Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3941

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
201408247/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:4046, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 11 juli 2013 heeft [appellante sub 2] bij het college een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een woning aan de Parklaan te Doorn (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2016-0010
JOM 2016/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408247/1/A1.

Datum uitspraak: 23 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug,

2. [appellante sub 2], gevestigd te Deventer,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 augustus 2014 in zaak nr. 14/466 in het geding tussen:

[appellante sub 2]

en

het college.

Procesverloop

Op 11 juli 2013 heeft [appellante sub 2] bij het college een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een woning aan de Parklaan te Doorn (hierna: het perceel).

Bij brief van 27 januari 2014 heeft [appellante sub 2] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekend maken van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning op het perceel.

Bij uitspraak van 25 augustus 2014 heeft de rechtbank het door [appellante sub 2] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat het college de proceskosten en het griffierecht aan [appellante sub 2] moet vergoeden. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellante sub 2] hoger beroep ingesteld.

Het college en [appellante sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2015, waar het college, vertegenwoordigd door mr. E.T.E. Kemperman en A.V. van der Wal, ambtenaren in dienst van de gemeente, en [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Deventer, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende], bijgestaan door mr. O.P. van der Linden, advocaat te Utrecht, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het college en [appellante sub 2] zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of de gevraagde omgevingsvergunning voor de bouw van een woning van rechtswege is verleend.

2. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de beoogde woning in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "1e partiële herziening van het bestemmingsplan Centrum" (hierna: het bestemmingsplan).

Het voert daartoe aan dat de beoogde woning niet mag worden gebouwd, aangezien op het perceel geen bouwgrens op de plankaart is weergegeven. Het college verwijst bij zijn betoog naar de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2010 in zaak nr. 200903713/1/H1.

Tevens verwijst het college naar een erfdienstbaarheid die mede is gevestigd op het perceel en waarin is geregeld dat de strook grond tussen de Parklaan en de Berglaan slechts spaarzaam bebouwd mag worden.

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden".

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, e en f van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften verstaan onder:

- bestemmingsgrens een op de plankaart aangegeven lijn, die de grens aanduidt van een bestemmingsvlak;

- bestemmingsvlak: een op de plankaart door bestemmingsgrenzen omsloten vlak, waarmee gronden zijn aangegeven met éénzelfde bestemming;

- bouwgrens: een op de plankaart aangegeven lijn, die niet door gebouwen mag worden overschreden, behoudens krachtens deze voorschriften toegelaten afwijkingen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, zijn de voor "Woondoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor wonen, detailhandelsbedrijven, zeer lichte bedrijfsactiviteiten, maatschappelijke dienstverlening, opslag en administratieve doeleinden.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder b, zijn ten dienste van en in verband met deze bestemming vrijstaande en 2-aaneengebouwde woningen toegelaten, al dan niet in gestapelde vorm.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, mag met inachtneming van de overige bepalingen van dit artikel slechts gebouwd worden onder de volgende voorwaarden:

a. de woningen of bedrijfsgebouwen moeten in of ten hoogste 3 m achter de bouwgrens gebouwd worden, overschrijding van de breedte van de bouwgrens is toegestaan tot een totaal van ten hoogste 3 m, mits de overschrijding ten minste 3 m achter de bouwgrens is gelegen en de diepte daarvan niet meer dan 12 m bedraagt;

(…)

2.2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het volgende overwogen. De rechtbank stelt, mede gelet op de ter zitting geraadpleegde plankaart, vast dat op het perceel waarop de woning is voorzien geen afzonderlijke bouwgrens is aangeduid. Gelet op de bestemming "Woondoeleinden" is op het perceel op grond van artikel 5, eerste lid, onder b, van het bestemmingsplan een woning toegestaan. Dat een op de plankaart aangegeven bouwgrens niet mag worden overschreden en dat in of ten hoogste 3 m achter de bouwgrens moet worden gebouwd, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat bij het ontbreken van een bouwgrens op een perceel het bouwen van een woning niet is toegestaan. Een dergelijke weigering tot het oprichten van een woning bij ontbreken van een bouwgrens is immers niet expliciet in het bestemmingsplan opgenomen. Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 16 september 2009 in zaak nr. 200808858/1/H1 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ7744) en van 25 januari 2006 in zaak nr. 200503467/1 (ECLI:NL:RVS:2006:AV0301) brengt het ontbreken van een bouwgrens voor het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" mee dat hier tot aan de bestemmingsgrens mag worden gebouwd, aldus de aangevallen uitspraak.

2.3. Blijkens de plankaart is op het perceel geen bouwgrens weergegeven. In artikel 5, derde lid, van de planvoorschriften is bepaald dat slechts mag worden gebouwd indien wordt voldaan aan de in dat artikel gestelde voorwaarden. Een van deze voorwaarden is dat woningen in of ten hoogste 3 m achter de bouwgrens gebouwd moeten worden. Dit betekent dat indien binnen de grenzen van een perceel, zoals in het onderhavige geval, op de plankaart geen bouwgrens is weergegeven, daar geen woning mag worden gebouwd. Steun voor dit oordeel wordt gevonden in de omstandigheid dat op het gehele Deelgebied IV, waar het perceel deel van uit maakt, de bestemming "Woondoeleinden" rust en alle daarbinnen weergegeven woningen en bedrijfsgebouwen zijn gebouwd achter een bouwgrens. Dat in de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften is bepaald dat op ieder perceel een woning dient te zijn opgenomen, leidt niet tot het oordeel dat zo’n woning ingevolge het bestemmingsplan niet hoeft te worden gebouwd in of ten hoogste 3 m achter een bouwgrens.

Deze situatie is anders dan die in de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2009 omdat volgens de systematiek van het in die zaak geldende bestemmingsplan de bouwgrens samenviel met de bestemmingsgrens. De thans aan de orde zijnde situatie verschilt ook van die in de uitspraak van 25 januari 2006, omdat in het in die zaak geldende bestemmingsplan, zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2003 in zaak nr. 200300609/1, bouwpercelen waren opgenomen.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank niet onderkend dat de beoogde woning in strijd is met het bestemmingsplan.

Dit betekent dat de rechtbank, zij het op onjuiste gronden, terecht heeft geoordeeld dat de door [appellante sub 2] gevraagde omgevingsvergunning niet van rechtswege is verleend. Het betoog van [appellante sub 2] dat de omgevingsvergunning niet van rechtswege is verleend omdat de termijn voor het nemen van het besluit van 11 juli 2013 niet is opgeschort geweest als bedoeld in artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan, daargelaten het antwoord op de vraag of dit betoog terecht is voorgedragen, niet aan dit oordeel in de weg staan.

3. Het hoger beroep van [appellante sub 2] is ongegrond. Het hoger beroep van het college is gegrond. Nu echter het dictum van de aangevallen uitspraak juist is, dient deze, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Van Leeuwen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015

543.