Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3984

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
201503898/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Lint Oude Leede 2" gewijzigd vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503898/1/R4.

Datum uitspraak: 23 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant], wonend te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp,

en

de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Lint Oude Leede 2" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2015, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door R. van den Bosch, M. Dorrepaal en A. Wamsteeker, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

De raad heeft ter zitting een nader stuk ingediend.

Overwegingen

Bestuurlijke lus

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het geschil

3. [appellant] exploiteert op het perceel [locatie 1] te Pijnacker een agrarisch (hulp)bedrijf. Het bedrijf bewerkt en handelt in veevoer en daarnaast worden er gemiddeld 14 paarden gehouden.

Het beroep is gericht tegen de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - bedrijfsactiviteiten 2" die betrekking heeft op dit perceel. Deze functieaanduiding is toegekend omdat het plan voorziet in de realisatie van twee woningen op een perceel aan de overzijde van de Wilgenweg.

Verder is het beroep gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 2].

Ontvankelijkheid; [locatie 2]

4. Het beroep voor zover gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 2], steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door [appellant] gestelde omstandigheid dat in de zienswijze van 18 november 2014 is verwezen naar de inspraakreactie over het voorontwerpbestemmingsplan van 6 januari 2014, waarin de bestemming van het perceel [locatie 2] wel aan de orde is gesteld. In de zienswijze is immers verzocht de inhoud van de inspraakreactie als herhaald en ingelast te beschouwen, voor zover deze inspraakreactie ziet op de milieucirkel bij het bedrijf van [appellant], en niet voor zover deze ziet op het perceel [locatie 2].

Het beroep zal in de einduitspraak niet-ontvankelijk worden verklaard, voor zover het is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 2].

Inhoudelijk; [locatie 1]

5. [appellant] betoogt door de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - bedrijfsactiviteiten 2" onevenredig te worden beperkt in zijn bedrijfsvoering. Hij voert hiertoe aan dat het in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel om agrarische bedrijfsactiviteiten ter plaatse van een agrarisch bedrijf niet meer toe te staan. Volgens [appellant] is het feitelijke gebruik van het deel van het perceel [locatie 1] met de desbetreffende aanduiding ten onrechte niet als zodanig bestemd en heeft de raad onvoldoende onderzoek gedaan naar de actuele feitelijke situatie, terwijl dit op andere locaties wel is gebeurd. Verder voert hij aan dat de vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" en de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch hulpbedrijf" met een strook van 8 meter aan de achterzijde van het perceel het verlies van gronden aan de voorzijde onvoldoende compenseert, omdat onzeker is of die gronden aan de achterzijde aangekocht kunnen worden.

5.1. De raad stelt dat op de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - bedrijfsactiviteiten 2" geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, maar dat zich ter plaatse de woning en de tuin van [appellant] bevinden, zodat hij niet in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. Desondanks heeft de raad [appellant] willen compenseren door het bestemmingsvlak van het agrarische hulpbedrijf aan de achterzijde met een vergelijkbare oppervlakte uit te breiden. De raad stelt dat [appellant] deze gronden al gebruikt voor de bedrijfsvoering en dat dit gebruik overeenkomstig een verzoek van [appellant] door dit plan wordt gelegaliseerd.

5.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.4, onder c, van de planregels is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - bedrijfsactiviteiten 2" het gebruik van gebouwen en gronden ten behoeve van bedrijfsactiviteiten met een milieucirkel van maximaal 30 m toegestaan.

Ingevolge artikel 1 wordt onder "milieucirkel" verstaan: de ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteit enerzijds en (milieu)gevoelige functie anderzijds, ter voorkoming van hinder en gevaar bij gevoelige functies.

5.3. De Afdeling stelt vast dat in artikel 3, lid 3.4, onder c, van de planregels, noch in een andere planregel, is gedefinieerd wat onder "bedrijfsactiviteiten met een milieucirkel van maximaal 30 m" wordt verstaan. Weliswaar is in artikel 1 een definitie van het begrip "milieucirkel" opgenomen, maar hieruit volgt niet welke afstand bij een bepaalde milieubelastende activiteit tot een gevoelige functie in acht moet worden genomen en derhalve ook niet welke bedrijfsactiviteiten een milieucirkel van maximaal 30 m hebben. In de voornoemde planregels is geen verwijzing opgenomen naar de Staat van Bedrijfsactiviteiten die als bijlage bij de planregels is gevoegd of naar de brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2009 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure), waarbij de raad volgens het verweerschrift heeft aangesloten voor het bepalen van de in dit geval in acht te nemen afstand. Nu een dergelijke verwijzing ontbreekt, is onduidelijk welke bedrijfsactiviteiten op het deel van het perceel met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - bedrijfsactiviteiten 2" zijn toegestaan. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dit betreft de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - bedrijfsactiviteiten 2" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 1], in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is genomen.

Het betoog slaagt.

6. Met het oog op finale geschilbeslechting overweegt de Afdeling verder het volgende over het toekennen van een aanduiding aan een deel van het perceel op grond waarvan bepaalde bedrijfsactiviteiten worden uitgesloten.

6.1. Aan het perceel [locatie 1] is de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch hulpbedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. grondgebonden agrarische bedrijvigheid;

(…)

c. een agrarisch hulpbedrijf ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch hulpbedrijf";

(…).

