Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:4061

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
201407487/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juli 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407487/1/V2.

Datum uitspraak: 24 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

2. [de vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), van 29 augustus 2014 in zaken nrs. 14/17928, 14/17930 en 14/17929 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 augustus 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam, heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

In het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling

1. Hetgeen in het incidenteel hogerberoepschrift is aangevoerd over onder meer de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling in het licht van het in de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1 neergelegde beoordelingskader en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2. Het incidenteel hoger beroep is kennelijk ongegrond.

In het hoger beroep van de staatssecretaris

3. De Afdeling ziet in de door de vreemdeling aangehaalde, bij de Europese Commissie aanhangige, klacht over de vraag of het achterwege laten van een zitting in hoger beroep verenigbaar is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, geen aanleiding om het hoger beroep van de staatssecretaris niet zonder zitting af te doen (zie de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2013 in zaak nr. 201309680/1/V3).

4. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling met zijn asielrelaas niet aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico te lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank in dit verband ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat hij geen inhoudelijk standpunt heeft ingenomen over het door de vreemdeling overgelegde rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (hierna: het iMMO) van 11 september 2013 (hierna: het iMMO-rapport). De vreemdeling heeft zijn gestelde identiteit en Guinese nationaliteit en herkomst niet aannemelijk gemaakt, zodat hij evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar zijn gestelde land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, aldus de staatssecretaris.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2012 in zaak nr. 201108311/1/V2) kan, indien de staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat de verklaringen met betrekking tot de herkomst, identiteit en nationaliteit van een vreemdeling ongeloofwaardig zijn, verdere beoordeling van het asielrelaas, daaronder begrepen de asielmotieven van de desbetreffende vreemdeling, achterwege blijven, omdat de asielmotieven slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van de herkomst, identiteit en nationaliteit van een vreemdeling.

4.2. Uit het onder 1 overwogene volgt dat de gestelde identiteit en Guinese nationaliteit en herkomst van de vreemdeling ook in deze procedure niet zijn komen vast te staan. Reeds hierom heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich een rechtsgrond voordoet voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Door in dit verband redengevend te achten dat de gestelde Guinese herkomst van de vreemdeling deel uitmaakt van het asielrelaas en dat in het iMMO-rapport is geconcludeerd dat de littekens van de vreemdeling goeddeels passen in dat relaas, heeft de rechtbank niet onderkend dat - wat er van het iMMO-rapport inhoudelijk ook moge zijn - uit dat rapport niet kan worden afgeleid in welk land de vreemdeling zijn littekens heeft opgelopen.

4.3. De grief slaagt.

5. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de inleidende beroepen alsnog ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 augustus 2014 in zaken nrs. 14/17928 en 14/17930;

IV. verklaart de door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Loon

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2015

284/572-781.