Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:4012

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
201504202/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504202/1/V3.

Datum uitspraak: 17 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 28 april 2015 in zaak nr. 14/21478 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 16 september 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 april 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.H. van der Linden, advocaat te Almelo, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Volgens paragraaf B8/9.1.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals ten tijde van belang luidend, verstaat de staatssecretaris onder medische noodsituatie: die situatie waarbij een vreemdeling lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een termijn van drie maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.

2. In de grieven 1 en 2 klaagt de staatssecretaris, voor zover van belang, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de informatie van de behandelaars van de vreemdeling onvoldoende kenbaar in het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 16 juni 2014 is betrokken, omdat uit die informatie blijkt dat het gevaar voor suïcide reëel is en is gerelateerd aan een posttraumatische stressstoornis (hierna: ptss) en depressie. De staatssecretaris voert daartoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het BMA bij het opstellen van dit advies de meest recente informatie van de behandelaars van de vreemdeling heeft betrokken, en mede op basis daarvan gemotiveerd heeft geconcludeerd dat bij het staken van de behandeling van de vreemdeling geen medische noodsituatie valt te verwachten. Dat de door de rechtbank - niet nader gespecificeerde - aangehaalde informatie van de behandelaars over het reële gevaar voor suïcide niet als zodanig in het BMA-advies van 16 juni 2014 is vermeld, laat onverlet dat dit advies zorgvuldig tot stand is gekomen en voorts inzichtelijk en concludent is, aldus de staatssecretaris.

In grief 3 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank bij haar beoordeling ten onrechte belang heeft gehecht aan de door de vreemdeling overgelegde informatie van een sociaal begeleider van het Platform Vluchtelingen en Asielzoekers Enschede van 16 november 2014, nu deze informatie niet als een contra-expertise is aan te merken.

2.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1) strekt, indien en voor zover de staatssecretaris een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht ervan heeft vergewist dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent

2.2. Het BMA heeft op 16 juni 2014 aan de staatssecretaris een advies uitgebracht over de medische situatie van de vreemdeling (hierna: het BMA-advies). Uit het BMA-advies volgt dat ter beantwoording van de door de staatssecretaris voorgelegde vragen gebruik is gemaakt van de bij de aanvraag meegezonden stukken. Daarnaast heeft het BMA zelf informatie opgevraagd en verkregen van de behandelaars van de vreemdeling, die is vervat in de brief van 28 mei 2014. Het BMA-advies vermeldt dat, voor zover hier van belang, de vreemdeling psychische klachten heeft, die voortkomen uit een complexe ptss en een depressie NAO (niet anderszins omschreven). De vreemdeling heeft thans vooral klachten van nachtmerries en flashbacks. De mogelijke terugkeer leidt tot enorme angst volgens de behandelaars. In het verleden leidde dit tot suïcidale gedachten en gestes. De medische behandeling van de vreemdeling bestaat uit therapie, die vooral steunend en structurerend van aard is, en medicatie. Volgens het BMA-advies zal uitblijven van behandeling leiden tot enige toename van (angst)klachten maar zijn er geen aanwijzingen dat zich een medische noodsituatie zal ontwikkelen. De vreemdeling is niet duidelijk psychotisch of suïcidaal (geweest) en verder zijn er in het verleden geen ernstige crisissituaties geweest (als een gedocumenteerde suïcidepoging) en/of (gedwongen) opnames. De eerdere aanwezigheid van suïcidale gedachten en gestes acht de arts van het BMA onvoldoende zwaarwegend.

2.3. Uit het BMA-advies volgt dat de opsteller daarvan gebruik heeft gemaakt van de op dat moment meest recente informatie over de medische situatie van de vreemdeling, zoals neergelegd in de brief van 28 mei 2014. Het BMA en de behandelaars zijn aldus bij het beoordelen van de medische toestand van de vreemdeling van dezelfde medische gegevens uitgegaan.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 6 januari 2014 in zaak nr. 201305765/1/V3, betekent een verschil van inzicht over de uit die gegevens te trekken conclusies op zichzelf niet dat een advies van het BMA niet zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2015, in zaak nr. nr. 201404702/1/V1, volgt dat het BMA, zoals de staatssecretaris ter zitting bij de Afdeling in die zaak heeft toegelicht, voor de beantwoording van de vraag of een medische noodsituatie zal ontstaan, mede gelet op het Protocol Bureau Medische Advisering 2010 (www.ind.nl), de aanwezigheid van een verband tussen een eventueel risico op suïcide en het onderliggende ziektebeeld op zichzelf niet beslissend acht. Het BMA beoordeelt een dergelijk risico als zodanig op basis van de medische voorgeschiedenis van een vreemdeling en het ziektebeloop, bijvoorbeeld of sprake is geweest van opname in een psychiatrisch ziekenhuis. Daarbij gaat het BMA uit van de situatie in Nederland, omdat het daarbij betrekken van hetgeen er in het land van herkomst met een vreemdeling gebeurt als de behandeling wordt gestaakt te speculatief is.

