Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:399

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
201406764/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2014:3473, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 december 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] toegekende voorschot huurtoeslag over 2012 herzien en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406764/1/A2.

Datum uitspraak: 11 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 juli 2014 in zaak nr. 14/819 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] toegekende voorschot huurtoeslag over 2012 herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 25 januari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juli 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.L. Noordhof, advocaat te Groningen, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. H.R. Grootenhuis, werkzaam bij de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht) is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, wordt een huurtoeslag slechts toegekend als de huurder, diens partner alsmede degenen die medebewoner van de woning zijn, op het adres van die woning zijn ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA; thans: basisregistratie personen).

Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het eerste lid een huurtoeslag worden toegekend, als de onjuiste inschrijving in de GBA niet aan de huurder kan worden toegerekend.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, wordt een huurtoeslag slechts toegekend voor de huur van een woning die een zelfstandige woonruimte of een onvrije etage is.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awir wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, onder medebewoner verstaan: de persoon die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de GBA, met dien verstande dat als medebewoner niet wordt aangemerkt:

1.o de partner van de belanghebbende;

2.o de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende een deel van de woning huurt, tenzij deze een bloed- of aanverwant in de eerste graad is van de belanghebbende of van diens partner;

3.o degene die tot het huishouden van de onder 2o bedoeld persoon behoort.

2. [appellant] heeft op 15 juni 2012 huurtoeslag aangevraagd voor de huur van de woning aan de [locatie] in [plaats].

Bij besluit van 21 juli 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen hem een voorschot huurtoeslag over de periode van 1 maart 2012 tot en met 31 december 2012 toegekend van € 1.727,00.

Bij besluit van 29 december 2012, gehandhaafd bij besluit van 25 januari 2014, heeft de Belastingdienst/Toeslagen dit voorschot herzien en vastgesteld op nihil. Aangezien [appellant] en [belanghebbende] in de periode in geding stonden ingeschreven op hetzelfde woonadres in de GBA en niet is aangetoond dat [appellant] destijds zelfstandige woonruimte huurde, heeft de dienst [belanghebbende] aangemerkt als een medebewoner van [appellant]. Aangezien [belanghebbende] eigenaar van de desbetreffende woning is, heeft [appellant] geen aanspraak op huurtoeslag, aldus de dienst.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht heeft geconcludeerd dat in de beschikbare stukken onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden voor de conclusie dat de feitelijke woonsituatie van [appellant] kan worden gekwalificeerd als zelfstandige woonruimte. Hij verwijst naar de door hem overgelegde foto’s en een plattegrond van de woonruimte waarop duidelijk is te zien dat de woonruimte eigen wezenlijke voorzieningen heeft alsmede een eigen toegangsdeur en waar die zijn gelegen. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte van belang geacht wanneer de foto’s zijn genomen. Hij merkt op dat de foto’s die een leeg pand tonen, zijn genomen ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst, en dat de andere foto’s later zijn genomen. Met deze stukken is voldoende aangetoond dat het ging om een zelfstandige woonruimte. Indien de Belastingdienst/Toeslagen twijfels blijft houden, is het aan de dienst om ter plaatse onderzoek te doen, aldus [appellant].

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 27 december 2012 in zaak nrs. 201204442/1/A2 en 201204853/1/A2) mag de Belastingdienst/Toeslagen er in beginsel van uitgaan dat op één GBA-adres één zelfstandige woning is gelegen en degenen die op het zelfde GBA-adres zijn ingeschreven, met uitzondering van de onderhuurder en degenen die behoren tot diens huishouden, mag aanmerken als medebewoners die behoren tot hetzelfde huishouden als de aanvrager van huurtoeslag. Het is aan de aanvrager om aan te tonen dat op één GBA-adres meer zelfstandige woningen zijn gelegen door bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat de gehuurde woning beschikt over een eigen toegang en wezenlijke voorzieningen die niet met andere bewoners op hetzelfde adres worden gedeeld. Voorts dient de huurder aan te tonen dat degene die de Belastingdienst/Toeslagen als medebewoner heeft aangemerkt niet tot zijn huishouden behoort of heeft behoord.

3.2. [belanghebbende] stond in de maanden maart 2012 tot en met december 2012 op hetzelfde woonadres ingeschreven in de GBA als [appellant]. Niet is in geschil dat [appellant] in die periode geen gezamenlijke huishouding voerde met [belanghebbende], maar wel of hij toen een zelfstandige woonruimte huurde. Het is aan [appellant] om aan te tonen dat die woonruimte beschikt over een eigen toegang en wezenlijke voorzieningen die niet met [belanghebbende] werden gedeeld. [appellant] heeft een kopie van een huurovereenkomst met [belanghebbende] overgelegd alsmede foto’s van de door hem van [belanghebbende] gehuurde woonruimte op de eerste verdieping van het desbetreffende pand. De foto’s tonen de buitenkant van het pand, de binnenkant van de op de eerste verdieping gelegen woonruimte, de eigen toegang via het dakterras en een trap aan de buitenzijde. Voorts heeft hij een plattegrond van de woonruimte overgelegd waarop de indeling van de woonruimte is weergegeven met benoeming van de ruimtes. Gelet op deze stukken en in het bijzonder op de door [appellant] ter zitting gegeven toelichting hierop, is de Afdeling van oordeel dat hij voldoende heeft aangetoond dat hij aan de [locatie] in [plaats] een zelfstandige woonruimte huurde van [belanghebbende]. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dan ook ten onrechte het aan [appellant] toegekende voorschot huurtoeslag over 2012 herzien en vastgesteld op nihil.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 25 januari 2014 van de Belastingdienst/Toeslagen gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 11, eerste lid, van de Wht voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. Het besluit van 29 december 2012 zal worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

5. De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 juli 2014 in zaak nr. 14/819;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 25 januari 2014, kenmerk 079797040;

V. herroept het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 29 december 2012, kenmerk 797.97.040.T.SC.12.4;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.028,76 (zegge: tweeduizend achtentwintig euro en zesenzeventig cent), waarvan € 1.960,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Jansen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2015

609.