Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:418

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2015
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
201409836/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, [locatie 1]" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409836/2/R6.

Datum uitspraak: 3 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna gezamenlijk in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te Brummen,

verzoekers,

en

1. de raad van de gemeente Brummen,

2. het college van burgemeester en wethouders van Brummen,

3. het dagelijks bestuur van het Waterschap Vallei en Veluwe,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, [locatie 1]" gewijzigd vastgesteld.

Bij besluit van 16 oktober 2014 heeft het dagelijks bestuur aan de firma [melkveehouderij] een vergunning op grond van de Waterwet verleend voor het lozen van hemelwater op oppervlaktewater vanwege een toename van verhard oppervlak van ongeveer 15.350 m² en het graven van twee waterbergingen op het perceel [locatie 1] te Brummen.

Bij besluit van 17 oktober 2014 heeft het college aan de firma [melkveehouderij] een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een rundveehouderij, bestaande uit het uitbreiden van de bestaande bedrijfswoning, het bouwen van een nieuwe bedrijfswoning, het bouwen van twee veestallen en het bouwen van een werktuigenberging op het perceel [locatie 1] te Brummen.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt, zoals bedoeld in artikel 3.30 en artikel 3.33 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

Tegen deze besluiten heeft [verzoeker] beroep ingesteld. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad, het college en het dagelijks bestuur hebben een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 januari 2015, waar [verzoeker], in de persoon van [verzoeker A], bijgestaan door mr. T.D. Rijs, advocaat te Zutphen, en de raad, het college en het dagelijks bestuur, alle vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Roelands-Fransen, advocaat te Den Haag, bijgestaan door mr. R. de Groote, werkzaam bij het Waterschap, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting H. [melkveehouderij] en A.G. [melkveehouderij] als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. De bestreden besluiten voorzien in de verplaatsing van de melkveehouderij van de firma [melkveehouderij] van [locatie 2] naar het perceel [locatie 1] te Brummen (hierna: het betrokken perceel), vanwege de dijkverlegging Cortenoever in het kader van het project "Ruimte voor de Rivier". De realisatie van de melkveehouderij op de nieuwe locatie zal volgens het milieueffectrapport "Melkveehouderij [melkveehouderij] [locatie 1] Brummen" (hierna: MER) in fasen plaatsvinden. In de eerste fase zullen nieuwe stallen worden gebouwd voor het houden van 316 melk- en kalfkoeien en 214 stuks vrouwelijk jongvee. In de tweede fase wordt het bedrijf uitgebreid door vergroting van de stallen voor het houden van maximaal 440 melk- en kalfkoeien en 265 stuks vrouwelijk jongvee.

3. [verzoeker] is woonachtig op het perceel [locatie 3] te Brummen en heeft vanuit zijn woning zicht op het betrokken perceel. [verzoeker] kan zich niet verenigen met de ontwikkelingen die de besluiten mogelijk maken. Hij beoogt met het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening onomkeerbare gevolgen te voorkomen. In dit verband voert hij een aantal gronden aan.

4. [verzoeker] betoogt dat de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) ten onrechte van toepassing wordt geacht op de bestreden besluiten.

4.1. De voorzieningenrechter overweegt dat dit betoog geen aanleiding geeft voor het treffen van een voorlopige voorziening. Indien dit betoog doel zou treffen, tast het de materiële rechtmatigheid van de bestreden besluiten niet aan. Bovendien acht de voorzieningenrechter niet op voorhand aannemelijk dat de bestreden besluiten zonder toepassing van de Chw niet of op andere wijze tot stand waren gekomen.

5. [verzoeker] stelt dat door provinciale staten van Gelderland enkel is besloten tot coördinatie van besluiten die nodig zijn om de maatregel Dijkverlegging Cortenoever uit te voeren. Er is volgens hem door provinciale staten niet besloten tot coördinatie ten aanzien van het onderhavige plan. De Wro biedt daarvoor volgens hem ook geen grondslag, omdat het geen inpassingsplan maar een bestemmingsplan betreft en omdat met dat plan geen provinciaal beleid tot uitvoering wordt gebracht.

