Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3969

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
201505804/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 mei 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Drieslag Lienden" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet ruimtelijke ordening 3.6
Wet ruimtelijke ordening 3.8
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Algemene wet bestuursrecht 8:69a
Crisis- en herstelwet
Crisis- en herstelwet 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2016/22 met annotatie van F. Arents
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505804/1/R6.

Datum uitspraak: 23 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Lienden, gemeente Buren,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Buren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Drieslag Lienden" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rialto Vastgoedontwikkeling B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2015, waar [appellant] en anderen, van wie [appellant] en [andere appellant] in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door ing. N.J. Stam en I. van de Sande, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Rialto Vastgoedontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door C. Schipper, en Holding Investments Timmer B.V., vertegenwoordigd door A.A. Timmer, gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan heeft betrekking op het terrein van de voormalige houthandel aan de Verbrughweg en de Adelsweg in Lienden en maakt het mogelijk om op dat terrein detailhandel te vestigen, waaronder een supermarkt en een bouwmarkt. Het plan voorziet in een ontsluiting op zowel de Verbrughweg als de Adelsweg.

Het geschil

3. [appellant] en anderen zijn omwonenden wiens woningen staan aan de Wichmanlaan in Lienden. Deze straat, die aansluit op de Verbrughweg, ligt ten oosten van het plangebied, maar grenst hier niet aan. [appellant] en anderen vrezen overlast te zullen ondervinden van de planontwikkeling.

Relativiteit

4. [appellant] en anderen stellen dat niet zeker is of het plan uitvoerbaar is, nu onduidelijk is of in verband met het verstoren van vaste rust- en verblijfplaatsen van steenuilen een ontheffing van artikel 11 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) moet worden aangevraagd en kan worden verkregen.

4.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

4.2. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 19 juni 2013, in zaak nrs. 201210708/1/A4, 201210709/1/A4, 201210711/1/A4, 201210712/1/A4, 201210714/1/A4, 201210745/1/A4, 201210748/1/A4, 201210751/1/A4, 201210752/1/A4 behoeft het niet in alle gevallen op voorhand uitgesloten te worden geacht dat de Ffw met de bescherming van diersoorten tevens bescherming biedt aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe leefomgeving van omwonenden. De ingeroepen normen uit de Ffw strekken tot bescherming van plant- en diersoorten. Het daadwerkelijke belang waarin [appellant] en anderen dreigen te worden geraakt als gevolg van de voorziene ontwikkelingen, is het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving. In dit geval is in een nestkast op het perceel [locatie A] te Lienden een verblijfplaats van steenuilen aangetroffen. Deze nestkast bevindt zich blijkens het rapport "Resultaten steenuilen en vleermuizenonderzoek te Lienden" van Faunaconsult van 10 november 2015 op een afstand van 180 m van de in het plan mogelijk gemaakte supermarkt, waar zich in de bestaande situatie een loods van de voormalige houthandel bevindt. De woningen van [appellant] en anderen staan op nog grotere afstand, ten oosten van deze loods. Gelet op de ligging van hun woning op een afstand van hemelsbreed meer dan 180 m van de verblijfplaats van de steenuilen en de omstandigheid dat zich daartussen bebouwing bevindt, is de Afdeling van oordeel dat op die afstand de goede kwaliteit van de directe leefomgeving van [appellant] en anderen niet aan de orde is. Derhalve wordt geoordeeld dat de Ffw kennelijk niet strekt tot bescherming van hun belangen. Artikel 8:69a van de Awb staat in zoverre dan ook aan een mogelijke vernietiging van het bestreden besluit in de weg.

Crisis- en herstelwet

5. [appellant] en anderen betogen dat afdeling 2 van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) niet van toepassing is, omdat de gebouwen waarin de houthandel was gevestigd geen industriële gebouwen zijn als bedoeld in categorie 12 van bijlage I bij de Chw. Volgens [appellant] en anderen vond in deze gebouwen alleen opslag van hout plaats. Voorts staan de gebouwen niet langdurig leeg, nu de gebouwen worden gebruikt voor de op- en overslag van planten.

5.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw is afdeling 2 van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten.

