Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3998

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
201504136/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:8055, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504136/1/V3.

Datum uitspraak: 14 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 28 april 2015 in zaak nr. 14/21035 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 15 september 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 april 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris onzorgvuldig heeft gehandeld door de brieven van de huidige behandelaar van de vreemdeling van 17 juli 2014 en 24 juli 2014 niet aan het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) voor te leggen. Uit deze brieven blijkt volgens de rechtbank dat het BMA in het advies van 13 maart 2014 ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van concrete suïcidaliteit in de zin van plannen of ondernomen pogingen. Ook in de nota van 1 juli 2014 is het BMA ten onrechte ervan uitgegaan dat in de door de vreemdeling overgelegde medische stukken geen suïcidepoging is beschreven, gelet op de vermelding van de datum mei 2012 in de brief van de voormalige behandelaar van de vreemdeling van 26 september 2013 als antwoord op de vraag of onder meer sprake is geweest van een suïcidepoging, in samenhang gelezen met de brieven van 17 juli 2014 en 24 juli 2014. Om deze reden heeft de staatssecretaris voorts de nota van het BMA van 1 juli 2014 niet aan het besluit van 15 september 2014 ten grondslag mogen leggen, aldus de rechtbank.

1.1. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank, door aldus te overwegen, heeft miskend dat uit de brief van 26 september 2013 niet blijkt dat de vreemdeling in mei 2012 een suïcidepoging heeft ondernomen. Gelet hierop en nu de brieven van 17 juli 2014 en 24 juli 2014 dateren van na de nota van 1 juli 2014, heeft het BMA op basis van de op dat moment beschikbare informatie terecht in vorenbedoelde nota geconcludeerd dat in de door de vreemdeling overgelegde medische stukken geen suïcidepoging is beschreven. De staatssecretaris betoogt voorts dat de informatie uit de brief van 17 juli 2014, dat de vreemdeling in 2008 en 2009 in Armenië respectievelijk Moskou suïcidepogingen heeft ondernomen, is gebaseerd op de eigen verklaringen van de vreemdeling, niet is gestaafd met stukken en evenmin is gedocumenteerd in het medisch dossier van de vreemdeling. Daarnaast blijkt volgens de staatssecretaris uit de brief van 24 juli 2014 dat de vreemdeling in mei 2012 alleen suïcidegedachten had, hetgeen het BMA in het advies van 13 maart 2014 heeft betrokken. Derhalve heeft hij vorenbedoelde brieven niet aan het BMA hoeven voor te leggen, aldus de staatssecretaris.

1.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1 strekt, indien en voor zover de staatssecretaris een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

1.3. Aan het advies van het BMA van 13 maart 2014 is onder meer een brief van de voormalige behandelaar van de vreemdeling van 26 september 2013 ten grondslag gelegd. In die brief heeft de behandelaar op de vraag of sprake is geweest van klinisch psychiatrische opnames, BOPZ maatregelen, van psychotische klachten in het verleden of van andere belangrijke crisissituaties zoals een tentamen suïcide het volgende geantwoord:

"GGZ Friesland: mei 2012. In de behandeling is er sprake van het aanbieden van externe structuur en holding ter preventie van suïcidaal gedrag en tentamina suïcide."

Op vraag 1b naar de aard van de klachten heeft het BMA in het advies van 13 maart 2014 het volgende geantwoord:

"Nog steeds klachten van de buik waarvoor geen duidelijke oorzaak werd gevonden. Najaar 2013 een urinewegontsteking doorgemaakt. De arts werkzaam bij de GGZ noemt angst, onrust, achterdocht, weinig zelfvertrouwen, verdriet, slaapstoornis door herbelevingen, veel somatische pijnklachten, somatische angstequivalenten, ingehouden boosheid. Er is eenzaamheid en gevoel van verlatenheid. Intrinsiek levensmotivatie is niet aanwezig, er zijn suïcidale gedachten, paniekaanvallen met wanhoop en extreme machteloosheid."

Op vraag 3 of, gelet op de huidige medische inzichten, het uitblijven van behandelen zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn heeft het BMA het volgende geantwoord:

"Dit wordt niet verwacht. Er is een wisselende compliance met betrekking tot de behandeling, waardoor er feitelijk sprake is van onderbehandeling. Desalniettemin is er geen sprake van concrete suïcidaliteit (plannen of ondernomen pogingen), is er geen indicatie voor opname gesteld, is er geen toestand op grond waarvoor BOPZ maatregelen getroffen dienen te worden. Dit is ook niet in het recente verleden beschreven."

In een brief van 18 april 2014 vermeldt de huidige behandelaar van de vreemdeling, voor zover thans van belang, dat de verwikkelingen in haar asielprocedure onherroepelijk leiden tot een opleven van de trauma gerelateerde symptomen, dat de verkrachting en mishandeling weer naar boven komen door alle verwikkelingen in de asielprocedure en dat zij twee jaar geleden twee suïcidepogingen heeft gedaan uit wanhoop.

Op 24 juni 2014 heeft de staatssecretaris het BMA verzocht te reageren op de brief van 18 april 2014 en de suïcidepoging waar mogelijk mee te nemen.