5.1. In het besluit van provinciale staten van 16 december 2009 wordt als geval waarop de coördinatie betrekking heeft aangewezen het project IJsselsprong, zijnde de dijkverleggingen Cortenoever en Voorsterklei en breed water voor Zutphen. Het besluit vermeldt verder onder meer dat alle besluiten die nodig zijn om de gewenste maatregelen mogelijk te maken gecoördineerd worden voorbereid en bekendgemaakt. De plantoelichting vermeldt dat in het kader van "Ruimte voor de rivier" in de gebieden Cortenoever en Voorsterklei de rivierdijk wordt verlegd zodat de IJssel meer ruimte krijgt, en dat het bedrijf van [melkveehouderij] moet worden verplaatst als gevolg van de dijkverlegging in Cortenoever. Het Waterplan Gelderland 2010-2015 vermeldt dat de provincie onder meer inzet op realisering van het project "Ruimte voor de Rivier", en dat de dijkverlegging Cortenoever daarvan deel uitmaakt. De voorzieningenrechter gaat er vooralsnog van uit dat de bedrijfsverplaatsing die in de nu voorliggende besluiten mogelijk wordt gemaakt gezien het voorgaande kan worden beschouwd als uitvoering van provinciaal beleid. Verder is in de Wro naar zijn voorlopig oordeel het gebruik van de provinciale coördinatieregeling niet beperkt tot gevallen waarin een provinciaal inpassingsplan is vastgesteld. Overigens heeft ook de raad bij besluit van 17 oktober 2013 een coördinatiebesluit genomen met betrekking tot de hier aan de orde zijnde bedrijfsverplaatsing.

6. [verzoeker] betoogt dat het college de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen nu volgens hem ten onrechte een verklaring van geen bedenkingen van het college van gedeputeerde staten ontbreekt. Volgens hem gaat de omgevingsvergunning uit van een andere situatie dan de eerder aan [melkveehouderij] verleende vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998).

6.1. Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Nbw 1998 is titel 2 van hoofdstuk IX van die wet van toepassing op handelingen: a. waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en b. die tevens zijn aan te merken als projecten of andere handelingen waarvoor het verbod, bedoeld in artikel 19d, eerste lid, geldt.

Ingevolge artikel 47, tweede lid, is titel 2 van hoofdstuk IX van die wet niet van toepassing op projecten of andere handelingen die zijn toegestaan krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, of waarvoor een zodanige vergunning is aangevraagd. Artikel 47b maakt deel uit van deze titel.

Ingevolge artikel 47b, eerste lid, wordt een omgevingsvergunning die betrekking heeft op handelingen als bedoeld in artikel 47, eerste lid, niet verleend dan nadat het bestuursorgaan dat ten aanzien van de betrokken handelingen bevoegd is te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

6.2. Op 20 juni 2014 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [melkveehouderij] een vergunning verleend op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998. Deze vergunning ziet op het gehele project, met inbegrip van de toekomstige uitbreiding, waarbij als voorschrift is opgenomen dat het bedrijf in twee fasen wordt gerealiseerd. De omgevingsvergunning ziet op de realisatie van een deel van het gehele project, te weten de eerste fase. Nu de verleende vergunning op grond van de Nbw 1998 zowel de eerste als de tweede fase omvat was ten tijde van het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning een project dat of andere handeling die was toegestaan op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, aan de orde, zodat gelet op artikel 47, tweede lid, van die wet geen verklaring van geen bedenkingen nodig was.

7. [verzoeker] betoogt dat het voor dit project opgestelde milieueffectrapport (hierna: MER) niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Hij stelt dat een deugdelijk alternatievenonderzoek ontbreekt. Verder is volgens [verzoeker] ten onrechte geen rekening gehouden met de effecten van grootschalige mestbewerking en eventuele vergistingsinstallaties. Ten slotte is volgens hem in het MER en in de passende beoordeling in het kader van de Nbw 1998 uitgegaan van een verkeerde referentiesituatie, waarbij ten onrechte rekening is gehouden met positieve effecten voor de natuur als gevolg van de beëindiging van een aantal veehouderijen in de omgeving. Hij verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2014 in zaak nr. 201309655/1/R2, waaruit volgens hem volgt dat het positieve effect van de beëindiging van een agrarisch bedrijf waarvan al uit anderen hoofde vaststaat dat het wordt beëindigd, niet mag worden betrokken bij de beoordeling van de te verwachten effecten op de natuur.