In categorie 12.1 van bijlage I bij de Chw is als categorie ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, genoemd transformatie van langdurig leegstaande kantoren en industriële gebouwen naar andere gebruiksmogelijkheden.

5.2. In het voorheen geldende plan "Kernen Buren" had het plangebied onder meer de bestemming "Bedrijventerrein" met de mogelijkheid om bedrijven te vestigen met als maximale milieucategorie 3.1. Gelet hierop heeft de raad de gebouwen van de voormalige houthandel terecht aangemerkt als industriële gebouwen als bedoeld in categorie 12 van bijlage I bij de Chw.

Voorts is niet weersproken dat deze gebouwen sinds 2010 hun oorspronkelijke functie hebben verloren en vervolgens leeg zijn komen te staan. Dat de gebouwen, zoals ter zitting is toegelicht, in het kader van tijdelijk beheer ter voorkoming van verpaupering worden gebruikt voor de op- en overslag van planten, betekent niet dat niet kan worden gesproken van langdurig leegstaande industriële gebouwen als bedoeld in voornoemde categorie.

Het betoog faalt.

Kennisgeving van het besluit

6. [appellant] en anderen stellen dat de wijzigingen die in het vastgestelde plan zijn aangebracht ten opzichte van het ontwerpplan, te weten de mogelijkheid tot vestiging van een bouwmarkt en een planregel over de toegestane openingstijden van de horeca, aanvankelijk niet zijn vermeld in de kennisgeving van het besluit tot vaststelling van het plan. In een latere kennisgeving zijn deze wijzigingen alsnog opgenomen.

6.1. Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt.

Terinzagelegging grondexploitatieovereenkomst met ontwerpplan

7. [appellant] en anderen stellen dat de grondexploitatieovereenkomst ten onrechte niet met het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen. Voorts heeft de raad volgens hen geen kennis kunnen nemen van deze overeenkomst.

7.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

7.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van 30 maart 2011 in zaak nr. 201007248/1/R1 overweegt de Afdeling dat artikel 3:11 van de Awb er niet toe verplicht om een anterieure overeenkomst als waarvan hier sprake is met het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage te leggen, nu die overeenkomst niet kan worden aangemerkt als een op het ontwerp betrekking hebbend stuk als bedoeld in dat artikel.

Ter zitting hebben [appellant] en anderen verduidelijkt dat zij hun stelling dat de raad geen kennis heeft kunnen nemen van deze overeenkomst, hebben gebaseerd op een mondelinge mededeling van één gemeenteraadslid met de strekking dat hij niet over die overeenkomst had kunnen beschikken. Ter zitting is van de zijde van de raad te kennen gegeven dat de overeenkomst beschikbaar was voor gemeenteraadsleden. [appellant] en anderen hebben naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet in de gelegenheid is gesteld om kennis te nemen van de anterieure overeenkomst.

Het betoog faalt.

Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening

8. [appellant] en anderen stellen in het kader van de vraag naar de actuele regionale behoefte aan ruimte voor detailhandel dat het door hen overgelegde opiniestuk uit het dagblad de Gelderlander van 23 mei 2015 haaks staat op de bevindingen in het rapport "Buren, ruimtelijk-functionele effectenanalyse kern Lienden" van BRO van 23 oktober 2014 (hierna: het BRO-rapport).

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het door [appellant] en anderen overgelegde artikel niet de conclusies en bevindingen van het BRO-rapport bestrijdt en dat hij van dit rapport heeft mogen uitgaan.

8.2. Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt aan de voorwaarde dat er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.

8.3. In het BRO-rapport, dat als bijlage deel uitmaakt van de plantoelichting, is inzichtelijk gemaakt waarom de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, voorziet in een actuele regionale behoefte. Het door [appellant] en anderen ingebrachte artikel is een opiniestuk uit een krant, waarin de schrijver aan de hand van algemene ontwikkelingen in de detailhandel en eigen aannames beargumenteert waarom het plan volgens hem niet gerealiseerd zal worden. In dit artikel wordt niet ingegaan op de bevindingen en conclusies van het BRO-rapport. In hetgeen door [appellant] en anderen op dit punt is aangevoerd kan daarom geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat de raad zich in zoverre niet mocht baseren op het BRO-rapport. Het betoog faalt.

