Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:4048

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-12-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
201503798/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:1710, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 maart 2014 heeft het college Rona Beheer onder oplegging van een dwangsom gelast het pand aan de Arumerweg 66 te Witmarsum (hierna: het perceel) ontoegankelijk te maken en te houden voor derden. Voorts heeft het college Rona Beheer onder oplegging van een dwangsom gelast de kozijnen/beglazing in de naar de straatzijde gerichte gevels in de oorspronkelijke staat terug te brengen dan wel te herstellen, waartoe de aangebrachte beplating dient te worden verwijderd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503798/1/A1.

Datum uitspraak: 30 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rona Beheer B.V, gevestigd te Leeuwarden,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 april 2015 in zaak nr. 14/3867 in het geding tussen:

Rona Beheer

en

het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân.

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2014 heeft het college Rona Beheer onder oplegging van een dwangsom gelast het pand aan de Arumerweg 66 te Witmarsum (hierna: het perceel) ontoegankelijk te maken en te houden voor derden. Voorts heeft het college Rona Beheer onder oplegging van een dwangsom gelast de kozijnen/beglazing in de naar de straatzijde gerichte gevels in de oorspronkelijke staat terug te brengen dan wel te herstellen, waartoe de aangebrachte beplating dient te worden verwijderd.

Bij besluit van 11 juli 2014 heeft het college het door Rona Beheer daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 15 juli 2014 heeft het college besloten over te gaan tot invordering van de door Rona Beheer verbeurde dwangsommen van in totaal € 20.000,00.

Het college heeft het door Rona Beheer tegen het besluit van 15 juli 2014 gemaakte bezwaar met toepassing van de artikelen 6:15 en 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) aan de rechtbank doorgezonden.

Bij uitspraak van 3 april 2015 heeft de rechtbank het door Rona Beheer tegen de besluiten van 11 juli en 15 juli 2014 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Rona Beheer hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nog nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2015, waar Rona Beheer, vertegenwoordigd door N. Rodenhuis, bijgestaan door mr. W. Sleijfer, advocaat te Leeuwarden, is verschenen.

Overwegingen

1. Op 31 oktober 2011 heeft het college aan Rona Beheer omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een aantal appartementen in het voormalig klooster op het perceel. De bouwwerkzaamheden zijn nog niet aangevangen. Het college heeft de in het besluit van 14 maart 2014 vermelde lasten opgelegd omdat de slechte staat van onderhoud van het leegstaande voormalig klooster in ernstige mate in strijd is met de redelijke eisen van welstand en het pand gezien de staat ervan gevaar oplevert voor derden.

Last onder dwangsom

2. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb wordt het bezwaarschrift ondertekend en bevat het ten minste de gronden van het bezwaar.

Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder a, kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is.

3. Rona Beheer betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid het door haar tegen het besluit van 14 maart 2014 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren. Hiertoe voert zij aan, dat het college bekend was met de gronden van bezwaar, die zij bij herhaling in het contact met het college kenbaar heeft gemaakt, dat in het bezwaarschrift uitdrukkelijk om overleg is verzocht en dat in de op 15 april 2014 aan haar gestuurde ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift is vermeld dat het gebruikelijk is een hoorzitting te houden. Rona Beheer betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college in dit geval in redelijkheid niet heeft kunnen afzien van het horen van Rona Beheer.

3.1. Rona Beheer heeft de gronden van haar bezwaar niet vermeld in haar bezwaarschrift van 24 maart 2014. Bij brief van 6 mei 2014 is Rona Beheer gewezen op dit verzuim en is zij in de gelegenheid gesteld het binnen vier weken te herstellen. Rona Beheer heeft de gronden van het bezwaar niet binnen de gestelde termijn alsnog ingediend.

De rechtbank heeft in hetgeen Rona Beheer heeft aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat het college naar gesteld door het veelvuldig overleg met Rona Beheer reeds bekend was met de bezwaren tegen de opgelegde lasten en Rona Beheer in het bezwaar heeft gevraagd om overleg leidt niet tot dat oordeel. Nu het college Rona Beheer in voormelde brief van 6 mei 2014 heeft gewezen op het ontbreken van de gronden van bezwaar en haar heeft verzocht dit verzuim te herstellen teneinde te voorkomen dat het bezwaar niet-ontvankelijk zal worden verklaard, was voor Rona Beheer duidelijk dat het niet alsnog indienen van de gronden binnen de gestelde termijn zou leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar. Gelet op deze brief, die dateert van na de ontvangstbevestiging van 15 april 2014, bestaat geen grond voor het oordeel dat Rona Beheer er vanuit heeft mogen gaan dat ook indien zij geen gebruik zou maken van de haar geboden gelegenheid het verzuim binnen de gestelde termijn te herstellen er nog een hoorzitting zou volgen waar zij de bezwaren naar voren zou kunnen brengen.

Met de rechtbank is de Afdeling voorts van oordeel dat het college van horen mocht afzien aangezien het bezwaar, naar volgt uit het voorgaande, kennelijk niet-ontvankelijk is.

Het betoog faalt.

Invorderingsbeschikking

4. Ingevolge artikel 5:37, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan, alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.

Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

5. Rona Beheer betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zodanige bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, dat het college van invordering had moeten afzien. Hiertoe voert zij aan dat het niet van haar gevergd kon worden aan de last die ziet op het herstel van de beglazing in de naar de straatzijde gerichte gevel te voldoen, nu de glazen ramen door vandalisme telkenmale worden ingegooid en het zaak is om het voormalig klooster gesloten te houden voor onbevoegden teneinde verdere vernieling te voorkomen.

5.1. Vast staat dat Rona Beheer dwangsommen van in totaal € 20.000,00 heeft verbeurd nu zij, naar niet in geschil is, niet binnen de gestelde begunstigingstermijn heeft voldaan aan de bij het besluit van 14 maart 2014 opgelegde last, voor zover die ziet op de kozijnen/beglazing van de naar de straatzijde gerichte gevels.

Het betoog van Rona Beheer dat het in redelijkheid niet van haar gevergd kan worden aan die last te voldoen, richt zich tegen het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom. Rona Beheer had deze grond naar voren kunnen brengen in het kader van het door haar gemaakte bezwaar tegen het besluit van 14 maart 2014. De rechtmatigheid van de opgelegde last onder dwangsom kan in het kader van de toetsing van het invorderingsbesluit niet meer aan de orde komen. In hetgeen Rona Beheer overigens heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college van invordering van de verbeurde dwangsommen had moeten afzien.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2015

604.