7.1. In het MER is in hoofdstuk 4 ingegaan op de alternatieven voor verplaatsing naar het perceel [locatie 1]. Daar is vermeld dat het gaat om een bestaande bedrijfslocatie, op korte afstand van de bestaande landbouwgronden van initiatiefnemer, die tijdens de voorbereiding van de dijkverlegging beschikbaar is gekomen. De alternatieve locatie [locatie 4] is volgens het MER qua milieueffecten vergelijkbaar, maar ligt minder gunstig ten opzichte van de bestaande gronden van initiatiefnemer en wordt gebruikt voor de verplaatsing van een andere melkveehouderij. Verder is het perceel [locatie 5] in de afweging betrokken, maar dat perceel biedt onvoldoende ruimte en kent andere praktische bezwaren. Andere geschikte vrijkomende locaties in de buurt van het plangebied zijn er niet, aldus het MER. Verder vermeldt het verweerschrift dat de desbetreffende ondernemer wordt betrokken bij het, in verband met de hoogwaterveiligheid noodzakelijke, landbouwkundig beheer van de buitendijkse gebieden, en dat daartoe van belang is dat hij in de nabijheid van het buitendijkse gebied beschikt over een bouwperceel. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad daaraan doorslaggevend gewicht mogen toekennen. Hij ziet dan ook voorshands geen grond voor het oordeel dat het alternatievenonderzoek in het MER ontoereikend is geweest.

Voor zover [verzoeker] betoogt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met milieueffecten van grootschalige mestbewerking en vergistingsinstallaties, stelt de voorzieningenrechter vast dat naar aanleiding van het advies van 11 augustus 2014 van de Commissie voor de milieueffectrapportage artikel 3, lid 3.3.2 in de planregels is opgenomen, waarin is bepaald dat het bewerken of verwerken van mest geproduceerd buiten de inrichting niet is toegestaan. In het advies van de Commissie is voorts vermeld dat in het MER de mestbewerking en de effecten daarvan duidelijk zijn beschreven. Op voorhand zijn er dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van grootschalige mestbewerking bij het nemen van het bestreden besluit.

Naar aanleiding van de door [verzoeker] ingediende zienswijze is door [naam], in een notitie gedateerd 16 september 2014, ingegaan op de gehanteerde referentiesituatie. Daarin is verduidelijkt dat bij de passende beoordeling die aan dit plan ten grondslag is gelegd, in overeenstemming met de jurisprudentie, als referentiesituatie de feitelijk bestaande situatie is gehanteerd, die in dit geval overeenstemt met de vergunde situatie omdat de vergunde stalruimte bij de betrokken bedrijven volledig is benut. De voorzieningenrechter ziet voorshands geen grond voor het oordeel dat van een onjuiste referentiesituatie is uitgegaan. Ten aanzien van de door [verzoeker] aangehaalde uitspraak overweegt de voorzieningenrechter dat die uitspraak ten aanzien van één specifiek agrarisch bedrijf betrekking had op de toepassing van de door het college van gedeputeerde staten van Gelderland gehanteerde stikstofdepositiebank, die in het nu voorliggende geval geen rol speelt. Ten aanzien van een ander bedrijf werd in de aangehaalde uitspraak, samengevat weergegeven, geoordeeld dat de beëindiging van het desbetreffende agrarische bedrijf onlosmakelijk verband hield met de aanleg van een bedrijventerrein en een rondweg, waarvoor een vergunning op grond van de Nbw 1998 was verleend. Een situatie zoals door [verzoeker] beschreven, waarin positieve effecten werden meegewogen van de beëindiging van een toch al te beëindigen bedrijf, was daar dan ook niet aan de orde.

8. [verzoeker] betoogt dat onvoldoende zekerheid bestaat dat de verplaatsing van het bedrijf van [melkveehouderij] niet leidt tot een onaanvaardbare geurhinder ter plaatse van zijn woning. Naar zijn mening is ten onrechte afgezien van nader onderzoek naar de cumulatieve geursituatie.

8.1. De raad stelt dat hij heeft mogen uitgaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning van [verzoeker], omdat ruim wordt voldaan aan de vaste afstanden die moeten worden aangehouden op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv).

8.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom ten minste 50 meter. Voor melkrundvee is een dergelijke emissiefactor niet vastgesteld.