VNG-brochure

9. [appellant] en anderen voeren aan dat de raad in het kader van de toets aan de richtafstanden van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2009 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) de omgeving van het plangebied waar hun woningen staan, ten onrechte heeft aangemerkt als omgevingstype gemengd gebied in plaats van het omgevingstype rustige woonwijk. Mede gelet hierop wordt volgens hen bij hun woningen niet voldaan aan de richtafstand voor de in het plangebied mogelijk gemaakte bouwmarkt. Volgens [appellant] en anderen heeft de raad ten onrechte geen geluidsonderzoek verricht bij hun woningen.

9.1. De raad, die aansluiting heeft gezocht bij de VNG-brochure, stelt zich op het standpunt dat de omgeving van het plangebied waar de woningen van [appellant] en anderen staan, valt aan te merken als gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure.

9.2. De VNG-brochure vermeldt over het omgevingstype gemengd gebied onder meer dat dit een gebied is met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Volgens de VNG-brochure behoren gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.

In dit geval heeft de raad de omgeving van het plangebied waar de woningen van [appellant] en anderen staan beschouwd als gemengd gebied, nu die omgeving functiemenging kent van wonen met zowel kleinere als grotere bedrijven. Gelet op de ten tijde van het bestreden besluit aanwezige bedrijven en detailhandel in de directe omgeving van de woningen van [appellant] en anderen is de raad naar het oordeel van de Afdeling voor die woningen terecht uitgegaan van het omgevingstype gemengd gebied.

In bijlage 1 van de VNG-brochure wordt voor bouwmarkten een richtafstand van 30 m aanbevolen. Deze afstand geldt ten opzichte van een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype, zoals een rustig buitengebied. In de VNG-brochure is vermeld dat de richtafstanden uit bijlage 1 met één afstandsstap kunnen worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. Een richtafstand van 30 m wordt in een dergelijk geval 10 m. In dit geval wordt ten aanzien van de bouwmarkt ook bij de woningen van [appellant] en anderen aan deze richtafstand van 10 m voldaan.

In het rapport "Akoestisch onderzoek ten behoeve van een detailhandelsvoorziening aan de Adelsweg in Lienden" van Windmill van 15 januari 2015 (hierna: het rapport van Windmill), waarin het toetsingskader voor geluid voor planherzieningen uit de VNG-brochure wordt gevolgd, is geconcludeerd dat slechts voor de woningen aan de [locatie B] en de [locatie C] niet wordt voldaan aan de richtafstand van 10 m. Volgens het rapport van Windmill bestaat er daarom, gelet op stap 2 van het toetsingskader, aanleiding door middel van een rekenmodel de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidniveaus te bepalen op de gevels van die woningen en deze te toetsen aan de richtwaarden uit de VNG-publicatie. Hoewel niet noodzakelijk op grond van het gehanteerde toetsingskader blijkt uit de bijlagen van het rapport van Windmill dat ook de woningen van [appellant] en anderen als toetspunten zijn gehanteerd in het onderzoek. In de conclusies van het rapport van Windmill is vermeld dat ter plaatse van alle woningen in het omgevingstype "gemengd gebied" (met uitzondering van de woning gelegen aan de [locatie C]) zowel voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus als de maximale geluidniveaus wordt voldaan aan de richtwaarden. Gezien het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het rapport van Windmill heeft mogen baseren omdat de geluidgevolgen van het plan voor de woningen van [appellant] en anderen niet in ogenschouw zijn genomen.

Het betoog faalt.

Geluidsrapport

10. Volgens [appellant] en anderen zijn in het rapport van Windmill diverse geluidsbronnen buiten beschouwing gelaten. Zo is volgens hen ten onrechte geen rekening gehouden met alle geluidseffecten van verkeer. Met name het geluid van verkeer ten behoeve van bevoorrading en van verkeer van en naar de horeca zou niet in het onderzoek zijn betrokken. Ook het geluid van de bouwmarkt en de koelingsinstallaties op de supermarkt zou ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten.

Ten aanzien van het laad- en losdock van de supermarkt merken zij op dat in het rapport van Windmill wordt uitgegaan van een geluidsreducerende overkapping, maar dat deze overkapping in het bestemmingsplan niet verplicht is gesteld.