In de daarop uitgebrachte nota van 1 juli 2014 heeft het BMA, voor zover thans van belang, te kennen gegeven dat in het gehele dossier van de vreemdeling geen door haar ondernomen poging tot zelfdoding is gedocumenteerd. Het BMA vermeldt dat in de brief van 26 september 2013 evenmin een door de vreemdeling ondernomen poging is beschreven, terwijl het volgens het BMA juist in deze vraag uitdrukkelijk beantwoord had kunnen worden. Met betrekking tot een eventuele verslechtering merkt de BMA-arts in voormelde nota op dat het haar lijkt dat iets dat in 2012 zou zijn voorgevallen niet kan dienen als een motivering voor het bestaan van een verslechtering in 2014.

In een brief van 17 juli 2014 vermeldt de huidige behandelaar dat de vreemdeling naar eigen zeggen suïcidepogingen heeft ondernomen in Armenië en Moskou.

In een brief van 24 juli 2014 vermeldt de huidige behandelaar dat haar suïcidepogingen in Armenië en Moskou medio 2008-2009 hebben plaatsgevonden. Voorts vermeldt de behandelaar dat de vreemdeling in mei 2012 veel last had van suïcide gedachten; zij wilde toen een overdosis aan medicijnen met veel alcohol innemen. Haar voormalige behandelaar kon haar hiervan weerhouden. De behandelaar geeft verder te kennen dat de fout in zijn overtuiging en die van de voormalige behandelaar is gelegen in het feit dat zij te onnauwkeurig de psychiatrische crises hebben gedocumenteerd in het patiëntendossier van de vreemdeling.

1.4. Uit het in de brief van 26 september 2013 gegeven antwoord op de vraag of sprake is geweest van klinisch psychiatrische opnames, BOPZ maatregelen, van psychotische klachten in het verleden of van andere belangrijke crisissituaties zoals een tentamen suïcide, blijkt niet dat een dergelijke gebeurtenis zich heeft voorgedaan. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat het BMA in het advies van 13 maart 2014 en de nota van 1 juli 2014 ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is geweest van concrete suïcidaliteit in de zin van concrete plannen of ondernomen pogingen. De brieven van 17 juli 2014 en 24 juli 2014 maken het voorgaande niet anders, nu deze brieven dateren van na het advies en de nota. Voorts heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de twee in de brief van 17 juli 2014 vermelde suïcidepogingen in 2008 en 2009 louter zijn gebaseerd op de verklaringen van de vreemdeling en niet zijn gestaafd met medische stukken. Evenzeer heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de huidige behandelaar in de brief van 24 juli 2014 heeft vermeld dat de vreemdeling in mei 2012 last had van suïcidegedachten, maar niet dat toen sprake is geweest van een concreet plan of een door haar ondernomen suïcidepoging. Gelet op het voorgaande en nu het BMA blijkens het advies van 13 maart 2014 in zijn oordeel heeft betrokken dat de vreemdeling suïcidegedachten heeft, heeft de staatssecretaris de brieven van 17 juli 2014 en 24 juli 2014 niet aan het BMA hoeven voorleggen. De rechtbank heeft het vorengaande niet onderkend.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 15 september 2014 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

3. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat, nu het BMA blijkens het BMA-protocol van oktober 2010 adviseert geen beslissingen te nemen op een medisch advies ouder dan zes maanden, het BMA ten onrechte niet is nagegaan of de informatie uit de brief van 26 september 2013, die aan het advies van het BMA van 13 maart 2014 ten grondslag ligt, nog een actueel beeld van haar medische situatie gaf. Vorenbedoelde informatie was ten tijde van het uitbrengen van het advies van 13 maart 2014 ruim vijf maanden oud, aldus de vreemdeling.

Dit betoog leidt niet tot het ermee beoogde doel. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 15 september 2014 terecht op het standpunt gesteld dat de brief van 26 september 2013 ten tijde van het uitbrengen van het advies van 13 maart 2014 nog geen zes maanden oud was, zodat geen sprake is van verouderde informatie en dat daarnaast de vreemdeling geen informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat de informatie in voormelde brief niet langer actueel is.

De beroepsgrond faalt.

4. Voorts heeft de vreemdeling in beroep betoogd dat uit de brief van haar huidige behandelaar van 18 april 2014, waarin is vermeld dat de verwikkelingen in haar asielprocedure onherroepelijk leiden tot een opleven van de trauma gerelateerde symptomen, blijkt dat haar medische situatie sinds het advies van het BMA van 13 maart 2014 is verslechterd en dat de staatssecretaris derhalve het BMA had moeten verzoeken een nieuw advies uit te brengen.

De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de brief van 18 april 2014 niet blijkt dat haar medische situatie is verslechterd, nu de daarin geschetste omstandigheden reeds in de brief van 26 september 2013, die overigens aan het advies van het BMA van 13 maart 2014 ten grondslag is gelegd, zijn vermeld. Gelet hierop en nu de vreemdeling de gestelde verslechtering van haar medische situatie niet heeft gestaafd met stukken, heeft de staatssecretaris geen aanleiding hoeven zien om het BMA om een nieuw advies te verzoeken.

De beroepsgrond faalt.

5. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond komt de Afdeling niet toe. Over die grond is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die grond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop het betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgrond valt thans dientengevolge buiten het geding.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 28 april 2015 in zaak nr. 14/21035;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.L. Crombach, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Crombach

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2015

689.