregels dat de inrichting voldoet aan het Activiteitenbesluit milieubeheer, de beoogde maatwerkvoorschriften niet waren gewaarborgd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 3 september 2014 in zaak nr. 201307924/1/R3 hoeven maatwerkvoorschriften niet al vóór de vaststelling van een bestemmingsplan te zijn vastgesteld, maar moet de raad er op voorhand in redelijkheid van kunnen uitgaan dat de maatwerkvoorschriften stand kunnen houden in een beroepsprocedure. Niet is aannemelijk gemaakt dat de raad er in dit geval op voorhand niet in redelijkheid van uit kon gaan dat de maatwerkvoorschriften stand kunnen houden in een beroepsprocedure. Daarbij is van belang dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het noemen van de hobbymatige activiteiten in het ontwerpbesluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften rechtsonzeker is. Voorts valt niet in te zien dat de geluidwaarden in deze maatwerk-voorschriften desondanks in de planregels dienden te worden opgenomen.

Het betoog faalt.

7. [appellant sub 1] en anderen kunnen zich niet verenigen met artikel 3, lid 3.1.2, aanhef en onder c, van de planregels. De in deze bepaling vervatte voorwaardelijke verplichting voor een geluidafscherming is volgens hen onvoldoende rechtszeker. Volgens [appellant sub 1] en anderen is onvoldoende duidelijk welke geluidwerende eigenschappen de bestaande bebouwing heeft en dient te hebben en welk deel van de bebouwing als geluidwand dient te fungeren. Op basis van de bouwvergunning kan niet worden vastgesteld wat de geluidwerendheid van de bebouwing is. Zij stellen dat de huidige bebouwing is voorzien van golfplaten met grote openingen. Voorts is in het plan niet vastgelegd dat na eventuele calamiteiten een zodanige geluidafscherming zal worden gerealiseerd dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woningen is gewaarborgd.

7.1. Aan de noordzijde van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" is de aanduiding "geluidafscherming" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.2, aanhef en onder c, van de planregels is het gebruik overeenkomstig de bestemming "Bedrijf" uitsluitend toegestaan indien ter plaatse van de aanduiding "geluidafscherming" de bestaande bebouwing in stand wordt gehouden.

7.2. In hoofdstuk 5 van het akoestisch rapport staat dat aan de noordzijde van het perceel [locatie 1] een loods aanwezig is. Deze loods is recentelijk deels vernieuwd en zal niet worden gesloopt. Onderzocht is wat het akoestische effect is van de loods op het terrein waarbij rekening is gehouden met de afschermende werking van de loods en de geluiduitstraling van de loods. Zoals de raad ter zitting heeft toegelicht is hierbij uitgegaan van de bij de bouwvergunning behorende tekeningen en de informatie die is ingewonnen tijdens een locatiebezoek. Niet valt in te zien dat aldus onvoldoende inzicht bestond in de geluidwerendheid van de bebouwing. Voorts staat in het akoestisch rapport dat tijdens het locatiebezoek is gebleken dat de muren deels uitgevoerd zijn als half steens en deels als geprofileerd staalplaat. Verder is gebleken dat er geen geluidlekken aanwezig zijn in de bestaande bebouwing. Gelet hierop volgt de Afdeling niet het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat onvoldoende duidelijk is welke geluidwerende eigenschappen de bestaande bebouwing heeft en dient te hebben en welk deel van de bebouwing als geluidwand dient te fungeren. Voorts hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat in het akoestisch rapport van onjuiste geluidwerende eigenschappen is uitgegaan. Verder is naar het oordeel van de Afdeling met artikel 3, lid 3.1.2, aanhef en onder c, van de planregels voldoende gewaarborgd dat de bestaande bebouwing met geluidwerende eigenschappen na eventuele calamiteiten opnieuw wordt opgericht. Het voortzetten van het gebruik van de gronden overeenkomstig de bestemming "Bedrijf" zonder deze bebouwing is immers in strijd met deze bepaling. Het betoog faalt.

