Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3940

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
201403245/3/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Wijthmenerplas" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2016/6361
JOM 2016/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403245/3/R1.

Datum uitspraak: 23 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Zwolle,

2. [appellant sub 2] en anderen, wonend te Zwolle,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Zwolle,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Wijthmenerplas" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2015, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. K.A. Luehof, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp, [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door ing. M.H.M. van Kesteren, werkzaam bij DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. (hierna: DGMR) en G.J. Tromp en C.H. Blanken, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 18 maart 2015, nr. 201403245/1/R1 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na verzending van deze tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 17 februari 2014 te herstellen. De tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 29 juni 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Wijthmenerplas" gewijzigd vastgesteld.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben zienswijzen naar voren gebracht over het besluit van 29 juni 2015.

De raad, [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 20 november 2015, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. K.A. Luehof, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp en ing. E.H.A. de Beer, werkzaam bij Peutz, [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 2] en [gemachtigde], voormeld, en de raad, vertegenwoordigd door ing. M.H.M. van Kesteren, werkzaam bij DGMR en G.J. Tromp en S. Abbassi, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat vier gebreken aan het besluit van 17 februari 2014 kleven. De Afdeling oordeelde in de eerste plaats dat de raad onvoldoende had gemotiveerd waarom in de planregels hogere maximale geluidgrenswaarden voor evenementen waren opgenomen dan de grenswaarden in de Nota "Evenementen met een luidruchtig karakter" van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg (hierna: de Nota Evenementen). In de tweede plaats oordeelde de Afdeling dat niet kon worden vastgesteld dat de raad op voorhand ervan uit kon gaan dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) niet aan de uitvoering van het plan in de weg staat. Deze twee gebreken leiden tot de conclusie dat het besluit van 17 februari 2014 wat betreft de functieaanduiding "evenemententerrein" is vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De Afdeling oordeelde in de derde plaats dat de in artikel 4, lid 4.7, van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor de aanpassing van de vorm of de omvang van de aanduiding "evenemententerrein" in strijd was met artikel 3:2 van de Awb.

In de vierde plaats oordeelde de Afdeling dat artikel 4, lid 4.8, van de planregels in strijd was met artikel 3:2 van de Awb nu dat artikel voorzag in de mogelijkheid van een verhoging van het toegestane geluidniveau.

2. Gelet op de tussenuitspraak zijn de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van 17 februari 2014 gegrond. Dat besluit dient wat betreft de functieaanduiding "evenemententerrein" en artikel 4, lid 4.7 en 4.8, van de planregels te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

3. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad het bestemmingsplan bij besluit van 29 juni 2015 gewijzigd vastgesteld. De raad heeft ten eerste de maximale grenswaarden voor evenementen gewijzigd. In artikel 4, lid 4.5, van de planregels is nu bepaald dat het equivalente geluidniveau van grootschalige evenementen op de gevels van geluidgevoelige gebouwen niet meer dan 75 dB(A) en 90 dB(C) mag bedragen. Voorts mag het equivalente geluidniveau van overige evenementen op de gevels van geluidgevoelige gebouwen niet meer dan 70 dB(A) en 80 dB(C) bedragen.

De raad heeft ten tweede de wijzigingsbevoegdheid voor de aanpassing van de vorm of de omvang van de aanduiding "evenemententerrein" uit het plan verwijderd. De raad is daarmee tegemoetgekomen aan de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen.

Ten derde heeft de raad de mogelijkheid om het toegestane geluidniveau te verhogen uit het plan verwijderd. De raad is daarmee tegemoetgekomen aan de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen.

Tot slot heeft de raad in de plantoelichting nader gemotiveerd waarom de Ffw volgens hem niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan.

4. Het besluit van 29 juni 2015 wordt op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geacht mede onderwerp te zijn van het geding.

