Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:424

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
201307415/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2013, kenmerk 13.40B, heeft de raad het bestemmingsplan "Velp, witte vlekken" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307415/2/R2.

Datum uitspraak: 18 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

de raad van de gemeente Rheden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2013, kenmerk 13.40B, heeft de raad het bestemmingsplan "Velp, witte vlekken" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [appellante] en [belanghebbende] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door M. Geerts, Alphamo Beleggingsmaatschappij B.V., vertegenwoordigd door drs. L.A.F. Vorster, [belanghebbende] en anderen, bijgestaan door mr. J. Molenaar, advocaat te Arnhem, en de raad, vertegenwoordigd door D.J.L.J. van Dun, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij besluit van 25 maart 2014, kenmerk 14.24B, heeft de raad het bestemmingsplan "Velp, witte vlekken" opnieuw en gewijzigd vastgesteld.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere zitting. De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Op de zitting van 6 maart 2014 is tevens het beroep van de commanditaire vennootschap De Utrechtse Fondsen Vastgoed C.V., gevestigd te Zoetermeer, en anderen tegen het besluit van 19 juni 2013 behandeld.

De Afdeling heeft vervolgens de behandeling van dit beroep afgesplitst en voortgezet onder zaak nr. 201307415/3/R2.

Bij tussenuitspraak van 9 juli 2014 in zaak nr. 201307415/1/R2 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 25 maart 2014, kenmerk 14.24B en het besluit van 19 juni 2013, kenmerk 13.40B, te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 28 oktober 2014, kenmerk 14.78, heeft de raad het besluit van 25 maart 2014 gewijzigd vastgesteld.

[appellante] en [belanghebbende] en anderen zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld naar voren te brengen. [appellante] heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Bij brieven van 25 november 2014 en 16 december 2014 hebben [belanghebbende] en anderen hun beroepen ingetrokken.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Beroepen van [belanghebbende] en anderen

1. Bij brieven van 25 november 2014 en 16 december 2014 hebben [belanghebbende] en anderen hun beroepen ingetrokken.

Beroepen van [appellante]

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de raad in het besluit van 25 maart 2014 en het besluit van 19 juni 2013 niet heeft bestemd hetgeen hij heeft beoogd te bestemmen, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" dat betrekking heeft op het perceel [locatie], omdat de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" voor dit perceel abusievelijk niet in de elektronisch vastgestelde verbeelding behorende bij voornoemde besluiten is opgenomen. Voorts is overwogen dat de raad wat betreft dit plandeel in het besluit van 25 maart 2014 en het besluit van 19 juni 2013 niet heeft bestemd hetgeen hij heeft beoogd te bestemmen, nu het plan niet voorziet in de mogelijkheid tot het realiseren van een bovenbouw op het in de verbeelding aantal aangegeven bouwlagen op het perceel [locatie].

4. Bij tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 25 maart 2014 en het besluit van 19 juni 2013 te herstellen door een nieuw besluit te nemen teneinde de digitale verbeelding te laten overeenstemmen met de papieren versie van de verbeelding en daarop de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" op te nemen voor het perceel [locatie] en met inachtneming van de belangen van [belanghebbende] en anderen een nieuw besluit te nemen dat voorziet in een passende planregeling voor het perceel [locatie].

5. De raad heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak de in de tussenuitspraak omschreven gebreken in het besluit van 25 maart 2014 en het besluit van 19 juni 2013 beoogd te herstellen door het besluit van 25 maart 2014 ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" dat betrekking heeft op het perceel [locatie], gedeeltelijk te wijzigen bij besluit van 28 oktober 2014. Hierbij heeft de raad voor de gronden met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van het perceel [locatie] de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" in de verbeelding opgenomen. Voorts heeft de raad teneinde een bovenbouw op het in de verbeelding aantal aangegeven bouwlagen op het perceel [locatie] mogelijk te maken, de planregeling in artikel 1, lid 1.22, en artikel 12, lid 12.1, onder e, van de planregels aangepast.