In dit licht past de motivering in het BMA-advies, ter toelichting op het antwoord op de vraag of een medische noodsituatie zal ontstaan in deze zaak, dat de vreemdeling niet psychotisch is en er in het verleden geen ernstige crisissituaties en/of (gedwongen) opnames zijn geweest. Dit is door de vreemdeling ook niet weersproken. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het BMA-advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen dan wel niet inzichtelijk en concludent is. Een contra-expertise, die vereist is om de juistheid van de conclusie van het BMA te kunnen bestrijden, is niet overgelegd. Daarom heeft de staatssecretaris op goede gronden aangenomen dat bij beëindiging van de behandeling geen medische noodsituatie zal ontstaan. Het vorenstaande in aanmerking genomen, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de omstandigheid dat in het BMA-advies niet wordt ingegaan op het door de behandelaars gestelde verband tussen de suïcidedreiging en het ziektebeeld, maakt dat de staatssecretaris door te verwijzen naar voormeld advies zijn vergewisplicht heeft geschonden.

De door de rechtbank van belang geachte informatie van een sociaal begeleider van het Platform Vluchtelingen en Asielzoekers Enschede is niet afkomstig van een medisch deskundige. De staatssecretaris behoefde daarop in het kader van de in deze procedure voorliggende vraag of zich een situatie als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000 voordoet, niet uitdrukkelijk in te gaan. In zoverre is geen sprake van een motiveringsgebrek.

De grieven slagen.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 16 september 2014 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat de inhoud van de bij het besluit van 19 juni 2014 behorende aanbiedingsbrief van de staatssecretaris niet strookt met de conclusie van het BMA-advies van 16 juni 2014 dat geen sprake is van een medische noodsituatie.

4.1. De aanbiedingsbrief vermeldt dat uit voormeld BMA-advies blijkt dat bij de vreemdeling sprake is van suïcidaliteit en dat hiermee rekening moet worden gehouden bij het aan hem uitreiken van het besluit. De brief van 19 juni 2014 dient slechts ter bekendmaking aan de gemachtigde van de vreemdeling van het besluit tot afwijzing van de aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 en maakt daarvan dan ook geen deel uit. Hetgeen in de brief staat brengt niet met zich dat de staatssecretaris het BMA-advies van 16 juni 2014 niet aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

De beroepsgrond faalt.

5. De vreemdeling heeft verder in beroep aangevoerd dat de staatssecretaris bij zijn besluitvorming ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat hij ter voorkoming van suïcide constante zorg en ondersteunende gesprekken nodig heeft. De vreemdeling stelt in dit verband dat hij in Sierra Leone geen medisch of sociaal netwerk heeft.

5.1. Uit hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen volgt dat de staatssecretaris op grond van het door het BMA-advies van 16 juni 2014 ervan heeft mogen uitgaan dat geen medische noodsituatie zal ontstaan. Reeds hierom wordt, gelet op het bepaalde in paragraaf B8/9.1.2 van de Vc 2000, niet toegekomen aan hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd over mantelzorg.

De beroepsgrond faalt.

6. De vreemdeling heeft voorts aangevoerd dat voor hem in zijn land van herkomst, Sierra Leone, geen adequate behandeling vanwege de ebola-crisis aanwezig is. Nu al het medisch personeel zich daar bezighoudt met de bestrijding van ebola, kan hij reeds hierom niet worden behandeld, aldus de vreemdeling.

6.1. Nog daargelaten dat de vreemdeling het voormelde niet met medische stukken heeft gestaafd, betreft dit de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg, die volgens paragraaf B8/9.1.7 van de Vc 2000, niet bij de beoordeling van de aanvraag voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 moet worden betrokken.

De beroepsgrond faalt.

7. Tot slot heeft de vreemdeling aangevoerd dat de staatssecretaris hem in bezwaar ten onrechte niet heeft gehoord.

7.1. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

Gezien de motivering van het besluit van 19 juni 2014 en hetgeen de vreemdeling daartegen in bezwaar heeft aangevoerd is aan deze maatstaf voldaan. De beroepsgrond faalt.

8. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaren.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 28 april 2015 in zaak nr. 14/21478;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Roosmalen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2015

53.