8. Voorts kunnen [appellant sub 1] en anderen zich niet verenigen met artikel 4, lid 4.1, van de planregels. In deze bepaling zijn volgens hen ter plaatse van de noordelijke uitrit ten onrechte twee transportbewegingen per etmaal toegestaan, hetgeen volgens hen niet te handhaven is. Voorts stellen zij hiervan onaanvaardbare geluidoverlast te zullen ondervinden. [appellant sub 1] en anderen stellen verder dat ten gevolge van het parkeren op de gronden met de bestemming "Tuin" geluidoverlast wordt ondervonden.

8.1. Ingevolge artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer mag het zogenoemde langtijdtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen niet meer bedragen dan 50 dB(A) in de dagperiode, 45 dB(A) in de avondperiode en 40 dB(A) in de nachtperiode en mag het maximale geluidniveau ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen niet meer bedragen dan 70 dB(A) in de dagperiode, 65 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode.

Ingevolge artikel 2.20 kan het bevoegd gezag in afwijking van de waarden, bedoeld in artikel 2.17, bij maatwerkvoorschrift andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau vaststellen.

8.2. Ter plaatse van de noordelijke inrit op het perceel [locatie 1] zijn de bestemming "Tuin" en de aanduiding "transportbewegingen toegestaan" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, alsmede ter plaatse van de aanduiding "transportbewegingen toegestaan" voor maximaal 2 bedrijfsmatige transportbewegingen per etmaal met uitsluitend lichte voertuigen.

Ingevolge lid 4.3.1, aanhef en onder a, wordt onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in ieder geval begrepen het gebruiken of laten gebruiken van de gronden en/of opstallen binnen deze bestemming ten behoeve van het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten.

8.3. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat handhaving van artikel 4, lid 4.1, van de planregels mogelijk is. [appellant sub 1] en anderen hebben met hun enkele stelling dat handhaving niet mogelijk is het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Wat betreft de gestelde overlast ten gevolge van het parkeren op de gronden met de bestemming "Tuin" overweegt de Afdeling dat dit parkeren ingevolge artikel 4, lid 4.3.1, aanhef en onder a, van de planregels niet is toegestaan.

In het akoestisch rapport, waarin is uitgegaan van een onbeperkt gebruik van de noordelijke uitrit, staat dat alleen aan de streefwaarden ter plaatse van de woningen van derden voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus van 45 dB(A) kan worden voldaan indien het gebruik van de noordelijke uitrit niet wordt toegestaan. In de memo van de Omgevingsdienst Midden-Holland van 9 september 2013 zijn op verzoek van de raad de akoestische gevolgen onderzocht van twee vervoersbewegingen per etmaal ter plaatse van de noordelijke uitrit. In de memo van 9 september 2013 staat dat de te verwachten langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in dat geval niet uitkomen boven de streefwaarden. Dat is anders voor de maximale geluidniveaus. Het maximale geluidniveau ter plaatse van de woning aan de [locatie 3] zal 63 dB(A) bedragen, waarmee de streefwaarde in het Activiteitenbesluit milieubeheer met 3 dB(A) wordt overschreden. Met de maximale geluidniveaus ter plaatse van de overige woningen wordt aan de streefwaarden voldaan. De raad heeft evenwel niet onderzocht of bij maatwerkvoorschrift een maximaal geluidniveau van 63 dB(A) ter plaatse van de woning aan de [locatie 3] kan worden vastgesteld en of hij er op voorhand in redelijkheid van uit kan gaan dat deze stand kan houden in een beroepsprocedure. Gelet hierop is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.

Het betoog slaagt.

Bouw- en gebruiksmogelijkheden

9. [appellant sub 1] en anderen betogen dat onvoldoende duidelijk is wat in het plan onder hobbymatige activiteiten moet worden verstaan.

9.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en lid 1.29, van de planregels wordt onder hobbymatig (gebruik) verstaan: het gebruiken voor eigen gebruik, niet zijnde bedrijfsmatig of in een omvang alsof het bedrijfsmatig is.

9.2. Gelet op de definitiebepaling in artikel 1, lid 1.29, van de planregels volgt de Afdeling het betoog van [appellant sub 1]en anderen dat onvoldoende duidelijk is wat in het plan onder hobbymatige activiteiten moet worden verstaan, niet. Het betoog faalt.

10. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de in het plan voorziene bouwhoogte te hoog is. Zij stellen dat het plan een aanzienlijke verhoging mogelijk maakt van de vergunde en bestaande maximale bouwhoogten op het perceel [locatie 1]. Er bestaat volgens hen geen noodzaak voor de voorziene maximale bouwhoogte. Voorts leidt het plan volgens [appellant sub 1] en anderen in zoverre tot een aantasting van hun uitzicht en het doorzicht op de achter het perceel [locatie 1] liggende polder. Het voorgaande klemt volgens hen te meer nu ingevolge de planregels moet worden gemeten vanaf de weg, die hoger ligt dan het perceel [locatie 1]. [appellant sub 1] en anderen vrezen voorts dat gelet op de maximale bouwhoogte van 10 m een extra bouwlaag wordt gerealiseerd en stellen dat dit leidt tot meer units en dus een grotere bedrijfsoppervlakte. In de planregels is volgens hen dan ook ten onrechte niet bepaald dat geen extra bouwlaag mag worden gebouwd.

10.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en lid 1.39, wordt in de planregels onder peil verstaan:

a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang maximaal 5 m van de weg is gelegen: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;

b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte terrein dat het bouwwerk omgeeft (maaiveld).

Ingevolge artikel 2, aanhef en lid 2.1, wordt bij toepassing van de planregels de bouwhoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

Voor de overige relevante planregels verwijst de Afdeling naar 4.3.

10.2. De Afdeling stelt vast dat het bouwvlak ligt op een afstand van meer dan 14 m vanaf de weg. Gelet hierop moet, anders dan [appellant sub 1]en anderen kennelijk menen, ingevolge artikel 2, aanhef en lid 2.1, in samenhang met artikel 1, aanhef en lid 1.39, onder b, van de planregels voor de bouwhoogte van de bedrijfsbebouwing worden gemeten vanaf de gemiddelde hoogte van het maaiveld. De raad stelt dat de bouwhoogte goed aansluit bij de bestaande bebouwing op het perceel en in de omgeving van het plangebied en dat deze overeenkomt met de maximale bouwhoogten in het bestemmingsplan "Buitengebied". Voorts bedragen de afstanden tussen de woningen van [appellant sub 1] en anderen en het deel van het bouwvlak op het perceel [locatie 2] waaraan niet de aanduiding "bedrijfswoning" is toegekend tussen de 25 en 11 m. Gelet op deze afstanden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan leidt tot een zodanige aantasting van het uitzicht van [appellant sub 1] en anderen dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

Voorts is in artikel 3, lid 3.1, het aantal bedrijfsunits gemaximeerd. Er bestaat dan ook geen grond voor de vrees van [appellant sub 1]en anderen dat de bouw van een extra bouwlaag zal leiden tot meer units en daardoor tot een groter bedrijfsoppervlakte. De raad heeft gelet hierop in redelijkheid kunnen afzien van de vaststelling van een planregel die daarop ziet.

Gelet op het voorgaande geeft hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de in het plan voorziene bouwhoogte te hoog is. Het betoog faalt.

VNG-brochure

11. [appellant sub 1] en anderen betogen dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de te verwachten geur- en stofhinder. Zij wijzen erop dat het plan ook andere bedrijven mogelijk maakt, waarvoor een grotere richtafstand geldt in de VNG-brochure. De raad heeft niet gemotiveerd waarom het plan desondanks in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Voorts bestrijden [appellant sub 1] en anderen het standpunt van de raad dat het plangebied ligt in een gemengd gebied. Ook indien moet worden uitgegaan van een gemengd gebied, wordt volgens hen niet voldaan aan de richtafstand in de VNG-brochure nu de woning aan de [locatie 2] ligt op een afstand van 8,5 tot het bouwvlak van het perceel [locatie 1]. [appellant sub 1]en anderen betogen dat aan een deel van het plandeel aan de [locatie 2] ten onrechte de aanduiding "wonen uitgesloten" is toegekend. Voorts is de herbouw van de bebouwing binnen het plandeel aan de [locatie 2] na calamiteiten ten gevolge van het plan ten onrechte niet toegestaan. Gelet op het voorgaande diende de raad een vergoeding van de planschade aan te bieden.

