Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3942

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
201410032/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:13104, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 januari 2013 heeft de RDW beslist op een verzoek van [appellant sub 1] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410032/1/A3.

Datum uitspraak: 23 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de directie van de Rijksdienst voor het wegverkeer (hierna: RDW),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 oktober 2014 in zaak nr. 14/2781 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

de RDW.

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2013 heeft de RDW beslist op een verzoek van [appellant sub 1] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

Bij besluit van 1 oktober 2013 heeft de RDW het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] ingestelde beroep bij de rechtbank wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, het verzoek om vaststelling van een dwangsom afgewezen en een beroep tegen het besluit van 1 oktober 2013 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.

De RDW heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2015, waar de RDW, vertegenwoordigd door mr. J.Th.B. Brockötter, werkzaam bij de RDW, is verschenen.

Overwegingen

1. Op 21 december 2012 heeft [appellant sub 1] bij de RDW een Wob-verzoek ingediend. Bij het besluit van 14 januari 2013 heeft de RDW hierop beslist. Hiertegen heeft [appellant sub 1] op 25 februari 2013 bezwaar gemaakt. [appellant sub 1] stelt tweemaal een ingebrekestelling van 9 september 2013 te hebben gefaxt aan de RDW wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar. In deze ingebrekestelling is tevens een adreswijziging van het kantoor van [gemachtigde], de gemachtigde van [appellant sub 1], vermeld. Bij het besluit van 1 oktober 2013 heeft de RDW op het bezwaar beslist. Dit besluit heeft de RDW gezonden naar het oude adres van [gemachtigde]. De RDW stelt de brief van 9 september 2013 met de ingebrekestelling en de adreswijziging niet te hebben ontvangen. Het beroep van [appellant sub 1] wegens het niet tijdig nemen van een besluit is ingesteld op 3 april 2014.

2. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank zijn beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de verzending van de ingebrekestelling niet aannemelijk is gemaakt omdat door hem overgelegde verzendrapporten niet tot die ingebrekestelling zouden zijn te herleiden. Hij heeft naar twee verschillende, correcte faxnummers van de RDW faxberichten van zeven pagina’s gezonden, bestaande uit de ingebrekestelling zelf, het bezwaarschrift, een bijlage bij het bezwaarschrift en een pleitnota. Voorts heeft de rechtbank het verzoek om de door de RDW verbeurde dwangsom vast te stellen ten onrechte afgewezen, aldus [appellant sub 1].

2.1. Het is aan degene die stelt per fax een ingebrekestelling te hebben verzonden om aannemelijk te maken dat dat het geval is. De RDW ontkent de ingebrekestelling van 9 september 2013 te hebben ontvangen. Ter staving van de verzending van de ingebrekestelling heeft [appellant sub 1] twee verzendrapporten overgelegd, waaruit volgt dat op 10 september 2013 om 17.09 uur respectievelijk om 17.12 uur faxberichten zijn verzonden. Op de verzendrapporten is bij result "OK" vermeld. Vaststaat dat de faxberichten naar correcte faxnummers van de RDW zijn verzonden. De rechtbank heeft evenwel met juistheid overwogen dat [appellant sub 1] daarmee onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de ingebrekestelling daadwerkelijk aan de RDW is verzonden. Daartoe heeft zij terecht in aanmerking genomen dat uit de verzendrapporten niet valt af te leiden welke stukken op 10 september 2013 naar de RDW zijn gefaxt en die inhoudelijk dus niet zijn te herleiden tot de ingebrekestelling. In de verzendrapporten is vermeld dat zeven pagina’s zijn verzonden. Onduidelijk is waaruit deze zeven pagina’s bestaan. De ingebrekestelling bevat één pagina. De in de ingebrekestelling vermelde bijlagen, bestaande uit het bezwaarschrift en een pleitnota, bevatten vier pagina’s. Bij de rechtbank heeft [appellant sub 1] verklaard ook het Wob-verzoek van één pagina te hebben bijgevoegd en in het hogerberoepschrift stelt hij ook de twee pagina’s tellende bijlagen bij het bezwaarschrift te hebben meegezonden. Daarmee zou [appellant sub 1] in totaal acht pagina’s hebben verzonden, hetgeen niet overeenkomt met de zeven pagina’s zoals vermeld in de verzendrapporten. Verder is de desbetreffende ingebrekestelling gedateerd op 9 september 2013, terwijl de faxberichten eerst aan het einde van de middag op de daarna volgende dag zijn verzonden.

Nu niet aannemelijk is geworden dat de ingebrekestelling is verzonden, heeft de RDW reeds daarom geen dwangsom verbeurd en heeft de rechtbank het verzoek om vaststelling van de dwangsom terecht afgewezen.

2.2. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, moet het ervoor worden gehouden dat de RDW de in de ingebrekestelling vermelde adreswijziging evenmin heeft ontvangen. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het de RDW niet valt te verwijten dat het besluit van 1 oktober 2013 naar het voormalige adres van [gemachtigde] is verzonden. Gelet hierop dient ervan te worden uitgegaan dat dat besluit reeds was genomen en verzonden voordat het beroep wegens het niet tijdig nemen van dat besluit op 3 april 2014 werd ingesteld. De rechtbank heeft het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog faalt.

3. Voorts overweegt de Afdeling ambtshalve het volgende.

Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Deze bepaling ziet alleen op een hangende een beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit alsnog genomen reëel besluit. Nu zoals onder 2.2 is overwogen ervan dient te worden uitgegaan dat het reële besluit van 1 oktober 2013 reeds was genomen en verzonden voordat het beroep wegens het niet tijdig nemen van dat besluit werd ingesteld, is de rechtbank buiten de omvang van het geding getreden door een inhoudelijk oordeel te geven over dat besluit waartegen geen beroep was ingesteld.

4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep gegrond zijn en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij een beroep tegen het besluit van 1 oktober 2013 ongegrond is verklaard. Gelet hierop wordt niet meer toegekomen aan een beoordeling van de betogen van [appellant sub 1] en de RDW die zien op de ongegrondverklaring door de rechtbank van een beroep van [appellant sub 1] tegen dat besluit.

De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 oktober 2014 in zaak nr. 14/2781, voor zover daarin een beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 1 oktober 2013, kenmerk BZW13.0164/JTB, ongegrond is verklaard;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Mossel, griffier.

w.g. Koeman w.g. Van Mossel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015

741.