Toetsingskader

5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Geluid

6. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat met de gewijzigde geluidnormen voor evenementen nog steeds niet een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is verzekerd. Zij wijzen er daarbij op dat in het rapport "Reconstructie geluidseffecten evenementen Wijthmenerplas, Zwolle" van 17 februari 2015 van DGMR (hierna: het rapport van DGMR) is gemeten op basis van equivalente geluidniveaus over vijf minuten, terwijl in de Nota Evenementen wordt uitgegaan van equivalente geluidniveaus over één minuut. Dit maakt volgens hen een verschil uit van ongeveer 2 dB. Zij wijzen ook op het rapport "Geluid in de omgeving ten gevolge van evenementen rond de Wijthmenerplas te Zwolle" van 28 mei 2015 van het bureau Peutz (hierna: het rapport van Peutz). Daarin wordt geconcludeerd dat het rapport van DGMR gebrekig is en de gewijzigde geluidnormen tot hogere binnenniveaus dan 50 dB(A) zullen leiden. In de Nota Evenementen wordt een binnenniveau hoger dan 50 dB(A) als onduldbaar aangemerkt. Volgens het rapport van Peutz is het rapport van DGMR in de eerste plaats gebrekkig omdat bij het bepalen van de geluidwering van de woningen ten onrechte de octaafband 63 Hz buiten beschouwing is gelaten. In de tweede plaats is het rapport van DGMR volgens het rapport van Peutz gebrekkig omdat bij de berekening van de binnenniveaus ten onrechte de meteocorrectie is toegepast. Het rapport van Peutz wijst er daarbij op dat bij 24% van de metingen een hoger geluidniveau dan 70 dB(A) op de gevels van de woningen werd gemeten. [appellant sub 2] en anderen voeren ook aan dat bij een ander evenement in de binnenstad van Zwolle een geluidbelasting van 86 dB(C) is berekend op nabijgelegen woningen. Die woningen liggen op een afstand van ongeveer 100 m van het desbetreffende evenemententerrein, terwijl de woningen van [appellant sub 2] en anderen op een afstand van ten minste ongeveer 300 m van het evenemententerrein bij de Wijthmenerplas liggen. Volgens hen is een geluidbelasting van 86 dB(C) daarom haalbaar en is de grenswaarde van 90 dB(C) te hoog.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met de gewijzigde geluidnormen voor evenementen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is verzekerd. Verder is het evenement in de binnenstad van Zwolle volgens de raad niet vergelijkbaar met de evenementen bij de Wijthmenerplas.

6.2. De Afdeling is van oordeel dat in het rapport van DGMR de octaafband 63 Hz niet mee behoefde te worden meegenomen bij het bepalen van de geluidwering van de woningen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad heeft toegelicht dat tonen in octaafbanden lager dan 125 Hz geen relatie hebben met de mate van spraakverstaanbaarheid.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben ter zitting erkend dat tonen in octaafbanden lager dan 125 Hz slechts een beperkte invloed hebben op de mate van spraakverstaanbaarheid. Voorts is van belang dat de raad voor het tegengaan van hinderlijk geluid in octaafbanden lager dan 125 Hz in het plan aparte dB(C)-grenswaarden heeft opgenomen. De dB(A)-grenswaarden in het plan hebben tot doel om ernstige verstoringen van de spraakverstaanbaarheid tegen te gaan.

Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen aanvoeren dat in het rapport van DGMR bij de berekening van de binnenniveaus ten onrechte de meteocorrectie is toegepast, overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat hij bij het bepalen van de gewijzigde geluidnormen niet is uitgegaan van de berekeningen in het rapport van DGMR, maar van de meetresultaten daarin. Bij die meetresultaten zijn geen correctiefactoren, zoals de meteocorrectie, toegepast. Voorts volgt uit het rapport van DGMR niet dat de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen een geluidwering van minder dan 25 dB hebben. Er bestaat dus geen aanleiding voor het oordeel dat bij een geluidniveau van 75 dB(A) op de gevel van hun woningen het binnenniveau in hun woningen meer dan 50 dB(A) zal bedragen. Gelet hierop is niet van belang of in het rapport van DGMR bij de berekeningen al dan niet terecht de meteocorrectie is toegepast.

Wat betreft de vergelijking van [appellant sub 2] en anderen met het evenement in de binnenstad van Zwolle overweegt de Afdeling dat in het rapport van DGMR staat dat bij één van de woningen een gemiddeld geluidniveau van 90 dB(C) is gemeten. Voorts heeft de raad toegelicht dat bij het evenement in de binnenstad van Zwolle slechts sprake is van één podium met een beperkt muziekspectrum terwijl bij de evenementen bij de Wijthmenerplas meer podia worden opgesteld met meer muziekspectra en dat bij een kortere afstand het verschil tussen de dB(A)-weging en de dB(C)-weging kleiner is. Gelet hierop bestaat in hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat bij de grootschalige evenementen bij de Wijthmenerplas een geluidniveau van 86 dB(C) haalbaar is.

