Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3962

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
201500364/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:9864, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juni 2013 heeft het college het verzoek van [wederpartij] om handhavend op te treden tegen het plaatsen van een portakabin op het perceel Sleedoornpad 8 te Spijkenisse (hierna: het perceel), afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500364/1/A1.

Datum uitspraak: 23 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 december 2014 in zaken nrs. 14/931 en 14/2470 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2013 heeft het college het verzoek van [wederpartij] om handhavend op te treden tegen het plaatsen van een portakabin op het perceel Sleedoornpad 8 te Spijkenisse (hierna: het perceel), afgewezen.

Bij besluit van 25 februari 2014 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 december 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] ingestelde beroep tegen het besluit van 25 februari 2014 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 5 juni 2013, met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2015, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H.F.J. Noppen, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], zijn verschenen.

Overwegingen

1. De woning op het perceel is een hoekwoning, gelegen op de hoek van het Sleedoornpad en de Abelenstraat. Aan de linkerzijgevel van de woning, gekeerd naar het openbaar gebied, is in het verlengde van de voorzijde een zij-uitbouw gebouwd tot net vóór de perceelgrens aan de Abelenstraat. Daarin is een keuken met daarnaast een garage gerealiseerd. Voor die zij-uitbouw is door het college bij besluit van 27 juli 2010 een vergunning verleend, die onherroepelijk is. De portakabin is gesitueerd in de strook achter de garage. De portakabin ligt in de lengterichting, evenwijdig aan de Abelenstraat en staat aan de achterkant tegen de perceelgrens met het naburige perceel.

[wederpartij] woont aan de [locatie], tegenover het perceel.

2. Het geschil in hoger beroep betreft de vraag of voor het plaatsen van de portakabin op het perceel een omgevingsvergunning is vereist.

Het college heeft aan het besluit op bezwaar van 25 februari 2014 ten grondslag gelegd dat dit niet het geval is, omdat, kort weergegeven, wordt voldaan aan de eisen uit artikel 2, aanhef en onder 3, onder b, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor), zoals dit luidde ten tijde van belang.

3. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Bor, is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de wet geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 3, van bijlage II bij het Bor, zoals dat luidde ten tijde van belang, is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de wet niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

(…)

b. voor zover op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

1°. niet hoger dan 3 m,

2°. de oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken binnen een afstand van 1 m van een naburig erf niet meer dan 10 m2,

3°. als gevolg van het bijbehorende bouwwerk de totale oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw niet meer dan 30 m2, en

4°. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw;

c. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;

(…).

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor, zoals dat luidde ten tijde van belang, wordt onder achtererfgebied verstaan: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw.

Onder bijbehorend bouwwerk wordt verstaan: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

Onder hoofdgebouw wordt verstaan: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

Onder openbaar toegankelijk gebied wordt verstaan: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

4. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de portakabin voldoet aan de in artikel 2, aanhef en onder 3, aanhef en onder b t/m c, van bijlage II bij het Bor gestelde eisen en derhalve voor de plaatsing van dat bouwwerk geen omgevingsvergunning is vereist. Daartoe voert het college aan dat de rechtbank bij de beantwoording van de vraag of de portakabin omgevingsvergunningvrij is ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de in voormeld artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor gegeven omschrijving van het begrip "achtererfgebied" en aldus daarbij ten onrechte artikel 2, aanhef en onder 3, onder c, van die bijlage buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens het college houdt laatstvermelde bepaling, waaraan naar het college stelt in dit geval is voldaan, een verruiming in van het begrip "achtererfgebied". Het college betoogt, voor het geval zijn hiervoor weergegeven betoog niet zou slagen, voorts dat de portakabin op grond van artikel 2 van bijlage II van het Bor, zoals dat luidt met ingang van 1 november 2014, omgevingsvergunningvrij is en de rechtbank derhalve ten onrechte heeft nagelaten het geschil met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht finaal te beslechten.

4.1. Niet in geschil is dat de portakabin een bijbehorend bouwwerk is zoals bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Bor.

Voor de vraag of dit bouwwerk ingevolge artikel 2, aanhef en onder 3, van bijlage II zonder omgevingsvergunning mag worden gebouwd, dient in de eerste plaats te worden beoordeeld of de grond, waarop het is voorzien, tot het achtererfgebied behoort, als omschreven in artikel 1, eerste lid, van bijlage II.