8.3. De woning van verzoekers ligt op ongeveer 460 meter van het bouwvlak van het betrokken perceel en is gelegen buiten de bebouwde kom. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 6 augustus 2014 in zaak nr. 201207794/1/R4) kan in een situatie als deze - waarin op grond van de Wgv tussen een veehouderij en een geurgevoelig object zoals een woning een vaste afstand moet worden aangehouden - wanneer aan die verplichting wordt voldaan in beginsel worden aangenomen dat bij het geurgevoelig object een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Gezien de ruime afstand tussen de woning van [verzoeker] en het bouwvlak voor het bedrijf, welke afstand circa 460 meter bedraagt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning. [verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aanwezigheid van het agrarisch bedrijf op [locatie 5], waarop hij desgevraagd ter zitting heeft gewezen, leidt tot een zodanige cumulatieve geurbelasting op zijn woning dat daar niet meer van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gesproken. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de afstand tussen de woning en het bedoelde bedrijf ruim 500 meter bedraagt.

9. [verzoeker] betoogt dat het plan vanuit bedrijfseconomisch oogpunt niet uitvoerbaar is.

9.1. De raad stelt dat het bedrijf van de initiatiefnemer financieel gezond is en acht het plan op grond van de hem verstrekte informatie economisch uitvoerbaar.

9.2. Ter zitting is van de zijde van de raad gesteld dat voor de financiering van de eerste fase van het project de benodigde middelen aanwezig zijn, nu een bank aan de initiatiefnemer een lening hiervoor heeft verstrekt. De lening voor de financiering van de tweede fase is in beginsel toegezegd. [verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze stellingen onjuist zijn. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter in hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van de uitvoerbaarheid van het plan binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

10. [verzoeker] voert aan dat sprake is van ongelijke behandeling. [verzoeker] wijst erop dat hij van het gemeentebestuur zijn woning enkel op een bestaand bouwperceel mocht bouwen, terwijl het bedrijf van [melkveehouderij] mag worden gerealiseerd op een onbebouwd weiland, naast het oude bouwblok.

10.1. Vast staat dat op het perceel [locatie 1], waar het bedrijf van [melkveehouderij] naartoe verplaatst wordt, al een agrarisch bedrijf aanwezig was. Het gaat dan ook niet om de realisatie van een nieuw agrarisch bouwperceel, maar slechts om vergroting en verplaatsing over korte afstand van de toegestane bebouwing binnen het perceel [locatie 1]. Deze verplaatsing heeft als doel het bedrijf van initiatiefnemer goed in te kunnen passen en een duurzame toekomstbestendige ontwikkeling van het bedrijf mogelijk te maken, aldus de raad. Voorts in aanmerking nemend dat de verplaatsing van de woning van [verzoeker] een burgerwoning betrof terwijl de nu bestreden besluiten zien op een melkveehouderij, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [verzoeker] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

11. [verzoeker] stelt dat vanwege de aanwezigheid van rust- en verblijfplaatsen van huismussen een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is die niet kan worden verkregen, en dat het plan daarmee niet uitvoerbaar is.

11.1. Naar aanleiding van de zienswijze van [verzoeker] is door Arcadis over de situatie van de huismussen op het betrokken perceel een memo opgesteld, gedateerd op 16 september 2014. In dit memo is geconcludeerd dat bij de realisatie van het project geen overtreding van de verbodsbepalingen in de Flora- en faunawet optreedt ten aanzien van de aanwezige huismussen, omdat de voorziene werkzaamheden de bestaande huismusnesten niet raken. Verder zal volgens het memo geen verstoring van huismussen plaatsvinden, omdat de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. [verzoeker] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel aan de conclusies in het memo van Arcadis. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

12. [verzoeker] betoogt dat het plan in strijd is met artikel 2.5.2.2 van de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening). Op grond van deze bepaling mag voor een rundveehouderij geen omschakeling plaatsvinden en dient aan de uitbreiding een grondgebruiksplan ten grondslag te liggen. [verzoeker] voert verder aan dat de Omgevingsvisie Gelderland (hierna: Omgevingsvisie) ten onrechte niet is betrokken bij de vaststelling van het plan.

12.1. De raad stelt dat de Omgevingsverordening en de Omgevingsvisie gezien hun datum van inwerkingtreding niet op het plan van toepassing zijn. Dat laat onverlet dat het plan inhoudelijk met zowel de Omgevingsverordening als de Omgevingsvisie in overeenstemming is, aldus de raad.

