Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:4035

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-12-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
201501814/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:465, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 maart 2014 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Nationaliteitsrecht 2016/776
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501814/1/V6.

Datum uitspraak: 30 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 januari 2015 in zaak nr. 14/2215 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2014 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Bij besluit van 17 juni 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 januari 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2015, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E. Groenendijk, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, is verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

2.1. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

3. Bij besluit dat op of omstreeks 10 maart 2009 is verzonden (hierna: het besluit van 10 maart 2009) heeft de staatssecretaris een eerder verzoek van [appellant] van 26 maart 2008 om hem het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen. De reden daarvoor was dat [appellant] niet kon worden beschouwd als voldoende ingeburgerd in de Nederlandse samenleving, in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN). De staatssecretaris heeft aan dat besluit ten grondslag gelegd dat [appellant] het inburgeringsexamen niet of niet met goed gevolg heeft afgelegd, noch heeft aangetoond dat hij is vrijgesteld of ontheven van de verplichting tot het afleggen van het inburgeringsexamen. Tegen die afwijzing heeft [appellant] geen rechtsmiddelen aangewend.

Op 29 december 2011 heeft [appellant] het verzoek ingediend. De besluiten van 10 maart 2009 en 20 maart 2014 zijn van gelijke strekking, nu beide strekken tot afwijzing van een verzoek tot naturalisatie. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of het hiervoor onder 2 vermelde beoordelingskader aan toetsing van het besluit van 20 maart 2014, zoals gehandhaafd bij besluit van 17 juni 2014, in de weg staat. Derhalve heeft zij ten onrechte niet eerst beoordeeld of [appellant] aan het verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd en of zich een relevante wijziging van het recht voordoet.

4. [appellant] heeft bij indiening van het verzoek dezelfde verklaring van het Regionaal Opleidingen Centrum te Amsterdam van 8 september 2006 overgelegd als bij zijn eerdere aanvraag, zodat reeds hierom hierin geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is gelegen.

Verder is op voorhand uitgesloten dat de door [appellant] overgelegde brief van de Gemeente Sittard-Geleen van 27 juli 2010 aan het eerdere besluit kan afdoen, reeds omdat de in die brief genoemde vrijstelling van de inburgeringsplicht door de gemeente, niet in de RWN is opgenomen.

Evenzeer is op voorhand uitgesloten dat de door [appellant] overgelegde brief van de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: de DUO) van 23 februari 2011, met daarin de resultaten van door hem afgelegde examens, aan het eerdere besluit kan afdoen, reeds omdat dit document niet valt binnen de in de RWN opgenomen categorie documenten welke vrijstelling geven voor het afleggen van het inburgeringsexamen.

Voorts is op voorhand uitgesloten dat de brief van de DUO van 19 februari 2014, waarin staat dat [appellant] geen lening krijgt omdat hij op dat moment niet hoeft in te burgeren, aan het eerdere besluit kan afdoen. Daartoe is reeds redengevend dat de DUO niet bevoegd is om te bepalen of een verzoeker van het inburgeringsvereiste is vrijgesteld.

Evenzeer is op voorhand uitgesloten dat de door [appellant] overgelegde brief van de Gemeente Sittard-Geleen van 27 februari 2014 aan het eerdere besluit kan afdoen, reeds omdat daarin niet meer staat dan dat zij in verband met bezuinigingen geen cursus meer kan aanbieden.

De overige door [appellant] overgelegde stukken dateren van voor het besluit van 10 maart 2009, zodat reeds daarom hierin geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen.

4.1. Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen en zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en [appellant] voorts niet heeft aangetoond dat buitengewone omstandigheden bestaan waarin zeer zwaarwegende belangen op het spel staan, is voor toetsing van het besluit van 20 maart 2014, zoals gehandhaafd bij besluit van 17 juni 2014, geen plaats.

5. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond. De door [appellant] naar voren gebrachte hogerberoepsgronden behoeven geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 17 juni 2014 ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 januari 2015 in zaak nr. 14/2215;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Sevenster w.g. Oei

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2015

501.