11.1. Aan het plandeel aan de [locatie 2] is de bestemming "Wonen" toegekend. Voorts is aan een deel van het perceel dat grenst aan de [locatie 1] de aanduiding "wonen uitgesloten" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. woningen;

b. bed & breakfast;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, groenvoorziening, parkeervoorzieningen, paden e.d. en overeenkomstig de in lid 5.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming.

Ingevolge lid 5.4.1 wordt onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in ieder geval begrepen het gebruiken of laten gebruiken van de gronden en/of opstallen binnen deze bestemming ten behoeve van:

a. het wonen ter plaatse van de aanduiding "wonen uitgesloten";

(…)

e. bewoning van vrijstaande bijgebouwen;

(…).

11.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2011 in zaak nr. 200907642/1/R1 stelt de raad dat wordt voldaan aan de in de VNG-brochure aanbevolen afstand van 10 m, zodat van een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1]en anderen geen sprake is. Nader onderzoek naar geur- en stofhinder heeft de raad dan ook niet noodzakelijk geacht.

11.3. In de VNG-brochure wordt voor milieucategorie 2 als richtafstand 30 m tot het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied genoemd en 10 m tot het omgevingstype gemengd gebied. De afstanden die de VNG-brochure geeft, gelden in beginsel tussen de grens van het bestemmingsvlak van een bedrijf enerzijds en de gevel van een woning anderzijds. In genoemde uitspraak van 7 september 2011 heeft de Afdeling als volgt overwogen:

"Volgens de plantoelichting is langs de landelijke weg Meije lintbebouwing gelegen, bestaande uit agrarische en niet-agrarische bedrijvigheid en woningbouw. In de directe omgeving van [locatie 1] bevinden zich een vleeskuikenhouderij, detailhandel, een reparatiebedrijf van landbouwmachines, een aannemersbedrijf, een schadeherstelbedrijf en een drietal rundveehouderijen, aldus de plantoelichting. Niet gebleken is dat dit onjuist is. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omgeving van het perceel [locatie 1] getypeerd kan worden als gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure."

[appellant sub 1]en anderen hebben geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan thans tot een ander oordeel moet worden gekomen ten aanzien van de vraag of de omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure. Ingevolge artikel 5, lid 5.2.2, aanhef en onder c, van de planregels is ter plaatse van de aanduiding "wonen uitgesloten" geen woning, inclusief aan- en uitbouwen toegestaan. Voorts zijn ingevolge artikel 3, lid 3.1.2, aanhef onder d, aanhef en sub 2, van de planregels ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" geen bedrijfsactiviteiten toegestaan. De afstand tussen de woning aan de [locatie 2] en het plandeel met de bestemming "Bedrijf" zonder aanduiding "bedrijfswoning" is meer dan 10 m. Gelet op het voorgaande is met de planregels bewerkstelligd dat de woning niet dichter dan 10 m tot de grens van de gronden waarop bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan, kan worden gebouwd. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat ten gevolge van het plan op dit punt geen ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en anderen plaatsvindt en dat nader onderzoek hiernaar niet nodig was. Wat betreft de bezwaren van [appellant sub 1] en anderen ten aanzien van de aanduiding "wonen uitgesloten" op het perceel [locatie 2], overweegt de Afdeling dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat de eigenaars of bewoners van dit perceel hierdoor onevenredig in hun belangen worden geschaad. Hierbij betrekt de Afdeling dat de aanduiding "wonen uitgesloten" is toegekend aan gronden waarop thans geen woning staat en dat niet is niet gebleken van concrete plannen om de huidige woning dichter naar de grens met het perceel [locatie 1] te bouwen. Verder hebben [appellant sub 1] en anderen niet geconcretiseerd welke bebouwing op het perceel [locatie 2] ingevolge het plan na calamiteiten niet mag worden herbouwd. Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 2]

Formeel

12. [appellant sub 2], die op het perceel [locatie 1] een loonspuitbedrijf exploiteert, betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:11 en 3:46 van de Awb. Zij voert hiertoe aan dat de raad het bestreden besluit gewijzigd heeft vastgesteld op basis van een nieuw milieukundig onderzoek en dat [appellant sub 2] niet in de gelegenheid is gesteld om op dit onderzoek te reageren. Volgens [appellant sub 2] is het plan zodanig gewijzigd ten opzichte van het ontwerp dat de raad een nieuw ontwerp ter inzage had moeten leggen.