De Afdeling stelt evenwel vast dat de geluidnormen in artikel 4, lid 4.5, onder d, e, f en g, van de planregels onvoldoende duidelijk zijn. In deze bepalingen wordt uitgegaan van het equivalente geluidniveau, het energetisch gemiddelde van de fluctuerende geluiddrukniveaus van het ter plaatse optredende geluid gedurende een bepaalde tijdsduur. Uit de planregels volgt niet over welke tijdsduur het gemiddelde moet worden bepaald. Dit is wel van belang. Hoe langer de tijdsduur waarover het gemiddelde wordt bepaald, hoe meer geluidpieken zijn toegestaan. De raad heeft dit ter zitting niet betwist. De raad heeft ter zitting voorts aangegeven geen bezwaren te hebben tegen het bepalen van de equivalente geluidniveaus over één minuut conform de Nota Evenementen. Gelet hierop is het besluit van 29 juni 2015 op dit punt in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld.

Het betoog slaagt.

7. [appellant sub 1] voert verder aan dat de vertrekkende en aankomende auto’s op het voorziene parkeerterrein en het autoverkeer over de ontsluitingsroute tot ernstige geluidoverlast zullen leiden.

7.1. De Afdeling stelt vast dat de afstand van de woning van [appellant sub 1] tot de gronden waarop de parkeerplaats is voorzien ongeveer 45 m bedraagt en tot de weg ongeveer 30 m. Gelet op deze afstanden heeft de raad in redelijkheid ervan kunnen uitgaan dat de vertrekkende en aankomende auto’s op de voorziene parkeerplaats en het autoverkeer over de ontsluitingsroute niet tot ernstige geluidoverlast voor [appellant sub 1] zullen leiden. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat de gronden voor het voorziene parkeerterrein op grond van artikel 3, lid 3.1, onder c, van de planregels alleen gedurende evenementen als parkeerterrein mogen worden gebruikt.

Het betoog faalt.

Flora- en faunawet

8. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad nog steeds niet op voorhand ervan kan uitgaan dat de Ffw niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daartoe voert [appellant sub 1] aan dat ten onrechte alleen de gevolgen van de drie grootschalige evenementen op de beschermde diersoorten zijn onderzocht en niet de gevolgen van alle evenementen jaarrond. Voorts zijn volgens [appellant sub 1] ten onrechte niet de gehele Wijthmenerplas en de gevolgen van het gehele recreatieve gebruik van de Wijthmenerplas, waaronder de waterskibaan, op beschermde diersoorten onderzocht. Zij wijst er daarbij op dat het voorziene evenemententerrein groter is dan waarvan in het rapport "Vogelinspectie ten behoeve van "Hardshock Festival" van 18 april 2015 (hierna: het monitoringsonderzoek) van het bureau Dillerop natuuradvies is uitgegaan. Ook [appellant sub 2] en anderen vrezen voor de negatieve gevolgen van de waterskibaan op beschermde diersoorten. Verder zijn volgens [appellant sub 1] ten onrechte de effecten van lichtmasten op beschermde diersoorten buiten beschouwing gebleven. In het monitoringsonderzoek is volgens [appellant sub 1] ten onrechte ook niet op vier momenten gecontroleerd of er broedgevallen zijn, terwijl dat volgens de brief van 6 april 2012 van de Dienst Regelingen (thans: de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, hierna: RVO) wel zou moeten.

[appellant sub 1] acht verder de bescherming van fauna onvoldoende nu alleen professioneel vuurwerk niet mag worden afgestoken. Bij consumptief vuurwerk is volgens haar ook niet uitgesloten dat een broedgeval verloren gaat, nu niet is onderzocht of het geluidniveau van consumentenvuurwerk daadwerkelijk onder het geluidniveau van muziek blijft. [appellant sub 1] stelt dat voor consumentenvuurwerk een maximale geluidbelasting van 156 dB is toegestaan. [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] wijzen er ook op dat uit een quickscan van de gemeente van 9 december 2014 volgt dat in het plangebied vleermuizen en dassen aanwezig zijn.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de Ffw niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Bij elk evenement worden de mitigerende maatregelen getroffen die RVO in de brief van 6 april 2012 heeft voorgeschreven en wordt een monitoringsonderzoek uitgevoerd. In elk monitoringsonderzoek is tot nog toe geconcludeerd dat de Ffw voor, tijdens en na het evenement niet is overtreden. Volgens de raad heeft RVO bij e-mail van 17 april 2015 op basis van het monitoringsonderzoek laten weten niet handhavend te zullen optreden, omdat alles eraan wordt gedaan om overtredingen van de Ffw te voorkomen. De raad stelt dat in het ecologisch onderzoek niet alleen het evenemententerrein is onderzocht, maar ook de omgeving daaromheen. Verder leidt de raad uit de brief van 6 april 2012 van de RVO af dat consumentenvuurwerk niet verstorend is voor beschermde diersoorten, nu daarin alleen staat dat professioneel vuurwerk verstorend is.

