Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3933

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
201503730/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 april 2014 heeft de commissie een verzoek om terug te komen op de afwijzing van een verzoek om tegemoetkoming wegens verlies van arbeidsvermogen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503730/1/A2.

Datum uitspraak: 23 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2015 in zaak nr. 14/10557 in het geding tussen:

[appellante]

en

de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven.

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2014 heeft de commissie een verzoek om terug te komen op de afwijzing van een verzoek om tegemoetkoming wegens verlies van arbeidsvermogen, afgewezen.

Bij besluit van 3 oktober 2014 heeft de commissie het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De commissie heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2015, waar [appellante] en de commissie, vertegenwoordigd door mr. M.K. Kanselaar-Borstlap, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 14 februari 2012 heeft de commissie aan [appellante] vanwege misbruik in haar jeugd in totaal € 5.120,- uitgekeerd als tegemoetkoming voor immateriële schade en schade bestaande in studiekosten, rechtsbijstand en psychotherapie. Voor het verlies van arbeidsvermogen heeft de commissie geen tegemoetkoming uitgekeerd, omdat [appellante] haar schade niet heeft beperkt doordat zij zelf minder is gaan werken en zelf ontslag heeft genomen in plaats van zich ziek te melden. Bij besluit op bezwaar van 6 juli 2012 heeft de commissie de totale tegemoetkoming gesteld op € 8185,-. Voor het verlies van arbeidsvermogen heeft de commissie ‘naar redelijkheid’ een bedrag van € 500,- toegekend. Daarbij heeft de commissie in aanmerking genomen dat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij als gevolg van het opgelopen letsel schade wegens verlies van arbeidsvermogen heeft geleden.

Bij brief van 2 februari 2014 heeft [appellante] de commissie verzocht om terug te komen van het besluit van 6 juli 2012 en alsnog een tegemoetkoming in de schade voor verlies van arbeid uit te keren.

Aan het besluit van 14 april 2014 heeft de commissie ten grondslag gelegd dat niet gebleken is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

2. De rechtbank heeft overwogen dat hetgeen [appellante] heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De overgelegde verklaring van de psychotherapeute onderbouwt slechts het gegeven dat [appellante] arbeidsongeschikt is. De commissie heeft reeds eerder overwogen dat [appellante] niet met objectieve informatie, zoals ziekmeldingen of beëindiging van een arbeidsovereenkomst, heeft onderbouwd dat zij vanwege arbeidsongeschiktheid schade heeft geleden.

3. [appellante] betoogt dat zij niet bij machte was om zich in 2010 ziek te melden, omdat zij geen inzicht kon hebben in het ziekteverloop. Bovendien heeft zij wel aan een oud-collega en een werkgever gemeld dat zij vanwege haar trauma zo vermoeid was dat zij niet meer kon werken. Ook aan TSN had zij gemeld dat zij vanwege vermoeidheid niet kon werken. Hoewel zij zich niet bij het UWV heeft gemeld, blijkt uit andere medische stukken de ernst van haar posttraumatische stressstoornis. Verder betoogt [appellante] dat zij geen bankafschriften heeft overgelegd, omdat de commissie haar te kennen had gegeven dat, nu zij niet had voldaan aan de ziekmeldplicht, het overleggen van bankafschriften tot niets zou kunnen leiden. Daarnaast bleek het niet mogelijk oude salarisstroken te achterhalen. Verder betoogt [appellante] dat zij niet in beroep is gegaan tegen het besluit van 6 juli 2012, omdat zij vreesde voor negatieve gevolgen. Ten slotte voert zij aan dat huisuitzetting dreigt.

3.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

3.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd.

3.3. Aan het besluit van 6 juli 2012 heeft de commissie mede ten grondslag gelegd dat [appellante] de schade niet heeft beperkt door zich ziek te melden en dat zij niet heeft onderbouwd met documenten hoe hoog de door haar geleden schade is. Doordat [appellante] niet tegen dat besluit in beroep is gegaan, is dat besluit van de commissie in rechte onaantastbaar geworden; de rechter kan dat besluit en de inhoud ervan niet meer beoordelen, tenzij nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden aangevoerd. Dat [appellante] niet in beroep is gegaan tegen het besluit van 6 juli 2012, omdat zij vreesde voor negatieve gevolgen, hoe begrijpelijk ook gelet op haar psychische gesteldheid, maakt niet dat geoordeeld moet worden dat zij ze niet eerder kon aanvoeren. Ze had zo nodig beroep namens haar kunnen laten instellen door een derde. Hetgeen zij thans aanvoert tegen het besluit van 3 oktober 2014 had zij derhalve eerder kunnen en derhalve moeten aanvoeren.

3.4. Voor zover [appellante] zich beroept op Richtlijn 2012/29/EU, kan dit niet leiden tot een ander oordeel, reeds omdat deze Richtlijn geen betrekking heeft op vergoeding van schade door een ander dan de dader.

3.5. Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen en zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts zich geen buitengewone omstandigheden voordoen waarin zeer zwaarwegende belangen op het spel staan, is voor toetsing van het besluit van 3 oktober 2014 geen plaats. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, griffier.

w.g. Michiels w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015

362.