12.1. Ingevolge artikel 3:11 van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

12.2. Het bestreden besluit is gewijzigd vastgesteld naar aanleiding van het akoestisch rapport dat naar aanleiding van de ingediende zienswijzen is opgesteld. Nu het akoestisch onderzoek waarop de raad zich bij de vaststelling van het plan heeft gebaseerd ten tijde van het ontwerp van het plan nog niet was opgesteld, is het niet een op het ontwerp betrekking hebbend stuk. Voorts heeft [appellant sub 2] voldoende de gelegenheid gehad het akoestisch rapport in deze beroepsprocedure aan de orde te stellen. Het betoog faalt.

12.3. Voorts kan de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Vast staat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen. Deze afwijkingen van het ontwerp zijn naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Het plan is ten opzichte van het ontwerp in die zin gewijzigd dat - kort gezegd - de bestaande bedrijfssituatie planologisch is vastgelegd, ter plaatse van de noordelijke uitrit het aantal bedrijfsmatige transportbewegingen is beperkt tot twee per etmaal en de toegestane maximale inhoudsmaat van de bedrijfswoning is teruggebracht van 1710 m3 naar 1480 m3. Voorts is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor een geluidafscherming. De gewijzigde motivering waarbij de raad zich heeft gebaseerd het akoestisch rapport betreft evenmin een omstandigheid op grond waarvan de raad zich op het standpunt had moeten stellen dat niet met de gewijzigde vaststelling van het plan kon worden volstaan. Dit betekent dat de raad niet gehouden was om de wettelijke voorbereidingsprocedure opnieuw te doorlopen of dat het plan ondeugdelijk is gemotiveerd. Het betoog faalt.

13. [appellant sub 2] betoogt dat de raad zich voor de gewijzigde vaststelling van het plan ten onrechte heeft gebaseerd op de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 augustus 2012 in zaak nrs. 10/6167 en 11/3035. Zij voert hiertoe aan dat deze uitspraak ten tijde van het bestreden besluit nog niet onherroepelijk was en de Afdeling deze uitspraak bij haar uitspraak van 27 november 2013 in zaak nr. 201208767/1/A1 heeft vernietigd. Anders dan de rechtbank, oordeelde de Afdeling dat de bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie 1] onder het overgangsrecht van de voorgaande bestemmingsplannen vielen.

13.1. De raad stelt dat de uitspraak van de rechtbank van 1 augustus 2012 niet heeft geleid tot de gewijzigde vaststelling van het plan. Naar aanleiding van deze uitspraak is alleen de plantoelichting op een ondergeschikt punt gewijzigd. Zoals hiervoor, onder 12.2, is overwogen, is het bestreden besluit gewijzigd vastgesteld naar aanleiding van het akoestisch rapport dat naar aanleiding van de ingediende zienswijzen is opgesteld. Het voorgaande volgt ook uit het bestreden besluit. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om aan deze stelling van de raad te twijfelen. Gelet hierop mist het betoog van [appellant sub 2] feitelijke grondslag.

14. [appellant sub 2] stelt dat de digitale verbeelding afwijkt van de papieren versie.

14.1. Desgevraagd heeft [appellant sub 2] ter zitting toegelicht dat de discrepantie tussen de digitale en de papieren verbeelding volgens haar is gelegen in de zichtbaarheid van de aanduiding ter plaatse van de uitrit en de tuin bij de woning aan de [locatie 1]. De Afdeling stelt vast dat niet alleen uit de digitale verbeelding, die juridisch bindend is, maar ook uit de papieren verbeelding blijkt welke aanduiding is toegekend aan de gronden waarop de uitrit en de tuin liggen en dat van een discrepantie tussen de verbeeldingen geen sprake is. Het betoog mist dan ook feitelijke grondslag.