Voorts voeren zij aan dat het plan het mogelijk maakt dat er 24 uur per dag geladen en gelost wordt.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat alle relevante geluidsbronnen in het rapport zijn opgenomen. De overkapping is volgens de raad verplicht gesteld in de grondexploitatieovereenkomst.

10.2. In het rapport van Windmill is per etmaal gerekend met 1.900 personenwagens van bezoekers voor de in het plangebied aanwezige voorzieningen en met 13 vrachtwagens en 12 bestelbussen ten behoeve van de bevoorrading van die voorzieningen. Uit het rapport blijkt dat daarbij ook rekening is gehouden met de aanwezigheid van horeca binnen het plangebied. Voor de avondperiode, wanneer de horeca ook geopend mag zijn, is uitgegaan van 190 personenauto’s van bezoekers voor het plangebied. Voorts is nog gerekend met 10 vrachtwagens en 5 bestelbussen voor de bevoorrading van de reeds bestaande supermarkt, waarvan de voertuigbewegingen binnen het plangebied plaatsvinden. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de verkeersaantallen waarmee is gerekend niet representatief zouden zijn. Voorts bestaat geen aanleiding om te oordelen dat het geluid van de bouwmarkt niet in het rapport is betrokken, nu daarvoor in het rapport onder meer de geluidsbronnen "rijden met rolcontainer (laden en lossen)" en "Heftruck (electrisch) laden en lossen" zijn opgenomen. Voorts is voor de supermarkt twee keer de geluidsbron "condensor op dak" in het rapport opgenomen. Daarmee is dus ook rekening gehouden met het geluid van koelingsinstallaties ten behoeve van de supermarkt.

Het betoog faalt.

10.3. In het rapport van Windmill is bij de berekening van de bij de woningen in de omgeving optredende geluidswaarden uitgegaan van een aan drie zijden volledig gesloten overkapping ter plaatse van het verdiept gelegen laad- en losdock van de in het plan mogelijk gemaakte supermarkt. Deze overkapping is evenwel niet als een voorwaardelijke verplichting in het plan opgenomen. De raad heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij deze voorziening niet als een voorwaardelijke verplichting in het plan heeft opgenomen, ondanks dat die voorziening wel als uitgangspunt is gehanteerd in het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende geluidsrapport en de gemeente deze overkapping in de grondexploitatieovereenkomst verplicht heeft gesteld. Dat de overkapping in die overeenkomst verplicht is gesteld biedt op zichzelf onvoldoende zekerheid dat de benodigde voorziening ook daadwerkelijk zal worden gerealiseerd, zodat dit niet als motivering kan dienen om van een voorwaardelijke verplichting af te zien. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad zich op het standpunt stelt dat de bedoelde voorziening noodzakelijk is in het kader van een goede ruimtelijke ordening, er geen andere publiekrechtelijke weg openstaat die waarborgt dat de noodzakelijke voorziening zal worden gerealiseerd en de gemeente het niet in haar macht heeft om de noodzakelijk geachte voorziening zelf aan te brengen.

Het betoog slaagt.

10.4. In het rapport van Windmill is ervan uitgegaan dat slechts in de dagperiode laad- en losactiviteiten plaatsvinden. Hierdoor is niet berekend welke geluidsgevolgen optreden ten gevolge van laad- en losactiviteiten in de avond- en nachtperiode. Het plan verzet zich evenwel niet tegen laad- en losactiviteiten in de avond- en nachtperiode, terwijl het niet ondenkbaar is dat na 19.00 uur en voor 7.00 uur wordt geladen en gelost. De raad heeft gelet op het vorenstaande niet deugdelijk gemotiveerd waarom in de planregels niet is bepaald dat laad- en losactiviteiten niet mogen plaatsvinden in de avond- en nachtperiode.

Het betoog slaagt.

Evenementen

11. [appellant] en anderen richten zich tegen artikel 12.2 van de planregels, waarin een afwijkingsbevoegdheid ten behoeve van evenementen is opgenomen. Volgens hen wordt de geluidsbelasting voor de omgeving hiermee nog groter.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat als een verzoek binnenkomt het college van burgemeester en wethouders een afweging zal maken of een evenement binnen de dan geldende wet- en regelgeving mogelijk is.

