Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3939

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
201502391/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:725, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 2 maart 2010 heeft het college aan een negental minicampings vrijstelling verleend teneinde de minicampings te kunnen uitbreiden van 15 naar 25 standplaatsen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502391/1/A1.

Datum uitspraak: 23 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te Oostkapelle, [appellant B] en [appellant C], beiden wonend te Zoutelande (hierna: [appellant]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 februari 2015 in zaak nr. 14/3753 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 2 maart 2010 heeft het college aan een negental minicampings vrijstelling verleend teneinde de minicampings te kunnen uitbreiden van 15 naar 25 standplaatsen.

Bij uitspraak van 2 februari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Spierdijk, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op de in 2007 ingediende aanvragen van de minicampings "De Lepelhoeve", "Zeeuws Knoopje", "'t Hommeltje", "de Boshoek", "Duinvliet", "Boogaard", "Molenperk", "het Berghof" en "Klein Rijsburg", die ten grondslag liggen aan de besluiten van 2 maart 2010, heeft het college bij afzonderlijke besluiten van 15 april 2008, beslist. Die besluiten zijn voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure en strekken tot verlening van de gevraagde vrijstelling van het ten tijde van de besluiten ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Veere, tweede herziening". [appellant] hebben geen zienswijze over de desbetreffende ontwerpbesluiten naar voren gebracht en hebben evenmin beroep ingesteld tegen de besluiten van 15 april 2008. Bij uitspraak van 21 januari 2010 (ECLI:NL:RBMID:2010:BL0996) heeft de rechtbank de besluiten van 15 april 2008 vernietigd wegens een motiveringsgebrek en het college opgedragen nieuw besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het college, mede op basis van een nadere schriftelijke toelichting door de Agrarische Adviescommissie Zeeland (hierna: de AAZ), op 2 maart 2010 de thans bestreden besluiten genomen.

2. [appellant] verzetten zich tegen de verleende vrijstellingen omdat zij van mening zijn dat niet voldaan wordt aan de in het bestemmingsplan opgenomen inkomenseis en hun concurrentiepositie wordt geschaad door de onterecht verleende vrijstellingen.

3. [appellant] betogen dat de rechtbank, door het beroep niet-ontvankelijk te verklaren omdat hen verweten kan worden dat zij geen zienswijze hebben ingediend en geen beroep hebben ingesteld tegen de besluiten van 15 april 2008, heeft miskend dat het college voorafgaand aan de besluiten van 2 maart 2010 ten onrechte niet opnieuw ontwerpbesluiten heeft opgesteld en ter inzage heeft gelegd. Hiertoe voeren zij aan dat aan de oorspronkelijk aan de besluiten van 15 april 2008 ten grondslag liggende adviezen van de AAZ zodanig ernstige gebreken kleefden dat het college daarin reden had moeten zien om de uniforme openbare voorbereidingsprocedure toe te passen bij het nemen van de nieuwe besluiten. Voorts voeren [appellant] aan dat hen niet verweten kan worden over de besluiten van 15 april 2008 geen zienswijze naar voren te hebben gebracht of tegen die besluiten beroep te hebben ingesteld, omdat de later door haar geconstateerde onjuistheden niet uit de oorspronkelijke adviezen bleken en voor hen derhalve op geen enkele wijze kenbaar zijn geweest.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 november 2013 in zaak nr. 201207075/1/R2) staat het in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter het bevoegd gezag in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het besluit ten grondslag lag, dan wel de gehele procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht opnieuw te doorlopen. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarin het uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van een besluit, mede gelet op het verhandelde in die eerste procedure en de aard en ernst van de gebreken die tot vernietiging hebben geleid, niet passend moet worden geoordeeld indien het bevoegd gezag ermee volstaat terug te vallen op de eerdere procedure en niet een nieuw ontwerpbesluit opstelt en ter inzage legt.

Het college is teruggevallen op de ontwerpbesluiten die zijn opgesteld in de procedure die heeft geleid tot de besluiten van 15 april 2008. Teneinde het door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen heeft het college de brief van 10 februari 2010 van de AAZ mede aan zijn besluiten ten grondslag gelegd. Deze brief van de AAZ bevat uitsluitend een nadere toelichting op de totstandkoming van de eerder uitgebrachte adviezen en op de wijze waarop is beoordeeld of op een perceel een reëel agrarisch bedrijf is gevestigd. Geen aanknopingspunten bestaan voor de juistheid van de door [appellant] ter zitting van de Afdeling naar voren gebrachte, door het college weersproken, stelling dat de AAZ nieuw feitenonderzoek heeft gedaan naar de vraag of wordt voldaan aan de in het bestemmingsplan voorgeschreven inkomenseis. Nu in de nadere toelichting van de AAZ geen wezenlijk nieuwe standpunten zijn ingenomen dan wel tot een andersluidend advies is gekomen, heeft de rechtbank in de nadere motivering terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen terugvallen op de procedure die ten grondslag lag aan de besluiten van 15 april 2008.

Voor dat oordeel heeft de rechtbank terecht evenmin grond gevonden in de door [appellant] naar voren gebrachte stelling dat de oorspronkelijke adviezen en daarmee de besluiten van 15 april 2008 zijn uitgegaan van onjuiste uitgangspunten bij de berekening van de agrarische bedrijfsinkomsten. Nu de besluiten van 2 maart 2010 dezelfde strekking hebben als de besluiten van 15 april 2008 en de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten niet zijn gewijzigd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het door [appellant] gestelde gebrek - wat daarvan ook zij - geen bijzondere omstandigheid vormt op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het niet passend was om terug te vallen op de eerder toegepaste voorbereidingsprocedure. Voor zover [appellant] in dit verband artikel 10 van de richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB 2006, L 376/36; hierna: de Dienstenrichtlijn) hebben aangehaald, slaagt dit betoog niet. Nog daargelaten of de Dienstenrichtlijn in dit geval van toepassing is, hebben Watte-Sinke en anderen niet gemotiveerd dat en waarom sprake is van strijdigheid met artikel 10 van de Dienstenrichtlijn.

3.2. De rechtbank heeft voorts terecht in de door [appellant] gestelde omstandigheid, dat zij niet eerder op de hoogte waren van de aan de besluiten van 15 april 2008 klevende gebreken, geen grond gezien voor het oordeel dat het hen redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zienswijze naar voren te hebben gebracht over de aan de besluiten van 15 april 2008 voorafgaande ontwerpbesluiten. De rechtbank heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat [appellant] het niet eens waren met de strekking van de besluiten van 15 april 2008 en het derhalve voor hun rekening en risico dient te blijven dat zij desondanks geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen de besluiten van 15 april 2008 en de daaraan voorafgaande ontwerpbesluiten.

Het betoog faalt.

4. Vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank het beroep van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en niet aan een inhoudelijke beoordeling ervan is toegekomen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. Th.C. van Sloten en mr. H.C.P. Venema, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Hagen w.g. Deen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015

604.