Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3909

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
201409969/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "De Contreie, herziening II (2014)" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409969/2/R3.

Datum uitspraak: 23 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Oosterhout,

en

de raad van de gemeente Oosterhout,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "De Contreie, herziening II (2014)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2015, waar [appellant A] en de raad, vertegenwoordigd door P.C.H. van der Made, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 8 juli 2015, in zaak nr. 201409969/1/R3, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 15 oktober 2014 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 20 oktober 2015 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "De Contreie, herziening IIa (2014)" vastgesteld.

[appellanten] zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren te brengen. Van deze gelegenheid hebben zij gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. De Afdeling heeft in de overwegingen 3.5 en 4 van de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 15 oktober 2014, voor zover daarin voor het beoogde appartementencomplex

op de gronden met de bestemming "Gemengd-2" niet is voorzien in een regeling voor een blinde muur aan de meest westelijke gevel, is genomen in strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

3. Gelet op de overwegingen 3.5 en 4 van de tussenuitspraak is het beroep van [appellanten] tegen het besluit van 15 oktober 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Contreie, herziening II (2014)" gegrond. Het besluit van 15 oktober 2014 dient te worden vernietigd, voor zover daarin voor het beoogde appartementencomplex op de gronden met de bestemming "Gemengd-2" niet is voorzien in een regeling voor een blinde muur aan de meest westelijke gevel, wegens strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro.

4. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak het besluit met inachtneming van overweging 3.5 te herstellen door het plan zodanig aan te passen dat daarin voor het beoogde appartementencomplex op de gronden met de bestemming "Gemengd-2" wordt voorzien in een regeling voor een blinde muur aan de meest westelijke gevel dan wel een andere passende regeling vast te stellen.

5. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 20 oktober 2015 het bestemmingsplan "De Contreie, herziening IIa (2014)" vastgesteld. Hierbij is voor het beoogde appartementencomplex op de gronden met de bestemming "Gemengd-2" voorzien in een regeling voor een blinde muur aan de meest westelijke gevel.

6. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft een beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

7. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2014 van rechtswege mede betrekking op het besluit van 20 oktober 2015.

8. [appellanten] hebben in hun zienswijze te kennen gegeven dat zij zich met het besluit van 20 oktober 2015 kunnen verenigen. Gelet hierop moet het van rechtswege ontstane beroep van [appellanten] geacht worden te zijn ingetrokken.

9. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Contreie, herziening II (2014)" gegrond;

II. vernietigt het besluit van 15 oktober 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Contreie, herziening II (2014)", voor zover daarin voor het beoogde appartementencomplex op de gronden met de bestemming "Gemengd-2" niet is voorzien in een regeling voor een blinde muur aan de meest westelijke gevel;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Oosterhout tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 735,00 (zegge: zevenhonderdvijfendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Oosterhout aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Ramrattansing

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015

408.