12.2. Ingevolge artikel 8.2.2, eerste lid, van de Omgevingsverordening is het bepaalde in hoofdstuk 2, waar artikel 2.5.2.2 deel van uitmaakt, van de verordening niet van toepassing op ten tijde van inwerkingtreding van deze verordening bestaande rechten.

Ingevolge het tweede lid, onder a, worden onder bestaande rechten onder meer verstaan een bestemmingsplan als bedoeld in deze verordening, inclusief de daarin opgenomen onheffings-, wijzigings-, en uitwerkingsmogelijkheden, voor zover dat plan onherroepelijk is, dan wel voor zover een ontwerp van dat plan ter inzage is gelegd voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening en daarop door gedeputeerde staten geen zienswijze is ingediend.

12.3. De Omgevingsverordening is op 24 september 2014 vastgesteld en is op 18 oktober 2014 in werking getreden. Het plan heeft vanaf 20 juni 2014 gedurende zes weken ter inzage gelegen, derhalve voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingsverordening. Het college van gedeputeerde staten heeft geen zienswijze naar voren gebracht tegen het ontwerpplan. De Omgevingsverordening is derhalve niet van toepassing op het plan. Ook de Omgevingsvisie is op 18 oktober 2014, dus na de vaststelling van het plan op 16 oktober 2014, in werking getreden. Overigens is de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden aan provinciaal beleid. Wel dient hij daarmee bij de belangenafweging rekening te houden. De raad heeft toegelicht dat in de Omgevingsvisie is vermeld dat de provincie individuele ondernemers ontwikkelingsruimte wil bieden door bijvoorbeeld vergroting van agrarische bouwpercelen toe te staan en dat de Omgevingsvisie het belang benadrukt van een goed waterbeheer dat niet zonder de medewerking van land- en tuinbouw kan.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de Omgevingsverordening, en evenmin voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de Omgevingsvisie.

13. [verzoeker] stelt dat het plan in strijd is met het gemeentelijk beleid, neergelegd in het Landschapsbeleidsplan 2008 (hierna: landschapsbeleidsplan).

13.1. In paragraaf 3.4.2 van de plantoelichting zijn de doelstellingen van het landschapsbeleidsplan voor de uiterwaarden van Brummen vermeld. Tevens is vermeld dat bij de inrichting van het erf rekening wordt gehouden met deze doelstellingen. In het verweerschrift wordt uiteengezet dat bij het opstellen van het landschapsplan, dat volgens de planregels moet worden gerealiseerd, rekening is gehouden met de uitgangspunten van het Landschapsbeleidsplan door de openheid van het plangebied te benadrukken. Verder worden door de positionering van de bedrijfsgebouwen in oost-westelijke richting de doorzichten en zichtlijnen zo veel mogelijk behouden, aldus het verweerschrift. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening zou zijn gehouden met het Landschapsbeleidsplan.

14. [verzoeker] betoogt dat de realisatie van het landschapsplan in het plan onvoldoende is gewaarborgd. Ook is volgens [verzoeker] de landschappelijke inpassing aan de zijde van de grootschalige bebouwing die is gericht naar het perceel van [verzoeker] volstrekt onvoldoende. [verzoeker] vreest daarbij dat vanuit zijn woning de geplande bebouwing niet aan het zicht zal worden onttrokken.

14.1. De raad stelt dat met de voorwaardelijke verplichting in artikel 3, lid 3.3.3., van de planregels de landschappelijke inpassing van het bouwplan voldoende is geborgd. Daarbij is ervan uitgegaan dat het bouwplan voor fase één eerst wordt opgeleverd waarna na inklinking de erfverharding wordt aangebracht. De raad heeft hiervoor gekozen omdat de beplanting de bouw zou kunnen belemmeren dan wel jonge aanplant door bouwwerkzaamheden beschadigd zou kunnen raken.

14.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.3.3., van de planregels wordt onder gebruik in strijd met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" verstaan het niet uitvoeren van het landschapsplan als omschreven in bijlage 1 bij de planregels. Binnen een termijn van twee jaar na oplevering van het bouwplan dient hieraan uitvoering te worden gegeven en daarna dient het in stand te worden gehouden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is met deze voorwaardelijke verplichting de uitvoering van het landschapsplan voldoende gewaarborgd, nu tegen overtreding van deze gebruiksregel handhavend zal kunnen worden opgetreden. Voorts ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat de bebouwing door de wijze waarop het landschapsplan in het plan is verankerd niet verantwoord in het landschap zal worden ingepast en dat onevenredige aantasting van het uitzicht vanuit de woning van [verzoeker] aan de orde zal zijn.

