Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3990

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
201503423/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 maart 2015, kenmerk C2100418/3088, heeft het college de door [appellant] gevraagde vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor het wijzigen en uitbreiden van een veehouderij aan [locatie] te Maarheeze, geweigerd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Natuurbeschermingswet 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503423/1/R2.

Datum uitspraak: 23 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Maarheeze, gemeente Cranendonck,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2015, kenmerk C2100418/3088, heeft het college de door [appellant] gevraagde vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor het wijzigen en uitbreiden van een veehouderij aan [locatie] te Maarheeze, geweigerd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. E.T. Stevens, en het college, vertegenwoordigd door L.J.J.M. Klijs, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] heeft op 12 november 2012, aangevuld op 28 maart 2013, 3 juni 2014 en 3 juli 2014, een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 ingediend voor het wijzigen en uitbreiden van een veehouderij aan [locatie] te Maarheeze. Het bedrijf is gelegen in de omgeving van de Natura 2000-gebieden "Groote Peel", "Deurnsche Peel & Mariapeel", "Strabrechtse Heide & Beuven", "Weerter- en Budelerbergen & Ringselven" en "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux". Voor deze gebieden gelden als referentiedata 10 juni 1994, 24 maart 2000 en 7 december 2004.

2. Voor het bedrijf zijn voorafgaand aan de referentiedata vergunningen krachtens de Wet milieubeheer verleend, waaronder de milieuvergunning van 1 november 2004 voor een veebestand met een ammoniakemissie van 822,3 kg per jaar. Uit het bestreden besluit blijkt dat de gevraagde vergunning betrekking heeft op een veebestand met een ammoniakemissie van 2.553,16 kg per jaar. Voor de exploitatie van de veehouderij is niet eerder een vergunning op grond van de Nbw 1998 of de Natuurbeschermingswet (oud) verleend.

3. Bij besluit van 19 maart 2015 heeft het college de door [appellant] gevraagde vergunning geweigerd. In het bestreden besluit is vermeld dat de door [appellant] aangevraagde situatie leidt tot een toename van stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in voornoemde Natura 2000-gebieden ten opzichte van de vergunde situatie ten tijde van de referentiedatum 7 december 2004. Dit betreft de milieuvergunning van 1 november 2004. De omstandigheid dat deze milieuvergunning niet in werking is getreden aangezien geen bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning voor bouwen) is verleend, maakt volgens het college niet dat deze milieuvergunning niet als uitgangspunt kan worden genomen bij de beoordeling van de vraag of de aangevraagde situatie leidt tot een toename van de stikstofdepositie. Volgens het college is de vraag of een milieuvergunning daadwerkelijk in werking is getreden alleen relevant voor milieuvergunningen die in de periode vanaf de referentiedatum tot de datum van het nemen van het bestreden besluit zijn verleend. In dit geval is met de milieuvergunning van 1 november 2004 vóór de referentiedatum van 7 december 2004 toestemming verleend voor de veehouderij. Dit geval verschilt derhalve van de situatie in de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2015 in zaak nr. 201402020/1/R2 (www.raadvanstate.nl), die betrekking heeft op een niet in werking getreden milieuvergunning van na de relevante referentiedata, aldus het college.

4. [appellant] betoogt dat de gevraagde vergunning ten onrechte is geweigerd. Volgens hem heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de aangevraagde situatie leidt tot een toename van stikstofdepositie op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Daartoe voert [appellant] aan dat de omstandigheid dat de op 1 november 2004 verleende milieuvergunning niet in werking is getreden aangezien geen bouwvergunning is verleend, maakt dat deze milieuvergunning niet als uitgangspunt kan worden genomen bij de beoordeling van de vraag of de aangevraagde situatie leidt tot een toename van de stikstofdepositie. Hij wijst daarbij op voornoemde uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2015. Volgens [appellant] heeft de later verleende milieuvergunning van 2 januari 2006 als uitgangspunt te gelden bij de beoordeling van de effecten van de aangevraagde situatie.

5. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 31 maart 2010 in zaak nr. 200903784/1/R2 (www.raadvanstate.nl) kan een Nbw-vergunning worden verleend, indien de te vergunnen situatie niet leidt tot een verhoging van de stikstofdepositie ten opzichte van de vergunde situatie op de referentiedatum. De vergunde situatie op de referentiedatum kan worden ontleend aan hetgeen is vergund krachtens onder meer de Wet milieubeheer of de daaraan voorafgaande Hinderwet.

Bij het bestreden besluit heeft het college bij de beoordeling van de effecten van de aangevraagde situatie de milieuvergunning van 1 november 2004 als uitgangspunt genomen. Deze vergunning is verleend op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer gelezen in samenhang met artikel 8.4 van die wet, zoals deze luidde ten tijde van belang (hierna: Wet milieubeheer (oud)). Ingevolge artikel 20.8 van de Wet milieubeheer (oud) treedt een milieuvergunning zoals hier aan de orde, in gevallen waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting, dat tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet, niet eerder in werking dan nadat de betrokken bouwvergunning is verleend. De verandering van de inrichting waarop de milieuvergunning van 1 november 2004 betrekking heeft, is tevens aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet. Daarvoor is evenwel nimmer een bouwvergunning verleend. Derhalve is de milieuvergunning van 1 november 2004 niet in werking getreden en bovendien is ingevolge artikel 8.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer (oud) deze milieuvergunning op 1 november 2007 van rechtswege vervallen. Gelet hierop was de situatie waarop de milieuvergunning van 1 november 2004 betrekking heeft niet de vergunde situatie op de referentiedatum, zodat het college ten onrechte deze milieuvergunning als uitgangspunt heeft genomen bij de beoordeling van de effecten van de aangevraagde situatie. Gelet hierop is het bestreden besluit genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog slaagt.

6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dient wegens strijd met genoemde wettelijke bepaling te worden vernietigd.

7. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. Op 1 juli 2015 zijn de wet tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 (programmatische aanpak stikstof), het Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof en de Regeling programmatische aanpak stikstof (hierna: regeling PAS) in werking getreden. Het college dient mede gelet op het overgangsrecht dat in de Nbw 1998 en de Regeling PAS is opgenomen te bezien of en in hoeverre de Nbw 1998 zoals die vanaf 1 juli 2015 luidt van toepassing is op het nieuw te nemen besluit. De Afdeling ziet hierin aanleiding de termijn voor het nieuw te nemen besluit op zes maanden te bepalen.

8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Wat betreft de door [appellant] gevraagde vergoeding van gemaakte kosten in de voorbereidingsprocedure overweegt de Afdeling dat deze niet op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen. Voor zover [appellant] heeft beoogd te verzoeken om vergoeding van gemaakte kosten in de voorbereidingsprocedure op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb overweegt de Afdeling dat dit verzoek dient te worden afgewezen, reeds nu [appellant] op geen enkele wijze heeft toegelicht waarom vergoeding van gemaakte kosten in de voorbereidingsprocedure hier op zijn plaats is.

Voor zover [appellant] heeft verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten voor het opgestelde deskundigenrapport, overweegt de Afdeling dat dit rapport niet is opgesteld ten behoeve van de behandeling van het beroep, maar reeds ten behoeve van de door hem naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8:75 van de Awb komt dit rapport derhalve niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 19 maart 2015, kenmerk C2100418/3088;

III. bepaalt dat de beslistermijn voor het nieuw te nemen besluit zes maanden bedraagt, aanvangend op de dag van verzending van deze uitspraak;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, griffier.

w.g. Helder w.g. Van Baaren

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015

579-772.