Ingevolge artikel 1 wordt onder "grondgebonden agrarisch bedrijf" verstaan: een veehouderij, een akkerbouwbedrijf, tuinbouw- of fruitteeltbedrijf, dat functioneel geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van de ter plaatse bij het bedrijf behorende grond als agrarisch productiemiddel, met uitzondering van paardenhouderij en manege.

Ingevolge artikel 1 wordt onder "agrarisch hulp- en nevenbedrijf" verstaan: een bedrijf dat uitsluitend of overwegend is gericht op het leveren van diensten aan agrarische bedrijven met behulp van agrarische werktuigen en apparatuur of op het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud of reparatie van agrarische werktuigen of apparatuur.

Hieruit volgt dat zowel grondgebonden agrarische bedrijvigheid als het agrarische hulpbedrijf van [appellant] op het perceel zijn toegestaan.

6.2. Aan twee percelen ten zuidoosten van het perceel [locatie 1] is de bestemming "Wonen" toegekend. Het plan maakt op deze percelen nieuwe woningen mogelijk, waarbij de kortste afstand tussen het perceel met de agrarische bedrijfsbestemming en de gevel van de toegestane woning ongeveer 35 meter bedraagt. In het voorheen geldende plan was reeds een woonbestemming aan de desbetreffende gronden toegekend, maar die bestemming is niet gerealiseerd.

6.3. De raad heeft beoogd door het toekennen van de bestreden aanduiding voldoende ruimtelijke scheiding aan te brengen tussen het bedrijfsperceel van [appellant] en de nieuw te bouwen woningen. Enerzijds wordt op die manier volgens de raad een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen gewaarborgd en anderzijds wordt [appellant] volgens de raad niet onevenredig in zijn bedrijfsvoering beperkt. Bij het bepalen van de in acht te nemen afstand heeft de raad aansluiting gezocht bij de VNG-brochure. Volgens de VNG-brochure is een agrarisch hulpbedrijf aan te merken als een bedrijfsactiviteit in milieucategorie 3.1 met een daarbij behorende richtafstand van 50 meter. Rekening houdend met de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen op de percelen met de woonbestemming, heeft de raad de grens van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - bedrijfsactiviteiten 2" op een afstand van 54 meter van de voorziene woning gelegd. De Afdeling acht de keuze van de raad voor een ruimtelijke scheiding van het agrarisch hulpbedrijf en de dichtstbijzijnde toegelaten woning van 54 meter in dit geval niet onredelijk. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] hierdoor niet onevenredig in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt, omdat op het deel van het perceel waaraan de aanduiding is toegekend feitelijk geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden waarbij een afstand van 50 meter tot een gevoelige bestemming in acht moet worden genomen. Vast staat dat de bestreden aanduiding een deel van de bedrijfswoning en een deel van de tuin van [appellant] beslaat. Verder is ter zitting vastgesteld dat de uitloopgelegenheid voor de paarden deels onder de aanduiding valt. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het laten uitlopen van paarden geen activiteit is waarvoor een afstand van 50 meter tot een milieugevoelige bestemming in acht moet worden genomen en dat dit derhalve wat hem betreft op een kortere afstand toelaatbaar is. Daarnaast heeft de raad de opslag van strobalen als voorbeeld genoemd van een activiteit die ook toelaatbaar is binnen de afstand van 50 meter tot een woning.

Verder heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellant] door de beoogde ruimtelijke scheiding niet onevenredig wordt beperkt in toekomstige uitbreidingsmogelijkheden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat op de gronden met de bestreden aanduiding ook zonder die aanduiding geen bedrijfsbebouwing kan worden gerealiseerd. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, onder a en b, van de planregels mogen bedrijfsgebouwen uitsluitend op de bestaande plaats en in ten hoogste de bestaande omvang opnieuw worden gebouwd en mogen bedrijfsgebouwen uitsluitend op een afstand van ten minste 3 meter achter het verlengde van de voorgevel van de bedrijfswoning worden gebouwd.

Het betoog dat [appellant] door de aanduiding onevenredig in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt faalt. Aan bespreking van het betoog over de strook met een breedte van 8 meter waarmee het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" aan de achterzijde van het perceel is uitgebreid wordt gelet daarop niet toegekomen.

Conclusie

7. De conclusie is dat het besluit van 19 februari 2015 is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - bedrijfsactiviteiten 2" die betrekking heeft op het perceel [locatie 1].

8. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de raad op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 5.3 een andere planregeling voor de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - bedrijfsactiviteiten 2" die betrekking heeft op het perceel [locatie 1] vast te stellen, dan wel deze aanduiding te laten vervallen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van het gewijzigde besluit niet opnieuw te worden toegepast.

9. In de einduitspraak zal worden beslist over de vergoeding van de proceskosten van [appellant] en het door hem betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp op om binnen 20 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

-met inachtneming van hetgeen onder 5.3 en 8 is overwogen het daar omschreven gebrek in het besluit van 19 februari 2015 te herstellen en dit besluit te wijzigen of een nieuw besluit te nemen;

-de Afdeling en de andere partij de uitkomst mede te delen en een gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Poppelaars, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Poppelaars

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015

780.