15. [verzoeker] betoogt dat niet alle vergunningplichtige onderdelen in de omgevingsvergunning zijn meegenomen. Ter zitting is door [verzoeker] nader toegelicht dat hij met name het oog heeft op aanlegvergunningplichtige activiteiten, zoals bijvoorbeeld het aanbrengen van de verharding op het perceel en het planten van bomen.

15.1. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gaat het bij de door [verzoeker] genoemde activiteiten niet om activiteiten die onlosmakelijk zijn verbonden met de activiteiten waarop de thans verleende omgevingsvergunning ziet, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat een eventueel benodigde vergunning voor deze activiteiten niet los van de nu verleende omgevingsvergunning zal kunnen worden aangevraagd en verleend.

16. [verzoeker] voert aan dat het bouwplan niet is voorzien van een deugdelijk advies van de welstandscommissie waaruit volgt dat het plan in overeenstemming is met de redelijke eisen van welstand.

16.1. Het college stelt dat de welstandscommissie een positief advies heeft uitgebracht over het bouwplan.

16.2. Naar aanleiding van de door [verzoeker] ingediende zienswijze is door het college aan de welstandscommissie een nadere motivering gevraagd. Deze nadere motivering is verwerkt in een advies van 29 september 2014. In het advies wordt ingegaan op de oriëntatie, vormgeving, de gevels en het materiaalgebruik van de woning en de stallen alsmede de verlichting. In het advies wordt geconcludeerd dat het bouwplan voldoet aan het welstandsbeleid en geen sprake is van strijd met redelijke eisen van welstand.

16.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak in zaak nr. 201400320/1/A4) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd, leidt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet tot het oordeel dat aan het advies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken kleven dat het college dit advies niet in redelijkheid aan zijn oordeel omtrent welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

17. [verzoeker] voert aan dat de gevolgen voor de waterhuishouding en het mogelijk ontstaan van wateroverlast onvoldoende zijn onderzocht en in de afweging zijn betrokken. Ten onrechte is volgens [verzoeker] uitgegaan van een toename aan verhard oppervlak van ongeveer 15.000 m², waar de oppervlakte van het bouwblok ongeveer 25.000 m² bedraagt en deze oppervlakte geheel mag worden bebouwd.

17.1. Het dagelijks bestuur stelt dat de vergunning slechts betrekking heeft op de eerste fase van het project, die voorziet in verharding van een oppervlakte van ten hoogste ongeveer 15.000 m2.

17.2. In het verweerschrift is beschreven dat de verleende watervergunning uitsluitend ziet op de eerste fase van het project. Voor de toekomstige uitbreiding in de tweede fase naar een oppervlak van 25.000 m² zal een nieuwe watervergunning moeten worden aangevraagd. Op voorhand ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor de verwachting dat een dergelijke vergunning niet zal kunnen worden verleend.

Conclusie

18. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding voor de verwachting dat de bestreden besluiten in de bodemzaak niet in stand zullen kunnen blijven. Om die reden, en de betrokken belangen in aanmerking genomen, ziet hij aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. Wat de belangenafweging betreft staat immers vast dat [melkveehouderij] zijn bedrijfsvoering elders moet beëindigen in verband met het project IJsselsprong en derhalve een aanzienlijk belang heeft bij spoedige verwezenlijking van het bouwplan, en voorts dat de afstand van de woning van [verzoeker] tot het bouwplan vrij aanzienlijk is. Daarbij onderkent de voorzieningenrechter dat het bouwplan tamelijk grootschalig is.

19. Voor zover de voorzieningenrechter in hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd geen aanleiding heeft gezien voor het treffen van een voorlopige voorziening, heeft hij zich niet uitgesproken over de mogelijkheid dat het relativiteitsvereiste, vastgelegd in artikel 8:69a van de Awb, in de bodemzaak aan vernietiging in de weg zou kunnen staan.

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, griffier.

w.g. Polak w.g. Oudenaarden

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2015

568-817.