8.2. In de brief van 6 april 2012 van RVO staat dat de organisator van twee evenementen bij de Wijthmenerplas naar aanleiding van een handhavingsverzoek bureau Tauw de opdracht heeft gegeven een natuurtoets uit te voeren. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Natuurtoets drie festivals Wijthmenerplas Zwolle" (hierna: de natuurtoets) van 29 maart 2012. De conclusie van de natuurtoets was dat zowel ten aanzien van vleermuizen als broedvogels overtreding van artikel 10 en artikel 11 van de Ffw kan worden uitgesloten, onder de voorwaarde dat geen professioneel vuurwerk wordt afgestoken. RVO acht evenwel niet geheel uitgesloten dat bij eventuele zangvogels die direct langs het festivalterrein broeden een zodanig schrikeffect optreedt dat het nest zo’n lange tijd wordt verlaten dat een broedgeval verloren gaat, hoewel de kans daarop klein wordt geacht. RVO legt daarom een monitoringsverplichting en een aantal mitigerende maatregelen op. Deze houden het volgende in:

- het festivalterrein en een buffer van 100 m daaromheen moet op vier momenten worden onderzocht op broedgevallen;

- gedurende het festival dient de geluidbelasting te worden gemeten op het nest dat het dichtste bij het festivalterrein ligt;

- de bevindingen van de monitoring dienen te worden toegestuurd aan RVO;

- professioneel vuurwerk mag niet worden afgestoken.

- het plaatsen van hekken langs de bosjes, zodat bezoekers daar niet in kunnen.

- verlichting en geluid moeten zoveel mogelijk van de bosjes en de bekende nesten van de sperwer af worden gericht om lichtverstoring door geluid zoveel mogelijk te voorkomen.

Deze maatregelen zullen volgens RVO overtredingen van de Ffw ten aanzien van broedvogels niet volledig uitsluiten. Dit risico acht RVO echter aanvaardbaar, omdat hij de kans op overtreding van de Ffw gering acht en bij een eventuele overtreding de ecologische gevolgen beperkt blijven tot broedvogels.

8.3. In het monitoringsonderzoek staat dat voorafgaand aan het festival "Hardshock" een veldinspectie is uitgevoerd. De veldinspectie bestond uit het in kaart brengen van (broed)vogels en/of bewoonde nesten op het festivalterrein en in de directe omgeving (100 m) van het festivalterrein om na te gaan of het muziekfestival mogelijk effect heeft op de aanwezige broedvogels en welke mitigerende maatregelen eventueel moeten worden genomen. Op het festivalterrein zijn volgens het monitoringsonderzoek geen bezette nesten aangetroffen, met uitzondering van één meerkoetnest in aanbouw aan de rand van de plas in de aanwezige rietkragen. In de omgeving van het festivalterrein zijn in totaal twee oude kraaiennesten aangetroffen die geschikt zijn als nestplaats voor de buizerd en twee oude sperwernesten. Volgens het monitoringsonderzoek zal de invloed van het festival op deze mogelijke (nest)locaties naar verwachting vrijwel nihil zijn, omdat de locaties op ruime afstand van het festivalterrein liggen. Het monitoringsonderzoek komt tot de conclusie dat geen negatieve effecten zijn te verwachten op broedende vogels en hun vaste verblijfplaatsen door effecten van geluid, licht en activiteit van mensen en voertuigen mits mitigerende maatregelen worden getroffen. Wat vuurwerk betreft staat in het monitoringsonderzoek dat het afsteken van vuurwerk geluids- en lichteffecten veroorzaakt. Het geluidsniveau van professioneel vuurwerk is krachtig en voor vogels zeer gevoelig, aangezien het impulsachtige geluid van vuurwerkknallen ook hoge frequenties bevat. Negatieve effecten op vogels door professioneel vuurwerk zijn daarom niet uit te sluiten. Het geluidsniveau van consumentenvuurwerk is maximaal 116 dB(A). Als het vuurwerk dicht bij het muziekpodium wordt afgestoken, blijft het geluidniveau van het vuurwerk mogelijk onder het geluidsniveau van de muziek. Er is dan geen sprake van een toename van geluid.