11.2. Ingevolge artikel 12.2 van de planregels kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan voor het gebruik van gronden voor het houden van meerdaagse evenementen, waaronder worden verstaan kermissen, jaarmarkten, tentfeesten en daarmee vergelijkbare evenementen.

11.3. In artikel 12.2 van de planregels wordt het mogelijk gemaakt om bij omgevingsvergunning af te wijken van het plan ten behoeve van meerdaagse evenementen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 20 juni 2012, in zaak nr. 201109470/1/R4, ligt het op de weg van de planwetgever om een beoordeling en afweging te maken of een bestemming die evenementen op een bepaalde locatie toestaat vanuit ruimtelijk oogpunt is aangewezen. Niet is gebleken dat de raad zelf een afweging heeft gemaakt over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van evenementen op deze locatie, daarbij mede het gebruik dat reeds bij recht bij het plan is toegestaan en de gevolgen daarvan voor de omgeving in ogenschouw nemend. Dit klemt te meer nu de bestreden planregel het mogelijk maakt om met gebruikmaking van een afwijkingsbevoegdheid meerdaagse evenementen toe te staan en het aantal evenementen, de aard en omvang daarvan, de maximale bezoekersaantallen, en de duur daarvan in deze planregel ten onrechte niet zijn beperkt. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met de bij de voorbereiding daarvan te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

Verkeer

12. [appellant] en anderen richten zich tegen het bestemmingsvlak met de bestemming "Verkeer" aan de oostzijde van het plangebied. Volgens hen heeft de aanleg van een voetpad aan die zijde geen zin, nu aan de noordzijde van de Adelsweg geen voetpad zal worden aangelegd tot aan de Vogelenzangseweg.

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het in ieder geval mogelijk is om binnen het plangebied een voetpad aan te leggen aan de noordzijde van de Adelsweg en dat het daarom zin heeft om ook langs de Verbrughweg een voetpad mogelijk te maken.

12.2. De gronden in het plangebied die aan de noordzijde van de Adelsweg grenzen, hebben de bestemmingen "Verkeer" en "Groen".

Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor voet- en fietspaden.

Ingevolge artikel 5.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor wegen, voet- en fietspaden, met bermen.

12.3. Zowel binnen de bestemming "Verkeer" als binnen de bestemming "Groen" is het mogelijk om een voetpad aan te leggen. Binnen het plangebied is het daarom mogelijk om aan de noordzijde van de Adelsweg een dergelijk pad aan te leggen, dat dan aansluit op het voetpad aan de oostzijde van het plangebied. Hierdoor kunnen voetgangers zich zonder de straat over te steken verplaatsen van de ontsluiting van het plangebied aan de Verbrughweg naar de ontsluiting van het plangebied aan de Adelsweg en andersom. Gelet hierop valt niet in te zien dat een voetpad langs de Verbrughweg geen functie zou kunnen hebben. De raad heeft daarom in redelijkheid kunnen besluiten om de bestemming "Verkeer" toe te kennen aan de strook grond langs de Verbrughweg. Het betoog faalt.

13. [appellant] en anderen stellen dat in het rapport "Verkeerseffecten Detailhandelsvoorziening Lienden, uitkomsten verkeer en parkeren" van 14 november 2014 van Goudappel Coffeng (hierna: het rapport van Goudappel Coffeng) voor de verkeersintensiteiten geen rekening is gehouden met de afsluiting van de toerit naar de N233 nabij de Hogeweg.

13.1. In het rapport van Goudappel Coffeng is vermeld dat voor de huidige en toekomstige verkeersintensiteiten is uitgegaan van het geactualiseerde, vigerende verkeersmodel van de Regio Rivierenland.

De Afdeling overweegt allereerst dat modellen noodzakelijkerwijs een abstractie van de te verwachten werkelijkheid weergeven en dat de validiteit van een model pas wordt aangetast wanneer de uitkomsten te zeer van de redelijkerwijs te verwachten werkelijkheid afwijken. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het door Goudappel Coffeng gehanteerde verkeersmodel niet voldoende actueel was. Niet is aannemelijk gemaakt dat het model zodanig afwijkt van de te verwachten werkelijkheid dat de raad het niet in redelijkheid ten grondslag heeft kunnen leggen aan zijn besluitvorming.

