Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3870

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
201406860/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:9506, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2012 heeft het college [appellant] een bestuurlijke boete opgelegd ten bedrage van € 12.500,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406860/1/A3.

Datum uitspraak: 16 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 juli 2014 in zaak nr. 13/6474 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2012 heeft het college [appellant] een bestuurlijke boete opgelegd ten bedrage van € 12.500,00.

Bij besluit van 25 juli 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juli 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.R. Backer, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Amerongen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft aan het besluit van 26 november 2012 het volgende ten grondslag gelegd. Op 11 januari 2012 hebben twee controleurs de woning aan de [locatie] bezocht. Die hebben vastgesteld dat de woning onzelfstandig werd bewoond zonder dat daarvoor vergunning was verleend. De bewoners die in de woning zijn aangetroffen hebben verklaard dat zij de woning de eerste keer hebben bezocht in de aanwezigheid van [vader] van [appellant] en ook bekend als [naam], die hun de woning heeft laten zien. Verder hebben de vier bewoners verklaard dat zij aanwezig waren toen de huurovereenkomst voor de woning werd getekend. De huurders hebben verklaard dat [verhuurder] de verhuur van de woning verzorgde. Uit het boeterapport volgt dat [vader] vanuit het kantoor van [verhuurder] en namens [verhuurder] optrad als verhuurder van de woning. Gezien de aard van zijn bedrijf wist of had [appellant] moeten weten dat voor de wijze van bewoning van de woning een vergunning nodig was, die niet is aangevraagd, aldus het besluit van 26 november 2012.

Bij het in beroep bestreden besluit is aan de motivering toegevoegd dat de huurovereenkomst is gesloten in het kader van de bedrijfsvoering van [verhuurder], op het kantoor van [verhuurder] de administratie van de verhuur is aangetroffen en de huur werd betaald aan of via [verhuurder].

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Hij heeft de verboden handelingen niet zelf verricht. Ze kunnen hem ook niet worden toegerekend. [vader] houdt zich sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw bezig met het beheer en de verhuur van onroerend goed. Het college is daarmee sinds jaar en dag bekend. [vader] had zijn eigen kantoor, dat hij sinds begin 2011 heeft laten verbouwen. Daarom heeft hij dat kantoor verlaten en heeft hij tijdelijk kantoor gehouden in het kantoor van [verhuurder], aldus [appellant]. Dit heeft hij ook bij de hoorzitting in bezwaar te kennen gegeven. [vader] heeft op het kantoor van [verhuurder] op persoonlijke titel gehandeld. Uit de verklaring van [persoon], een van de bewoners, van 11 januari 2012 volgt dat [vader] de zaken voor de woning regelde en de huur contant aan [vader] op het kantoor van [verhuurder] werd voldaan. Daaruit volgt niet dat de overtreding hem is aan te rekenen, ook niet samen met de omstandigheid dat de administratie van de verhuur van de woning op het kantoor van [verhuurder] is aangetroffen, aldus [appellant]. De rechtbank heeft niet onderkend dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze de betaling op het kantoor van [verhuurder] verliep, wie daarbij aanwezig waren, wie het geld in ontvangst nam, wie de kwitanties uitschreef en op welke wijze de huurders op het kantoor van [verhuurder] werden ontvangen. Die informatie is evenwel van groot belang voor een goede beoordeling van zijn betrokkenheid bij het handelen van [vader], aldus [appellant].

2.1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van het college van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Ingevolge artikel 84a kan de gemeenteraad bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van onder meer artikel 30, eerste lid. Het college is bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Regionale Huisvestingsverordening stadsgewest Haaglanden 2012 is het verbod als bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet uitsluitend van toepassing op woonruimten die behoren tot de in bijlage III van deze verordening opgenomen categorieën woonruimten.

Ingevolge artikel 58a, eerste lid, is het college bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

Ingevolge het tweede lid kunnen overtredingen van artikel 45, eerste lid, worden beboet met een bestuurlijke boete.

2.2. Voorop gesteld wordt dat het hier gaat om een punitieve sanctie en het aan het college als bevoegde bestuursorgaan is te bewijzen dat de overtreding door [appellant] is gepleegd dan wel aan [appellant] kan worden toegerekend. De rechtbank heeft miskend dat het college daarin niet is geslaagd. De Afdeling neemt daarbij het volgende in aanmerking.

[persoon] heeft verklaard dat zij de woning via [naam] heeft verkregen, [naam] haar en de overige vier bewoners de woning heeft laten zien, alle zaken van de verhuur via de makelaar [naam] gingen, zij de eigenaar van de woning niet kende, een medewerker van [naam] twee maal per maand aanbelde om de post te halen en zij van hem al eerder elders een woning had gehuurd. Verder heeft [persoon] verklaard dat de huur contant werd voldaan op het kantoor van [verhuurder] en [naam] daarbij en bij de ondertekening van het huurcontract aanwezig was. De overige bewoners hebben geen verklaring afgelegd en [vader] evenmin.

Dat de huur op het kantoor van [verhuurder] werd betaald en daar de administratie van de verhuur van de woning is aangetroffen, is onvoldoende om de overtreding aan [appellant] toe te rekenen. De huur werd betaald aan [vader]. Het college heeft niet bewezen dat hij daarbij handelde namens [verhuurder]. Dat hij die indruk wekte, zoals het college heeft gesteld, is onvoldoende om te oordelen dat [vader] ook daadwerkelijk namens [verhuurder] handelde. Ook de omstandigheid dat de administratie op het kantoor van [verhuurder] is aangetroffen, is onvoldoende om de overtreding aan [appellant] toe te rekenen, nu daaruit niet volgt dat hij de overtreding al dan niet mede heeft gepleegd.

Het betoog slaagt.

3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeft het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel niet besproken te worden.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college van 25 juli 2013 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. Het primaire besluit van 26 november 2012 zal worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 juli 2014 in zaak nr. 13/6474;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 25 juli 2013, kenmerk 201201309/7;

V. herroept het besluit van 26 november 2012, kenmerk B.1.13.0044.001;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: nul euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 406,00 (zegge: vierhonderdzes euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, griffier.

w.g. Michiels w.g. Reuveny

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015

622.