Verordening 2012

15. [appellant sub 2] stelt dat het ontwerpplan in overeenstemming is met het provinciale beleid. Volgens haar is niet duidelijk of het vastgestelde plan niet in strijd is met de Verordening ruimte 2012 van Noord-Brabant (hierna: Verordening 2012). Zij wijst erop dat het college van gedeputeerde staten op 4 juli 2013 een voorbereidingsbesluit heeft genomen.

15.1. [appellant sub 2] heeft in haar beroepschrift noch ter zitting geconcretiseerd op welk punt het plan in strijd is met de Verordening 2012 of het voorbereidingsbesluit van 4 juli 2013. Reeds hierom faalt het betoog.

Geluid

16. [appellant sub 2] betoogt dat de raad zich ten onrechte heeft gebaseerd op het akoestisch rapport. Zij betwist het uitgangspunt in het akoestisch rapport dat ter plaatse van de woningen van derden niet kan worden voldaan aan de voorkeurswaarde, nu de noordelijke uitrit niet continu en niet in de nachturen wordt gebruikt. Dit blijkt volgens haar ook uit de gedane melding in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het aantal transportbewegingen ter plaatse van de noordelijke uitrit is volgens haar dan ook ten onrechte beperkt tot twee per etmaal. Voorts is de geluidbelasting ten gevolge van het gebruik van de uitritten volgens [appellant sub 2] ondergeschikt aan de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Meije. Verder zijn in het akoestisch rapport invoergegevens gebruikt die niet overeenkomen met de feitelijke bedrijfsvoering. [appellant sub 2] verwijst naar het in haar opdracht vastgestelde rapport van Ureka Juridisch advies- & Incassoburo van 14 oktober 2014 (hierna: het rapport van Ureka).

Volgens [appellant sub 2] bestaat geen noodzaak tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Nu in de maatwerkvoorschriften strengere geluidvoorwaarden zijn voorgeschreven dan die gelden ingevolge artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zijn de maatwerkvoorschriften volgens haar in strijd met het gelijkheidsbeginsel vastgesteld.

16.1. Bij de vaststelling van het plan dient de raad te bezien of de in het plan geboden maximale mogelijkheden ruimtelijk aanvaardbaar zijn.

De raad heeft zich dan ook terecht gebaseerd op het akoestisch rapport waarin, zoals hiervoor, onder 6.2, is overwogen, is uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plan. In de memo van 9 september 2013 zijn op verzoek van de raad de akoestische gevolgen onderzocht van twee vervoersbewegingen ter plaatse van de noordelijke uitrit per etmaal. In de memo van 9 september 2013 staat dat de te verwachten langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in dit geval niet uitkomen boven de streefwaarden. Op basis van deze bevindingen heeft de raad het aantal vervoersbewegingen ter plaatse van de noordelijke uitrit in het plan beperkt tot twee per etmaal. Met de verwijzing van [appellant sub 2] naar de conclusies in het akoestisch rapport dat aan het ontwerpplan ten grondslag lag en het rapport van Ureka heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch rapport en de memo van 9 september 2013 zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad zich daar bij de vaststelling van het plan niet op heeft mogen baseren. Daarbij is van belang dat, anders dan in het rapport Ureka staat, in tabel 3.2 op p. 7 van het akoestisch rapport invoergegevens betreffende aantallen en soorten voertuigen bij de uitritten staan vermeld.

Voorts geeft hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat dat de raad er op voorhand in redelijkheid niet van uit kunnen gaan dat de maatwerkvoorschriften stand kunnen houden in een beroepsprocedure. Daartoe is van belang dat het bevoegd gezag, anders dan [appellant sub 2] kennelijk veronderstelt, bevoegd is om bij maatwerkvoorschriften lagere waarden vast te stellen dan genoemd in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het betoog faalt.

