Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:4031

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-12-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
201504731/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 mei 2015 heeft het college vastgesteld dat op de locatie [locatie] te De Rips (hierna: de locatie) een geval van ernstige verontreiniging aanwezig is waarvan spoedige sanering niet noodzakelijk is.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2016/28 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JM 2016/34 met annotatie van Y. Flietstra
JOM 2017/142
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504731/1/A4.

Datum uitspraak: 30 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het beroep van:

[appellant], wonend te De Rips,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2015 heeft het college vastgesteld dat op de locatie [locatie] te De Rips (hierna: de locatie) een geval van ernstige verontreiniging aanwezig is waarvan spoedige sanering niet noodzakelijk is.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2015, waar het college, vertegenwoordigd door A.H.P. Bosmans en drs. H.A. Veldhoen, beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, is verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is eigenaar en gebruiker van de locatie. Bij het bestreden besluit heeft het college, beslissend op een aanvraag van het college om naar aanleiding van een nader onderzoek een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bodembescherming te nemen, vastgesteld dat zich op de locatie een geval van ernstige bodemverontreiniging voordoet met onder meer een verontreiniging met koper en lood in de grond. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat in het rapport "Inspectie van de bodem middels eindsituatie bodemonderzoek t.p.v. de [locatie] en de [andere locatie] te De Rips" van 13 februari 2014 van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (hierna: OMWB) is geconcludeerd dat de interventiewaarden voor koper en lood in een bodemvolume van ongeveer 45 m3 worden overschreden. Spoedige sanering is volgens het college niet noodzakelijk. Wel heeft het college aanleiding gezien om gebruiksbeperkingen op te leggen.

2. [appellant] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zich op de locatie een geval van ernstige verontreiniging met koper en lood voordoet. Volgens hem heeft het college zijn standpunt ten onrechte uitsluitend gebaseerd op de conclusie in het rapport van OMWB. Hij wijst erop dat volgens het recentere rapport "Actualiserend onderzoek van een lood en koper verontreiniging aan de [locatie] te De Rips" van 7 juli 2014 van het bureau Milon (hierna: Milon) het bodemvolume dat is verontreinigd met lood en koper met concentraties boven de interventiewaarden op de locatie minder dan 25 m3 bedraagt. Daarmee is de omvang van het verontreinigde bodemvolume volgens [appellant] te gering om als ernstige verontreiniging aan te merken.

2.1. lngevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bodembescherming stellen gedeputeerde staten, naar aanleiding van een nader onderzoek, in een beschikking vast of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, nemen gedeputeerde staten in ieder geval een beschikking op aanvraag van degene die het nader onderzoek heeft overgelegd.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, stellen gedeputeerde staten in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, waarbij zij vaststellen dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, tevens vast of het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging leiden tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 37, vierde lid, kunnen gedeputeerde staten, indien zij vaststellen dat geen sprake is van risico’s als bedoeld in het eerste lid, bij de beschikking aangeven welke maatregelen in het belang van de bescherming van de bodem genomen moeten worden en op welke wijze en tijdstippen aan hen verslag wordt gedaan van de uitvoering van die maatregelen. Tevens kan worden aangegeven welke beperkingen in het gebruik van de bodem door de eigenaar, erfpachter of gebruiker van het grondgebied waar sprake is van ernstige verontreiniging, in acht worden genomen.

2.2. Het college heeft bij zijn beoordeling de Circulaire bodemsanering 2013 van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu toegepast. Op grond van deze Circulaire doet zich een geval van ernstige bodemverontreiniging voor indien voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde. Het college heeft bij het bestreden besluit de conclusie in het rapport van OMWB overgenomen, waarin het bodemvolume met verontreiniging met lood en koper met concentraties boven de interventiewaarden op de locatie is bepaald op ongeveer 45 m3.

2.3. Bij de aanvraag is het rapport van Milon en tevens - naar aanleiding van een verzoek van het college om de aanvraag aan te vullen - het reeds eerder opgestelde rapport van OMWB gevoegd. In het rapport van Milon is vermeld dat het verrichte onderzoek tot doel had om de vaststelling van de bodemverontreiniging met metalen ten opzichte van het rapport van OMWB te actualiseren. In het rapport van Milon is het bodemvolume met de verontreiniging met concentraties boven de interventiewaarden bepaald op ongeveer 22,5 m3.

Het college heeft aan het bestreden besluit geen kenbare beoordeling van dat rapport ten grondslag gelegd. Het heeft dan ook niet toereikend gemotiveerd op grond waarvan het niet de conclusie in dat rapport met geactualiseerde bevindingen, maar de conclusie in het oudere rapport van OMWB heeft overgenomen. De enkele overweging van het college dat de aanvrager heeft medegedeeld dat de bepaling van de omvang van de verontreiniging in het rapport van OMWB leidend is, vormt onvoldoende aanleiding om voorbij te gaan aan de conclusie in het rapport van Milon. Het is niet aan de aanvrager om te beslissen aan welk van de bij de aanvraag overgelegde rapporten meer gewicht toekomt.

Ter zitting heeft het college toegelicht dat het resultaat van een in het rapport van Milon vermelde meting van de mate van verontreiniging (boring 302) niet strookt met het resultaat van een in het rapport van OMWB vermelde meting op een zeer nabijgelegen meetpunt (boring 102). Volgens het college is het tijdsverloop van ongeveer een half jaar tussen de beide metingen te kort om het grote verschil tussen de resultaten daarvan te kunnen verklaren. Het college heeft gesteld het om die reden onwaarschijnlijk te achten dat de conclusie omtrent de omvang van de verontreiniging in het rapport van Milon juist is. De Afdeling overweegt ten aanzien hiervan dat het onderzoek door Milon is uitgevoerd ter actualisering van het door OMWB uitgevoerde onderzoek en dat het grote verschil tussen de resultaten van boring 102 en boring 302 ertoe heeft geleid dat het rapport van Milon een andere eindconclusie bevat dan het rapport van OMWB. Blijkens het verweerschrift en het verhandelde ter zitting houdt het college rekening met de mogelijkheid dat het resultaat van boring 302 in het rapport van Milon juist is en de verontreinigingscontour anders loopt dan is weergegeven in het rapport van OMWB en in bijlage 2 bij het bestreden besluit. Gelet hierop heeft het college met de hiervoor weergegeven toelichting niet inzichtelijk kunnen maken waarom het verschil tussen de conclusies in beide rapporten hem er bij het nemen van het bestreden besluit toe heeft geleid om de conclusie in het rapport van OMWB onverkort juist te achten.

Gelet op het voorgaande is het besluit van 21 mei 2015 niet deugdelijk gemotiveerd.

Het betoog slaagt.

3. Het beroep is gegrond. Het besluit van 21 mei 2015 dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding .

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 21 mei 2015, kenmerk Z.10758/D.81417;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2015

163-727.