8.4. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid op voorhand ervan heeft kunnen uitgaan dat de Ffw niet in de weg staat aan het voorziene evenemententerrein. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad heeft toegelicht dat bij elk evenement de mitigerende maatregelen worden getroffen die RVO in de brief van 6 april 2012 heeft opgelegd en een monitoringsonderzoek wordt uitgevoerd. RVO heeft in de monitoringsonderzoeken geen aanleiding gezien om handhavend op te treden vanwege overtredingen van de Ffw.

In de argumenten die [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat in de natuurtoets ten onrechte alleen de gevolgen van de drie grootschalige evenementen op beschermde diersoorten zijn onderzocht, overweegt de Afdeling dat bij de overige evenementen minder bezoekers en een lagere geluidbelasting zijn toegestaan dan bij grootschalige evenementen. Gelet hierop is aannemelijk dat ook bij overige evenementen de Ffw niet zal worden overtreden.

Verder zijn, anders dan [appellant sub 1] stelt, in de brief van RVO en het monitoringsonderzoek de effecten van lichtmasten op beschermde diersoorten beschouwd. In de brief van RVO staat immers dat verlichting en geluid zoveel mogelijk van de bosjes en de bekende nesten van de sperwer af moet worden gericht en in het monitoringsonderzoek staat dat het terrein beperkt dient te worden verlicht waarbij de verlichting vooral naar beneden gericht dient te zijn.

De raad behoefde verder niet de gevolgen van het gehele recreatieve gebruik van de Wijthmenerplas, waaronder de waterskibaan, op beschermde diersoorten te laten onderzoeken, nu de opdracht in de tussenuitspraak alleen zag op het voorziene evenemententerrein.

Wat betreft het betoog van [appellant sub 1] dat in het monitoringsonderzoek niet de gehele Wijthmenerplas is onderzocht, overweegt de Afdeling dat in het monitoringsonderzoek staat dat het festivalterrein en de omgeving in een straal van 100 m, waaronder de overzijde van de plas, is onderzocht. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in het monitoringsonderzoek niet de gehele Wijthmenerplas is onderzocht. In het monitoringsonderzoek behoefde verder niet op vier momenten op broedgevallen te worden onderzocht. Daarbij is van belang dat in het monitoringsonderzoek staat dat in 2012 in overleg met de organisator en de Dienst Regelingen is besloten om alleen voorafgaand aan het festival een veldinspectie uit te voeren. Dit werd besloten naar aanleiding van het monitoringsonderzoek in 2012 voor, tijdens en na afloop van de muziekfestivals "Hardshock" en "Fusion of Dance" waarbij geen negatieve effecten werden vastgesteld op broedende vogels en hun vaste verblijfplaatsen.

Voor zover [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] erop wijzen dat in het plangebied vleermuizen en dassen aanwezig zijn, overweegt de Afdeling dat in de brief van RVO wordt geconcludeerd dat wezenlijk negatieve effecten van licht en geluid tijdens het festival en op- en afbouwwerkzaamheden op andere diersoorten dan vogels zijn uitgesloten, omdat verblijfplaatsen van vleermuizen en grondgebonden zoogdieren als de das niet aanwezig zijn en er voldoende alternatief foerageergebied in de directe omgeving is. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit onjuist is.

Wat betreft het consumentenvuurwerk overweegt de Afdeling dat het monitoringsonderonderzoek tot de conclusie komt dat het gebruik van consumentenvuurwerk niet tot negatieve effecten voor vogels zal leiden. In de stelling van [appellant sub 1] dat voor consumentenvuurwerk een maximale geluidbelasting van 156 dB is toegestaan ziet de Afdeling geen aanleiding deze conclusie onjuist te achten, nu zij deze stelling niet nader heeft onderbouwd. De Afdeling neemt ook in aanmerking dat in de e-mail van RVO 17 april 2015 geen bezwaar wordt gemaakt tegen het gebruik van consumentenvuurwerk.

Het betoog faalt.