Het betoog faalt.

14. [appellant] en anderen stellen dat, mede gelet op de reeds aanwezige bedrijven aan de Adelsweg zoals een garagebedrijf, een carwash en een overslagbedrijf voor planten, ten onrechte geen verkeersroulatiesysteem verplicht is gesteld in het plan.

14.1. De raad acht een verkeersroulatiesysteem, gelet op de breedte van de wegen ter plaatse, niet noodzakelijk voor een goede afwikkeling van het verkeer.

14.2. Uit het rapport van Goudappel Coffeng valt af te leiden dat, afgezien van andere verkeerskundige maatregelen, een verkeersroulatiesysteem niet noodzakelijk is voor een goede en veilige doorstroming van het verkeer op de Adelsweg. Niet is gebleken dat Goudappel Coffeng geen rekening heeft gehouden met de reeds aan de Adelsweg gevestigde bedrijven. Voorts zal het plangebied niet alleen op de Adelsweg maar ook op de Verbrughweg worden ontsloten. De raad heeft, daargelaten of het opnemen van een verkeersroulatiesysteem, zoals bedoeld door [appellant] en anderen, in een bestemmingsplan mogelijk is, in het aangevoerde terecht geen aanleiding gezien om in het plan te voorzien in een op de regulering van verkeersbewegingen toegesneden regeling. Het betoog faalt.

Afscherming

15. [appellant] en anderen stellen dat aan de oostzijde van het plangebied ter hoogte van hun woningen, op de gronden met de bestemming "Groen", een scherm verplicht zou moeten worden gesteld dat hen beschermt tegen geluid, luchtverontreiniging en visuele hinder.

15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een dergelijk scherm niet noodzakelijk is uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.

15.2. Tussen de woningen van [appellant] en anderen en het plangebied zijn hun tuinen, een voetpad, een groenstrook en de Verbrughweg gelegen. Gelet op deze ligging en de maximaal toegestane bouwhoogten van 6 en 10 m ter plaatse van de dichtstbijgelegen bouwvlakken in dat plangebied, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een scherm ter beperking van geluid, luchtverontreiniging en visuele hinder op de door [appellant] en anderen bedoelde plaats niet noodzakelijk is uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Er is derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een dergelijk scherm in het plan had moeten opnemen. Het betoog faalt.

Waardedaling woningen

16. [appellant] en anderen hebben aangevoerd dat de planschaderisicoanalyse ten aanzien van hun panden onvoldoende is uitgewerkt. Volgens hen zal de waarde van hun woningen als gevolg van het plan dalen.

16.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant] en anderen betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog faalt.

Uitvoeringsaspecten

17. [appellant] en anderen hebben gesteld dat er bij bouwactiviteiten geboord moet worden in plaats van geheid om schade in de omgeving te beperken. Dit heeft geen betrekking op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond blijft derhalve buiten beschouwing.

Conclusie

18. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb, voor zover een aan drie zijden volledig gesloten overkapping ter plaatse van het verdiept gelegen laad- en losdock van de in het plan mogelijk gemaakte supermarkt niet als voorwaardelijke verplichting is opgenomen in het plan en voor zover in de planregels niet is bepaald dat laad- en losactiviteiten niet mogen plaatsvinden in de avond- en nachtperiode. Voorts is het bestreden besluit, voor zover het artikel 12.2 van de planregels betreft, genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

19. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de hierna in de beslissing nader aangeduide planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

Proceskosten

20. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Buren van 19 mei 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Drieslag Lienden", voor zover:

a. de realisatie en instandhouding van een aan drie zijden volledig gesloten overkapping ter plaatse van het verdiept gelegen laad- en losdock van de in het plan mogelijk gemaakte supermarkt niet als voorwaardelijke verplichting is opgenomen in het plan;

b. in de planregels niet is bepaald dat laad- en losactiviteiten niet mogen plaatsvinden in de avond- en nachtperiode;

c. het artikel 12.2 van de planregels betreft;

III. draagt de raad van de gemeente Buren op om ten aanzien van de hiervoor vermelde onderdelen onder II. binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw plan vast te stellen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Buren aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Helder

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015

288.