Bouw- en gebruiksmogelijkheden

17. [appellant sub 2] betoogt dat zij door de gebruiks- en bouwmogelijkheden in het plan ten opzichte van het ontwerpplan onevenredig in haar bedrijfsvoering wordt beperkt. Ten onrechte is volgens haar een maximum opgenomen voor het te bebouwen oppervlakte. Voorts zijn de bedrijfsmatige en hobbymatige activiteiten volgens [appellant sub 2] ten onrechte beperkt tot categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Door het aantal transportbewegingen ter plaatse van de noordelijke uitrit te beperken tot twee per etmaal, worden de ontsluitingsmogelijkheden op het perceel [locatie 1] volgens [appellant sub 2] zodanig beperkt, dat een efficiënte bedrijfsvoering thans niet meer mogelijk is. Zij stelt onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 februari 2014 in zaak nr. 201311211/2/R3 dat het bestaande gebruik van de noordelijke uitrit onder het overgangsrecht valt. Voorts heeft de raad volgens [appellant sub 2] ten onrechte de bedrijfssituatie in 1992 als uitgangspunt genomen in plaats van de situatie op 3 januari 2003, nu deze situatie maatgevend is. Dit volgt volgens haar uit de uitspraak van de Afdeling van 27 november 2013 in zaak nr. 201208767/1/A1. [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte geen vrijstellingsbevoegdheid in het plan is opgenomen waarmee zij de bedrijfsvoering in de toekomst kan aanpassen.

Verder wordt volgens [appellant sub 2] in het plan ten onrechte een andere definitiebepaling gehanteerd voor het begrip bedrijfswoning dan in andere bestemmingsplannen in de omgeving. Ten onrechte is de maximale inhoud van de bedrijfswoning beperkt tot 1480 m³. Gelet hierop is de bestaande serre bij de bedrijfswoning volgens [appellant sub 2] niet als zodanig bestemd, terwijl de raad zich ten tijde van het ontwerpplan nog op het standpunt stelde dat deze in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. [appellant sub 2] wijst op een advies van AKD van 1 oktober 2012.

17.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.9, van de planregels wordt onder bedrijfswoning verstaan: een woning in of bij een gebouw op een terrein, enkel en alleen bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is.

Ingevolge lid 3.2.3, aanhef en onder b, geldt voor een bedrijfswoning dat de inhoud niet meer mag bedragen dan 1480 m3.

Voor de overige relevante planregels verwijst de Afdeling naar 4.3.

17.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 2] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het gebruik van de noordelijke uitrit onevenredig is beperkt. Daarbij is van belang dat het perceel aan de zuidkant ook een ontsluiting heeft en op het perceel veel ruimte is om te keren. Voor zover niet kan worden gekeerd met grote aanhangwagens heeft [appellant sub 2] ter zitting toegelicht dat zij met dergelijke aanhangwagens in totaal twee keer per dag gebruik maakt van de inrichting en dit is in het plan toegestaan. Voorts is van belang dat [appellant sub 2] ter zitting heeft erkend dat de bestaande bedrijfsvoering en de bestaande bebouwing op haar perceel in het plan als zodanig zijn bestemd. Voor zover zij stelt in haar toekomstige bedrijfsvoering te worden beperkt, overweegt de Afdeling dat de raad in dit geval in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang bij de omliggende woningen dan aan het belang van [appellant sub 2] om ruimte vrij te houden voor uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat concrete uitbreidings- dan wel ontwikkelingsplannen niet aannemelijk zijn gemaakt en evenmin dat uitbreiding van de toegestane bedrijfscategorieën of de bebouwingsoppervlakte nodig is voor de continuering van de bestaande en toegestane bedrijfsvoering.

Voorts heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat zij door de definitie voor bedrijfswoning in haar gebruiksmogelijkheden wordt beperkt. Dat in andere bestemmingsplannen in de gemeente Bodegraven-Reeuwijk een andere definitie wordt gehanteerd, is, wat daarvan ook zij, daarvoor onvoldoende.