Parkeren

9. [appellant sub 1] betoogt voorts dat het voorziene evenemententerrein zal leiden tot parkeeroverlast. Voorts zijn volgens haar in het gewijzigde plan ten onrechte geen parkeernormen opgenomen, nu sinds de inwerkingtreding van de wet Herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: Reparatiewet BZK 2014) op 29 november 2014 parkeernormen in elk bestemmingsplan moeten worden opgenomen.

9.1. Wat betreft het betoog van [appellant sub 1] dat het voorziene evenemententerrein zal leiden tot parkeeroverlast, overweegt de Afdeling dat in de tussenuitspraak reeds is geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de parkeercapaciteit onvoldoende is. Behoudens zeer uitzonderlijke gevallen kan de Afdeling niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan. Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat in het gewijzigde plan ten onrechte geen parkeernormen zijn opgenomen, overweegt de Afdeling dat uit de Reparatiewet BZK 2014 niet volgt dat in elk bestemmingsplan parkeernormen moeten worden opgenomen. In dit geval behoefde de raad in redelijkheid geen parkeernormen op te nemen, nu de parkeercapaciteit in de omgeving voldoende is.

Het betoog faalt.

Ondergeschikte horeca

10. [appellant sub 2] en anderen betogen dat in de planregels ten onrechte niet is omschreven wat onder ondergeschikte horeca moet worden verstaan. Volgens hen interpreteert het gemeentebestuur het begrip ondergeschikte horeca zodanig breed dat overlastgevende horeca daardoor wordt toegestaan in het plangebied.

10.1. De Afdeling overweegt dat dit een nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgrond betreft. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van de andere partij, kan in het licht van de goede procesorde niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat hetgeen [appellant sub 2] en anderen in dit opzicht aanvoeren buiten inhoudelijke bespreking blijft. Bovendien staat de vraag of de aanwezige horeca in het plangebied al dan niet als ondergeschikte horeca moet worden aangemerkt in deze procedure niet ter beoordeling, maar betreft dit een kwestie van handhaving.

Het betoog faalt.

Lichtmasten

11. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat in de nota "Dagterrein de Wijthmenerplas - Visie en toetsingskader ontwikkelingen" staat dat lichthinder van activiteiten moet worden voorkomen. Voorts is vermeld dat het gebied tussen zonsopgang en zonsondergang donker moet zijn en dat deuren en voetpaden hooguit aangelicht kunnen worden. Het toestaan van 10 m hoge lichtmasten zal volgens [appellant sub 2] en anderen tot lichthinder leiden en de privacy schaden, hetgeen in strijd is met de ontwikkelingsvisie.

11.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder b, van de planregels geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 5 m mag bedragen.

Ingevolge lid 4.3.1, aanhef en onder d, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.2.2 onder b, om toe te staan dat de bouwhoogte van vlaggenmasten en lichtmasten wordt vergroot tot niet meer dan 10 m.

Ingevolge lid 4.3.2 kunnen de in lid 4.3.1 genoemde afwijkingen slechts worden toegestaan, mits de bebouwing goed wordt ingepast en aansluit op de omgeving conform het document "Dagterrein de Wijthmenerplas - Visie en toetsingskader ontwikkelingen", dat als bijlage 1 is opgenomen, en geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

a. het stedenbouwkundig beeld;

b. de woonsituatie;

c. de verkeersveiligheid;

d. de parkeergelegenheid;

e. de sociale veiligheid;

f. de milieusituatie;

g. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden van de gronden;

h. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Ingevolge lid 4.4, kan het college van burgemeester en wethouders, uitgaande van het document "Dagterrein de Wijthmenerplas - Visie en toetsingskader ontwikkelingen", dat als bijlage 1 is opgenomen, nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

a. een samenhangend stedenbouwkundig beeld;

b. de woonsituatie;

c. de verkeersveiligheid;

d. de mogelijkheid om in voldoende mate te kunnen parkeren;

e. de sociale veiligheid;

f. een goede milieusituatie;

g. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden van de gronden;

h. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

11.2. De Afdeling stelt vast dat een bouwhoogte van een lichtmast van 10 m eerst mogelijk is na afwijking van het bepaalde in artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder b, van de planregels.

