Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:4009

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
201501868/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:3870, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 19 juli 2014 heeft de korpschef de vreemdeling bevolen onmiddellijk naar het grondgebied van Spanje terug te keren.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 62a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/7
JV 2016/36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501868/1/V3.

Datum uitspraak: 17 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

2. [de vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 februari 2015 in zaak nr. 14/22338 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij brief van 19 juli 2014 heeft de korpschef de vreemdeling bevolen onmiddellijk naar het grondgebied van Spanje terug te keren.

Bij besluit van 1 september 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 februari 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.C. Gelok, advocaat te Amsterdam, heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 6:3 is een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.

Ingevolge artikel 8:110, eerste lid, kan, indien hoger beroep is ingesteld, degene die ook hoger beroep had kunnen instellen, incidenteel hoger beroep instellen. De voorschriften omtrent het hoger beroep zijn van toepassing, tenzij in deze titel anders is bepaald.

Ingevolge artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), stelt de staatssecretaris de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij de vreemdeling in bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf.

Ingevolge het derde lid wordt de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onder b, opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven. Indien dit bevel niet wordt nageleefd of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van de vreemdeling is vereist, wordt tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit uitgevaardigd.

Ingevolge artikel 83a, vierde lid, zoals deze luidde ten tijde van belang, zijn de artikelen 8:110 tot en met 8:112 van de Awb niet van toepassing op een hoger beroep:

a. als bedoeld in artikel 95, eerste lid;

b. inzake een terugkeerbesluit of een inreisverbod, tenzij dat besluit of verbod deel uitmaakt van of wordt opgelegd tegelijk met het besluit op een aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14, 20, 28 of 33, dan wel ingevolge artikel 6:19 van de Awb wordt betrokken bij het hoger beroep tegen een dergelijk besluit.

Het hoger beroep van de staatssecretaris

2. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de brief van 19 juli 2014, waarin de vreemdeling is bevolen om onmiddellijk terug te keren naar Spanje, een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Daartoe betoogt hij, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, dat deze aanzegging geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven roept en derhalve geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb is, maar dat sprake is van een voorbereidingshandeling die deel uitmaakt van het vertrektraject. Gezien artikel 6:3 van de Awb is een voorbereidingshandeling niet appellabel, aldus de staatssecretaris.

2.1. De staatssecretaris heeft de vreemdeling op 19 juli 2014 opgedragen onmiddellijk naar Spanje te vertrekken. Indien hij dit bevel niet naleeft, dient de staatssecretaris ingevolge artikel 62a, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 een terugkeerbesluit uit te vaardigen, op basis waarvan de vreemdeling het grondgebied van de Europese Unie moet verlaten. Anders dan de staatssecretaris heeft aangevoerd, roept het bevel van 19 juli 2014 derhalve nieuwe rechtsgevolgen in het leven. Deze rechtsgevolgen zijn ook in dat bevel weergegeven. De brief van 19 juli 2014 is derhalve een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

De staatssecretaris kan evenmin worden gevolgd in zijn betoog dat dit besluit een voorbereidingshandeling is waartegen ingevolge artikel 6:3 van de Awb geen bezwaar of beroep open staat. De vreemdeling dient zich ingevolge het hem krachtens artikel 62a, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 gegeven bevel onmiddellijk te begeven naar het grondgebied van Spanje, de lidstaat waarvan hij een geldige verblijfsvergunning bezit. Door dit besluit wordt hij rechtstreeks in zijn belang getroffen.

2.2. De grief faalt. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk ongegrond.

Het (incidenteel) hoger beroep van de vreemdeling

3. De vreemdeling heeft bij brief van 3 april 2015 beoogd incidenteel hoger beroep in te stellen. Ingevolge artikel 83a, vierde lid, van de Vw 2000, zoals deze luidde ten tijde van belang, is geen incidenteel hoger beroep mogelijk in zaken over een separaat terugkeerbesluit. De Afdeling is van oordeel dat een nauwe samenhang bestaat tussen een separaat terugkeerbesluit en een krachtens artikel 62a, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 aan een vreemdeling gegeven bevel zich onmiddellijk naar het grondgebied van de desbetreffende andere lidstaat te begeven. Ingevolge deze bepalingen wordt de vreemdeling immers opgedragen zich naar die andere lidstaat te begeven en is de staatssecretaris, indien de vreemdeling dit bevel niet naleeft, gehouden tegen hem een separaat terugkeerbesluit uit te vaardigen. Gezien deze samenhang is de Afdeling van oordeel dat, anders dan abusievelijk is vermeld in de aan de vreemdeling gerichte brief van de Afdeling van 6 maart 2015, ook tegen een uitspraak over dat bevel geen incidenteel hoger beroep mogelijk is. Nu de hiervoor gemaakte uitzondering op de mogelijkheid van incidenteel hoger beroep niet uitdrukkelijk in de wet is opgenomen en de brief van de vreemdeling van 3 april 2015 voldoet aan de vereisten die door de wet aan een hogerberoepschrift worden gesteld, ziet de Afdeling onder de gegeven omstandigheden aanleiding die brief aan te merken als principaal hoger beroep. Het hogerberoepschrift van de vreemdeling is op 3 april 2015 bij de Afdeling binnengekomen, derhalve na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep. Gelet op hetgeen hiervoor uiteen is gezet, acht de Afdeling echter in dit geval de termijnoverschrijding verschoonbaar zodat aan de behandeling van het hoger beroep kan worden toegekomen. De Afdeling voegt daar evenwel aan toe dat een incidenteel hoger beroep tegen een uitspraak over een bevel als in onderhavige zaak aan de orde die na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep is ingediend, vanaf 17 december 2015 door de Afdeling niet-ontvankelijk zal worden verklaard en niet langer zal worden aangemerkt als principaal hoger beroep.

4. De vreemdeling klaagt dat de rechtbank de staatssecretaris ten onrechte niet heeft opgedragen het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

4.1. Aangezien de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond heeft verklaard, had zij tevens ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb de vergoeding van het betaalde griffierecht dienen te gelasten.

4.2. De grief slaagt. Het hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk gegrond.

Conclusie

5. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij heeft nagelaten de vergoeding van het betaalde griffierecht te gelasten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling gelasten dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het door de vreemdeling betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep vergoedt. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 februari 2015 in zaak nr. 14/22338, voor zover zij heeft nagelaten de vergoeding van het griffierecht te gelasten;

IV. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt;

VI. bepaalt dat van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een griffierecht van € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Nienhuis

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2015

466-759.