Wat betreft de serre overweegt de Afdeling als volgt. In het bestreden besluit heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het niet wenselijk is om af te wijken van het algemene ruimtelijke beleid ten aanzien van de inhoudsmaten van bedrijfswoningen. Ter zitting heeft de raad gewezen op genoemde uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 juli 2014. Hierin oordeelde de rechtbank dat ten tijde van het daar bestreden besluit, omtrent een verzoek om omgevingsvergunning voor de serre, de serre vergunningvrij mocht worden opgericht gelet op artikel 3, aanhef en onder I, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Gelet hierop is de serre legaal opgericht. De Afdeling stelt voorop dat legale bouwwerken in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig dienen te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat er concreet zicht bestaat op verwijdering van het bouwwerk, omdat het overgangsrecht bedoeld is als overbrugging van een tijdelijke situatie. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, kan het bestaande bouwwerk onder het overgangsrecht worden gebracht. De raad heeft vorenstaande voorwaarden niet betrokken bij de vaststelling van het plan. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt dat een zodanige aanpassing van de bedrijfswoning of serre zal plaatsvinden dat binnen de planperiode aan de maximale inhoudsmaat van 1480 m3 zal worden voldaan. Voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat het gelet op de omstandigheid dat de serre legaal is opgericht niet nodig was om bij de vaststelling van de maximale inhoudsmaat voor de bedrijfswoning rekening te houden met de serre, overweegt de Afdeling als volgt. De omstandigheid dat, zoals de rechtbank in genoemde uitspraak heeft overwogen, voor het perceel [locatie 1] in de periode van 1 juli 2013 tot 11 februari 2014 geen planologisch regime gold en de serre gelet hierop ten tijde van de vaststelling van het plan vergunningvrij was, betekent niet dat de serre in het thans voorliggende plan als zodanig is bestemd. Nu in het thans voorliggende plan de maximale inhoud van de bedrijfswoning, waartoe de serre behoort, is beperkt tot 1480 m3 en de bedrijfswoning met de serre deze inhoudsmaat overschrijdt, is deze niet in overeenstemming met het bestemmingsplan.

Het betoog slaagt in zoverre.

Bestuurlijke lus

18. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft de zinsnede "alsmede ter plaatse van de aanduiding "transportbewegingen toegestaan" voor maximaal 2 bedrijfsmatige transportbewegingen per etmaal met uitsluitend lichte voertuigen" in artikel 4, lid 4.1, van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond.

In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover de bedrijfswoning inclusief serre op het perceel [locatie 1] niet als zodanig is bestemd, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond.

De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beslechting van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad dient daartoe:

- met inachtneming van overweging 8.3 te onderzoeken of bij maatwerkvoorschrift een maximaal geluidsniveau van 63 dB(A) ter plaatse van de woning aan de [locatie 3] kan worden vastgesteld en of hij er op voorhand in redelijkheid van uit kan gaan dat deze stand kan houden in een beroepsprocedure dan wel, indien daartoe aanleiding bestaat, een andere planregeling vast te stellen.

- met inachtneming van overweging 17.2 de planregels zodanig aan te passen dat de bedrijfswoning inclusief serre als zodanig is bestemd dan wel inzichtelijk te maken dat een zodanige aanpassing van de bedrijfswoning zal plaatsvinden dat binnen de planperiode aan de maximale inhoudsmaat van 1480 m3 zal worden voldaan.

Bij de voorbereiding van het eventueel te nemen besluit tot wijziging hoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Het besluit tot wijziging van het plan dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te worden gemaakt en te worden medegedeeld.

Slotoverweging

19. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 11 september 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan “[locaties]” te herstellen door:

- met inachtneming van overweging 8.3 te onderzoeken of bij maatwerkvoorschrift een maximaal geluidsniveau van 63 dB(A) ter plaatse van de woning aan de [locatie 3] kan worden vastgesteld en of hij er op voorhand in redelijkheid van uit kan gaan dat deze stand kan houden in een beroepsprocedure dan wel, indien daartoe aanleiding bestaat, een andere planregeling vast te stellen;

- met inachtneming van overweging 17.2 de planregels zodanig aan te passen dat de serre bij de bedrijfswoning als zodanig is bestemd dan wel inzichtelijk te maken dat een zodanige aanpassing van de bedrijfswoning of serre zal plaatsvinden dat binnen de planperiode aan de maximale inhoudsmaat van 1480 m3 zal worden voldaan;

- de wijziging(en) van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en

- de Afdeling en partijen de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2015

653.