Daarnaast heeft de raad de planregeling voor de bestemming "Gemengd - 1" gewijzigd vastgesteld.

5.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.22, van de planregels wordt onder bovenbouw verstaan: een gedeelte van een hoofdgebouw, danwel een gedeelte van een gebouw voor zover in het betreffende artikel in de bouwregels geen onderscheid is gemaakt in hoofdgebouwen en bijgebouwen, dat moet passen binnen de contour die ontstaat door:

a. een verticale verlenging van twee zijden van het op de plankaart aangegeven bouwvlak met 1,20 meter, gerekend vanaf de bovenkant van de onderliggende bouwlaag, gevolgd door een schuin vlak met een binnenhoek van 60 graden, en

b. een verticale verlenging van de overige zijden;

en welke contour slechts mag worden doorbroken door dakkapellen.

Binnen deze contour kunnen zich mogelijk één of meer bouwlagen bevinden die niet worden meegeteld bij het aantal bouwlagen bedoeld in de artikelen in hoofdstuk 2 van deze regels.

Ingevolge artikel 12, lid 12.1, onder e, zijn ter plaatse van het bouwvlak op de gronden tevens toegestaan gebouwen welke mogen bestaan uit:

1. een onderbouw;

2. het aantal bouwlagen zoals op de verbeelding is aangeduid;

3. een bovenbouw, waarbij de maximum goot- respectievelijk bouwhoogte zoals op de verbeelding is aangeduid niet mag worden overschreden.

5.2. Bij besluit van 28 oktober 2014 ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad het besluit van 25 maart 2014 vervangen. Dit besluit is, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geen onderwerp van dit geding, nu [appellante] daarbij onvoldoende belang heeft. Hiertoe overweegt de Afdeling dat het besluit van 28 oktober 2014 gelet op voornoemde bepalingen geheel tegemoet komt aan de beroepen van [appellante] tegen het besluit van 25 maart 2014 en het besluit van 19 juni 2013. Gelet hierop is voor [appellante] geen beroep van rechtswege tegen het besluit van 28 oktober 2014 ontstaan.

6. Gelet op de tussenuitspraak zijn de beroepen van [appellante] tegen het besluit van 25 maart 2014 en het besluit van 19 juni 2013 gegrond. Het besluit van 25 maart 2014 en het besluit van 19 juni 2013 dienen te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en de rechtszekerheid, voor zover aan het plandeel met de bestemming "Bedrijf" dat betrekking heeft op het perceel [locatie], niet de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" is toegekend, en voor zover het plan niet overigens voorziet in een passende planregeling voor het perceel [locatie].

7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Op het proceskostenformulier is namens R. ter Hoeven te kennen gegeven dat hij kosten heeft gemaakt voor een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Dit verzoek om vergoeding van de kosten voor verleende rechtsbijstand wordt niet ingewilligd, daar uit de stukken niet is gebleken van door een erkende rechtsbijstandverlener verrichte proceshandelingen die op grond van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Het op het proceskostenformulier gedane verzoek om vergoeding van de kosten voor een deskundigenrapport wordt niet ingewilligd, omdat niet is gebleken dat de kosten zijn gemaakt in verband met de behandeling van de voorliggende beroepen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellante] tegen het besluit van 25 maart 2014 en het besluit van 19 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Velp, witte vlekken" gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Rheden van 25 maart 2014, kenmerk 14.24B, en 19 juni 2013, kenmerk 13.40B, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Velp, witte vlekken", voor zover:

1. aan het plandeel met de bestemming "Bedrijf" dat betrekking heeft op het perceel [locatie] niet de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" is toegekend;

2. voor zover het plan niet voorziet in een passende planregeling voor het perceel [locatie];

III. veroordeelt de raad van de gemeente Rheden tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 42,14 (zegge: tweeënveertig euro en veertien cent);

IV. gelast dat de raad van de gemeente Rheden aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Hoekstra w.g. Van Soest-Ahlers

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2015

343-772.