Ingevolge artikel 4, lid 4.3.2, van de planregels kunnen de in artikel 4, lid 4.3.1, van de planregels genoemde afwijkingen, waaronder een bouwhoogte van een lichtmast van 10 m, slechts onder voorwaarden worden toegestaan. Gelet hierop kan van de afwijkingsmogelijkheid eerst gebruik worden gemaakt indien dit ruimtelijk aanvaardbaar is. Voorts kunnen ingevolge artikel 4, lid 4.4, van de planregels nadere eisen worden gesteld aan de plaats en afmeting van de lichtmasten.

De Afdeling is van oordeel dat de raad gelet op de omvang van het plangebied een hoogte van 5 tot - onder voorwaarden - maximaal 10 m voor een lichtmast in redelijkheid niet onaanvaardbaar heeft kunnen achten. Hierbij wordt betrokken dat een bouwhoogte van meer dan 5 m eerst is toegestaan na het volgen van een met waarborgen omklede procedure.

Het betoog faalt.

Conclusie

12. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 29 juni 2015 is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid wat betreft artikel 4, lid 4.5, onder d, e, f en g, van de planregels. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen tegen dat besluit zijn gegrond, zodat dat besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

13. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door in artikel 4, lid 4.5, van de planregels te bepalen dat het equivalente geluidniveau moet worden bepaald over één minuut. De uitspraak zal ten aanzien van dit planonderdeel in de plaats treden van het besluit van 29 juni 2015 voor zover dat is vernietigd. Daarbij betrekt de Afdeling dat [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en de raad ter zitting te kennen hebben gegeven daartegen geen bezwaren te hebben. Verder is niet aannemelijk dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, nu de raad ter zitting te kennen heeft gegeven dat de evenementen die bij de Wijthmenerplas worden gehouden aan deze normering kunnen voldoen.

14. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

15. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor zover [appellant sub 2] en anderen om vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand hebben verzocht, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. Van beroepsmatig verleende rechtsbijstand is sprake indien de proceshandelingen worden uitgevoerd door een rechtshulpverlener. Het indienen van een beroepschrift en een zienswijze over het besluit van 29 juni 2015 op eigen titel alsmede het inwinnen van advies van een advocaat voldoen niet aan dit uitgangspunt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Zwolle van 17 februari 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Wijthmenerplas" voor zover het betreft:

a. de functieaanduiding "evenemententerrein";

b. artikel 4, lid 4.7 en 4.8, van de planregels;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Zwolle van 29 juni 2015 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Wijthmenerplas" voor zover het betreft artikel 4, lid 4.5, onder d, e, f en g, van de planregels;

IV. bepaalt dat artikel 4, lid 4.5, onder d, e, f en g, van de planregels als volgt komt te luiden:

"d. het gebruik ter plaatse van de functieaanduiding "evenemententerrein" ten behoeve van grootschalige evenementen, indien het equivalente geluidsniveau LA,eq(één-minuut), uitgedrukt in dB(A), op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen, veroorzaakt door een evenement, meer bedraagt dan 75 dB(A);

e. het gebruik ter plaatse van de functieaanduiding "evenemententerrein" ten behoeve van grootschalige evenementen, indien het equivalente geluidsniveau Lc,eq(één-minuut), uitgedrukt in dB(C), op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen, veroorzaakt door een evenement, meer bedraagt dan 90 dB(C);

f. het gebruik ter plaatse van de functieaanduiding "evenemententerrein" ten behoeve van overige evenementen, indien het equivalente geluidsniveau LA,eq(één-minuut), uitgedrukt in dB(A), op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen, veroorzaakt door een evenement, meer bedraagt dan 70 dB(A);

g. het gebruik ter plaatse van de functieaanduiding "evenemententerrein" ten behoeve van overige evenementen, indien het equivalente geluidsniveau Lc,eq(één-minuut), uitgedrukt in dB(C), op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen, veroorzaakt door een evenement, meer bedraagt dan 80 dB(C)";

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 29 juni 2015 voor zover dat is vernietigd;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Zwolle tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

a. [appellant sub 1] tot een bedrag van € 2.179,36 (zegge: tweeduizend honderdnegenenzeventig euro en zesendertig cent), waarvan € 1.715,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. [appellant sub 2] en anderen tot een bedrag van € 394,08 (zegge: driehonderdvierennegentig euro en acht cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Zwolle aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 1] en € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 2] en anderen vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VIII. draagt de raad van de gemeente Zwolle op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat onderdeel IV wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.

w.g. Van der Wiel w.g. Van Driel Kluit

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015

703.