Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3900

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
201502882/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Tijdens de openbare behandeling ter zitting van 3 december 2015 van zaak nr 201502882/1/A3 heeft [verzoekster] verzocht om wraking van mr. N. Verheij (hierna: de staatsraad) als lid van de enkelvoudige kamer belast met de behandeling van zaak nr. 201502882/1/A3.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/61 met annotatie van L.M. Koenraad
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502882/2/A3.

Datum beslissing: 3 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge beslissing met overeenkomstige toepassing van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op een verzoek van:

[verzoekster], wonend te [woonplaats],

verzoekster,

om toepassing van artikel 8:15 van de Awb.

Procesverloop

Tijdens de openbare behandeling ter zitting van 3 december 2015 van zaak nr 201502882/1/A3 heeft [verzoekster] verzocht om wraking van mr. N. Verheij (hierna: de staatsraad) als lid van de enkelvoudige kamer belast met de behandeling van zaak nr. 201502882/1/A3.

De Afdeling heeft het wrakingsverzoek op 3 december 2015 ter openbare zitting behandeld, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], is gehoord.

De staatsraad heeft niet in de wraking berust en heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.

Beslissing

Bij mondelinge beslissing van 3 december 2015 heeft de Afdeling het verzoek om toepassing van artikel 8:15 van de Awb afgewezen. Daartoe heeft zij het volgende overwogen.

Overweging

1. Ingevolge artikel 8:15 van de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2. Het verzoek van [verzoekster] berust op het volgende. De staatsraad heeft [gemachtigde] gevraagd een machtiging over te leggen waaruit volgt dat hij bevoegd is [verzoekster] in hoger beroep te vertegenwoordigen. Die heeft hij overgelegd. [gemachtigde] heeft de staatsraad vervolgens te kennen gegeven dat hij van de vertegenwoordigers van verweerder ook een machtiging verlangt waaruit volgt dat zij bevoegd zijn verweerder in hoger beroep te vertegenwoordigen. De staatsraad heeft daarop gezegd dat zij een doorlopende machtiging hebben en die in orde is. Toen [gemachtigde] aangaf dat hij wilde dat deze machtiging zou worden overgelegd, maakte de staatsraad duidelijk dat hij wilde verdergaan met de behandeling van de zaak. Uit de handelwijze van de staatsraad volgt minachting voor de burger, nu hij van diens vertegenwoordiger verlangt dat hij een machtiging overlegt, maar dat niet verlangt van de vertegenwoordigers van verweerder, aldus [verzoekster]. [gemachtigde] voelde zich niet serieus genomen, zodat [verzoekster] ernstig twijfelt of de staatsraad haar hoger beroep serieus zal beoordelen. De staatsraad getuigt volgens haar aldus van vooringenomenheid.

2.1. De beslissing van de staatsraad om van de vertegenwoordigers van verweerder niet te verlangen dat deze hun machtiging laten zien, omdat zij over een doorlopende machtiging beschikken, is een procesbeslissing. De vraag of deze beslissing al dan niet juist is, staat niet ter beoordeling in de wrakingsprocedure, nu een wrakingsverzoek niet is bedoeld als rechtsmiddel tegen de inhoud van zo’n procesbeslissing. Hoewel het betreurenswaardig is dat [gemachtigde] zich ter zitting niet serieus genomen voelde, brengt bedoelde procesbeslissing niet mee dat sprake is van vooringenomenheid bij de beoordeling van het beroep.

Aldus uitgesproken in het openbaar door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Reuveny

voorzitter griffier

622.