Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3910

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
201504573/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:3464, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 6 juni 2014 heeft [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur verzocht om informatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504573/1/A3.

Datum uitspraak: 23 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 april 2015 in zaak nr. 14/4984 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV).

Procesverloop

Op 6 juni 2014 heeft [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur verzocht om informatie.

Bij besluit van 30 juli 2014 heeft het UWV zich op het standpunt gesteld het verzoek niet te hebben ontvangen en derhalve geen dwangsom te zijn verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een besluit.

Op 6 augustus 2014 heeft [appellant] hiertegen bezwaar gemaakt.

Op 22 september 2014 heeft [appellant] het UWV in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar.

Op 7 november 2014 heeft [appellant] het UWV in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar.

Op 18 november 2014 heeft [appellant] het UWV wederom in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar.

Op 1 december 2014 heeft [appellant] beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar.

Bij uitspraak van 29 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard, bepaald dat het UWV dat besluit alsnog binnen drie weken neemt en bepaald dat het UWV aan [appellant] een dwangsom van € 100,00 verbeurt, met een maximum van € 15.000,00, voor elke dag waarmee het die termijn overschrijdt. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 11 mei 2015 heeft het UWV op het bezwaar van [appellant] beslist.

Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de door hem in het beroepschrift gevraagde dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar vast te stellen.

1.1. Ingevolge artikel 8:55c van de Awb stelt de bestuursrechter desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast indien het beroep gegrond is.

De rechtbank heeft het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard, maar heeft nagelaten de door het UWV verbeurde dwangsom vast te stellen. Derhalve slaagt het betoog.

2. Weliswaar bestrijdt het UWV dat het een dwangsom is verschuldigd, maar het is niet opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat het niet tijdig op het bezwaar van [appellant] heeft beslist. Derhalve staat dit oordeel vast. Op 22 september 2014, 7 november 2014 en 18 november 2014 heeft [appellant] het UWV ingebrekestellingen gestuurd. Eerst op 11 mei 2015 heeft het UWV op het bezwaar van [appellant] beslist. Gelet op het tijdsverloop tussen in gebreke stellen en het nemen van het besluit is het UWV aan [appellant] de maximale dwangsom van € 1.260,00 verschuldigd.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de hoogte van de door het UWV verschuldigde dwangsom vast te stellen op € 1.260,00. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de door het UWV verschuldigde dwangsom vaststellen op € 1.260,00.

4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 april 2015 in zaak nr. 14/4984, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de hoogte van de door de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verschuldigde dwangsom vast te stellen op € 1.260,00;

III. stelt de hoogte van de door de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verschuldigde dwangsom vast op € 1.260,00;

IV. gelast dat de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 248,00 (zegge: tweehonderdachtenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Verheij w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015

176-805.