In die omschrijving is de ligging van het als achtererfgebied aan te merken perceelsgedeelte afhankelijk van de plaats van het hoofdgebouw en de situering van het perceel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 oktober 2013, in zaak nr. 201211488/1/A1) is het hoofdgebouw ingevolge artikel 1, eerste lid, van bijlage II het gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. In de nota van toelichting bij het Bor is vermeld dat bij woonbestemmingen het hoofdgebouw de woning of het woongebouw is. Verder is vermeld dat in de begripsomschrijving van hoofdgebouw duidelijk is gemaakt dat een hoofdgebouw ook slechts een gedeelte van een gebouw kan vormen. Dit houdt verband met de mogelijkheid dat aan een hoofdgebouw - waarin primair het gebruik overeenkomstig de bestemming wordt gerealiseerd - ook andere ruimten zijn aangebouwd die functioneel en bouwkundig als ondergeschikt kunnen worden aangemerkt. In de zin van deze regeling dienen deze bouwkundige én functioneel ondergeschikte ruimten niet te worden aangemerkt als onderdelen van het hoofdgebouw (Stb. 2010, 143, blz. 136).

4.2. Bij besluit van 27 juli 2010 heeft het college een lichte bouwvergunning verleend voor het bouwen van een garage en een keuken aan de linkerzijkant van de woning. Deze zij-uitbouw bestaat uit één verdieping en de bestaande woning uit twee verdiepingen. In het linker gedeelte van de zij-uitbouw is de garage gerealiseerd en in het rechtergedeelte, dat tegen de bestaande woning aan ligt, de keuken.

De keuken maakt in functioneel opzicht integraal onderdeel uit van de woning. In zoverre voorziet de zij-uitbouw in een vergroting van de woning waarmee de keuken bouwkundig direct is verbonden. Voor de aan de andere zijde van de keuken gelegen garage geldt dat deze zowel in bouwkundig als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan de aangrenzende woning. Derhalve bestaat het hoofdgebouw op het perceel uit de bestaande woning met de aangebouwde keuken. Dit heeft, nu de linkerzijde van het perceel grenst aan de Abelenstraat, tot gevolg dat het deel van het perceel dat ligt tussen deze straat en de aan die zijde grenzende zijkant van voormeld hoofdgebouw niet behoort tot het achtererfgebied als omschreven in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor. Derhalve is de portakabin, die op voormeld perceelsgedeelte staat, buiten het achtererfgebied gelegen. Voor het oordeel dat, zoals het college heeft betoogd, artikel 2, aanhef en onder 3, onder c, van bijlage II van het Bor een verruiming ten opzichte van het begrip achtererfgebied inhoudt, bieden de bewoordingen van dat artikelonderdeel geen grond. Ook in de systematiek van artikel 2, aanhef en onder 3, en de nota van toelichting bij het Bor zijn voor een dergelijke uitleg geen aanknopingspunten te vinden. Uit de in artikel 2, aanhef en onder 3, onder c, gestelde eis volgt uitsluitend dat in de daar omschreven situatie op het desbetreffende gedeelte van de ingevolge artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor als achtererfgebied aan te merken grond wel een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Wabo is vereist.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat voor de portakabin een omgevingsvergunning is vereist, omdat die niet is gelegen in achtererfgebied en derhalve niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 2, aanhef en onder 3, aanhef en onder b, van bijlage II van het Bor, zoals dit artikel luidde ten tijde van belang. De vraag of aan de overige vereisten uit dat artikel wordt voldaan, behoeft gelet hierop geen bespreking meer.

4.3. Voor het oordeel dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 25 februari 2014 in stand had dienen te laten, omdat de portakabin naar gesteld met ingang van 1 november 2014 omgevingsvergunningvrij is, bestaat gelet op het volgende evenmin grond.

Op 1 november 2014 is het Besluit van 4 september 2014 tot wijziging van het Besluit omgevingsrecht en diverse andere algemene maatregelen van bestuur in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht in werking getreden (Stb 2014, 333). Dit besluit voorziet onder meer in een wijziging van artikel 2 van bijlage II van het Bor en in een nieuwe begripsomschrijving van het begrip "achtererfgebied". Dit begrip is omschreven als: "erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen."

Daargelaten de vraag of deze begripsomschrijving betekent dat de in het verlengde van de voorzijde van de woning aangebouwde keuken behoort tot de voorkant van het hoofdgebouw en dientengevolge de denkbeeldige lijn die wegens de hier aanwezige hoeksituatie aan de zijkant dient te worden getrokken ter bepaling van het achtererfgebied loopt vanuit de scheiding tussen de garage en de aangebouwde keuken dan wel deze lijn loopt vanuit de scheiding tussen de aangebouwde keuken en de rest van de woning, vaststaat dat de portakabin in beide situaties buiten het achtererfgebied is gelegen. Reeds daarom wordt niet voldaan aan het gestelde in artikel 2, aanhef en onder 3, aanhef en onder b, van bijlage II van het Bor, zoals dit artikel thans luidt. Het college heeft zich derhalve ten onrechte op het standpunt gesteld dat voor de portakabin met ingang van 1 november 2014 geen omgevingsvergunning meer is vereist.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 13,24 (zegge: dertien euro en vierentwintig cent), bestaande uit de reiskosten van het in persoon ter zitting verschijnen.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van den Berg, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015

651.