Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:4032

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-12-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
201503204/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2014 heeft het college de verzoeken van [appellant] om handhaving met betrekking tot percelen op het bedrijventerrein Kieveen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503204/1/A1.

Datum uitspraak: 30 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Zweeloo, gemeente Coevorden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 april 2015 in zaak nr. 15/166 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Coevorden.

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2014 heeft het college de verzoeken van [appellant] om handhaving met betrekking tot percelen op het bedrijventerrein Kieveen afgewezen.

Bij besluit van 24 december 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door A. [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Buurman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] heeft vijf verzoeken om handhaving ingediend met betrekking tot verschillende percelen gelegen op het bedrijventerrein Kieveen te Zweeloo. Op 20 en 27 februari 2014 heeft [appellant] verzocht om handhavend optreden tegen de toegevoegde binnen- en buitenwinkelruimte op het perceel Klooster 43. Op 27 februari 2014 heeft [appellant] verzocht om handhavend optreden ten aanzien van het afvalscheidingstation, waarbij het kneuzen/shredderen van takken in de inrichting moet worden meegenomen. Op 17 maart 2014 heeft [appellant] verzocht om handhavend op te treden tegen het niet bedrijfsmatig bewonen van de bovenwoning op perceel Noordweg 2 (2a), tegen de vergunningverlening voor een tankstation met luifel op perceel Kieveen 2 en tegen de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de bouw van een bedrijfswoning op perceel Kieveen 2. Verder heeft [appellant] verzocht om strafrechtelijke vervolging van ambtenaren die betrokken zijn bij de vergunningverlening met betrekking tot perceel Kieveen 2.

Het college heeft de verzoeken afgewezen omdat ten aanzien van het niet bedrijfsmatig wonen van de bovenwoning op perceel Noordweg 2 concreet zicht op legalisering bestaat en ten aanzien van het overige niet is gebleken van een overtreding dan wel van klaarblijkelijk gevaar van een overtreding. Ten aanzien van het verzoek om strafrechtelijke vervolging heeft het college vermeld dat de gemeente daarin geen taak heeft.

2. Hetgeen [appellant] betoogt over de handelswijze van de gemeente in de procedure tot verlening van een omgevingsvergunning voor het tankstation en de daarbij door de gemeente begane strafrechtelijke overtredingen, kan in dit geding niet aan de orde komen.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn verzoeken om handhaving van de ingevolge het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen 1993" vereiste groenvoorzieningen. Ten onrechte ontbreken deze bij perceel Klooster 43 en perceel Noordweg 2.

3.1. Het geding wordt begrensd door de aan de besluitvorming ten grondslag liggende handhavingsverzoeken. De handhavingsverzoeken, zoals genoemd onder 1, hebben geen betrekking op handhaving van de bestemming "Groenvoorzieningen" bij genoemde percelen. Dat [appellant] in zijn handhavingsverzoeken heeft verzocht om algehele handhaving van het bestemmingsplan, leidt niet tot een ander oordeel nu dit verzoek te algemeen is. De gronden die betrekking hebben op het ontbreken van groenvoorzieningen dienen buiten beschouwing te blijven. Het betoog dat de rechtbank de beroepsgrond over de groenvoorzieningen onbesproken heeft gelaten leidt, hoewel terecht voorgedragen, dan ook niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte niet is opgetreden tegen de niet bedrijfsmatige bewoning van de bovenwoning op perceel Noordweg 2. Hij voert hiertoe aan dat ten onrechte het nieuwe bestemmingsplan bij de beoordeling is betrokken en niet is vastgehouden aan handhaving van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein 1993". Verder voert hij aan dat de bewoning eveneens in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, omdat geen van de bewoners werknemer is van het op het perceel gevestigde bedrijf.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 juli 2013 in zaak nr. 201211104/1/A1), vindt ingevolge artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaats. Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat het besluit op bezwaar wordt genomen met inachtneming van de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar en de op dat moment geldende rechts- en beleidsregels. Er bestaat geen aanleiding om op dit uitgangspunt een uitzondering te maken.

Op 30 september 2014 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan "Lokale bedrijventerreinen" vastgesteld. Dit bestemmingsplan is op 16 december 2014 in werking getreden. Gelet hierop was ten tijde van het nemen van het besluit van 24 december 2014 dit bestemmingsplan het ter plaatse geldende bestemmingsplan, zodat dit plan terecht bij de beoordeling is betrokken.

4.2. Op het perceel Noordweg 2 rust ingevolge het bestemmingsplan "Lokale bedrijventerreinen", onder meer, de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "bedrijfswoning".

Ingevolge artikel 1.11 van de planregels wordt onder een bedrijfswoning verstaan een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die kennelijk slechts is bedoeld voor de huisvestiging van (het huishouden van) de eigenaar of een werknemer van het bedrijf waartoe de woning behoort.

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a, is ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" maximaal één bedrijfswoning toegestaan.

4.3. Ter plaatse is het [installatiebedrijf] gevestigd. Blijkens de stukken is tussen dit bedrijf en [persoon], die woont in de bovenwoning, op 1 januari 2014 een oproepovereenkomst gesloten. Gelet hierop wordt de bovenwoning gebruikt voor huisvesting van een werknemer van het bedrijf. Dit gebruik is niet in strijd met het geldende bestemmingsplan. Het college was derhalve niet bevoegd handhavend op te treden tegen de bewoning van de bovenwoning.

4.4. Het betoog faalt.

5. Voor zover [appellant] betoogt te blijven bij de door hem ingebrachte stellingen en eisen, overweegt de Afdeling dat hij hiermee geen redenen heeft aangevoerd waarom de wijze waarop de desbetreffende eisen en stellingen in de aangevallen uitspraak zijn beoordeeld onjuist dan wel onvolledig zou zijn. In dit betoog bestaat dan ook geen aanleiding tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Helder w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2015

270-828.