Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:387

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
201405396/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 mei 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, vierde herziening" vastgesteld. Voorts heeft de raad bij dat besluit besloten geen nieuwe bestemmingsregeling vast te stellen voor het perceel aan de [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2015/56 met annotatie van H.J. de Vries
JOM 2015/789
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405396/1/R4.

Datum uitspraak: 11 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Ingen, gemeente Buren,

en

de raad van de gemeente Buren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, vierde herziening" vastgesteld. Voorts heeft de raad bij dat besluit besloten geen nieuwe bestemmingsregeling vast te stellen voor het perceel aan de [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. T.A. Timmermans, advocaat te Rhenen, en de raad, vertegenwoordigd door ing. N.J. Stam, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan maakt een aantal particuliere initiatieven mogelijk op verschillende locaties in het buitengebied van de gemeente Buren.

2. Bij het besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan komt de raad beleidsvrijheid toe. De Afdeling toetst dit besluit terughoudend. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opnemen van een nieuwe bestemmingsregeling voor het perceel van [appellante] in het plan en voorts of bij het nemen van dat besluit anderszins niet is gehandeld in strijd met het recht.

3. Het perceel van [appellante] aan de [locatie] te [plaats] is thans bestemd voor een transportbegeleidingsservice. [appellante] wenst ter plaatse een autohandel te exploiteren. Zij heeft daarom verzocht om dit initiatief planologisch mogelijk te maken. Na een instemmende reactie van het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) heeft [appellante] in oktober 2013 een overeenkomst gesloten met de gemeente Buren, ingevolge welke overeenkomst de gemeente een wijziging van het bestemmingsplan in procedure zal brengen ten behoeve van de door [appellante] gewenste autohandel. [appellante] heeft daarna een rapport over de ruimtelijke onderbouwing van deze autohandel opgesteld.

Voor het perceel van [appellante] is bij de vaststelling van het plan, in afwijking van het ontwerpplan, geen nieuwe bestemmingsregeling vastgesteld. Daartegen richt zich het beroep van [appellante].

4. De raad heeft aan zijn besluit om geen nieuwe bestemmingsregeling voor het perceel van [appellante] vast te stellen ten grondslag gelegd dat het perceel in het ter plaatse geldende bestemmingsplan is aangewezen als ontwikkelzone voor cultuur en recreatie. Verder wijst de raad op ongewenste negatieve gevolgen voor het Nationaal landschap Rivierengebied. Bovendien acht de raad de locatie ongeschikt voor een autohandel vanwege de omstandigheid dat het perceel ligt op korte afstand van de wijk Voorkoop, vanwege de verkeersaantrekkende werking, alsook vanwege de ligging langs een drukke fietsroute waarvan onder meer scholieren gebruik maken. Ten slotte meent de raad dat een autohandel ter plaatse niet passend is, omdat het perceel ligt in agrarisch gebied. Niet-agrarische bedrijvigheid die geen directe binding heeft met de omgeving, dient volgens de raad te worden geconcentreerd op bedrijventerreinen.

4.1. [appellante] betoogt dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat de raad daaraan onjuiste argumenten ten grondslag heeft gelegd. Zij stelt in dit kader voorop dat de door haar gewenste autohandel mogelijk kan worden gemaakt door een enkele functiewijziging, nu het perceel thans is bestemd voor een transportbegeleidingsservice en er geschikte bebouwing op het perceel aanwezig is. Verder voert zij aan dat een autohandel wat ruimtelijke uitstraling betreft niet veel verschilt van een transportbegeleidingsservice.

Voorts voert [appellante] aan dat een autohandel ter plaatse - anders dan de raad meent - het aanzicht van het gebied niet aantast, omdat het perceel is omringd door groen waardoor ter plaatse geparkeerde auto’s niet opvallen. Verder wordt het aangezicht van het perceel bepaald door de Voorkoopstraat en de N320, waartussen het perceel is ingeklemd. Daardoor bestaat er dan ook geen risico dat een autohandel het Nationaal landschap Rivierengebied negatief beïnvloedt, aldus [appellante].

[appellante] voert ten slotte aan dat de stelling van de raad dat het perceel aan een door scholieren gebruikt fietspad grenst, onjuist is. De Voorkoopstraat is een gewone openbare weg die toegankelijk is voor al het verkeer, aldus [appellante].

4.2. Het perceel van [appellante] is gelegen tussen de N320 en de Voorkoopstraat. Het perceel, dat is omringd door bomen, bestaat uit een buitenterrein en een bedrijfspand.

4.3. Ter zitting is vast komen te staan dat het perceel van [appellante] niet in het Nationaal landschap Rivierengebied ligt en evenmin direct daaraan grenst. Anders dan de raad ziet de Afdeling dan ook niet in hoe de door [appellante] gewenste functiewijziging een negatieve uitstraling zal hebben op dat gebied.

De raad heeft voorts onvoldoende weersproken dat het karakter van de omgeving van het perceel van [appellante] met name wordt gekenmerkt door de drukke wegen waar het perceel door wordt omgeven. Evenmin heeft de raad weersproken dat het perceel geheel wordt afgeschermd door groen.

Ter zitting heeft de raad verder te kennen gegeven dat hij zijn standpunt dat een autohandel meer verkeersbewegingen genereert dan een transportbegeleidingsservice niet kan onderbouwen met tellingen of berekeningen. Voorts is komen vast te staan dat het aantal fietsers dat gebruik maakt van de Voorkoopstraat beperkt is.

De raad heeft dan ook gelet op deze punten onvoldoende onderbouwd dat een autohandel ter plaatse ruimtelijk niet aanvaardbaar is.

4.4. De raad heeft ter zitting evenwel ook toegelicht dat hij bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2008" als uitgangspunt heeft gehanteerd dat niet-agrarische bedrijvigheid die geen directe binding heeft met de omgeving dient te worden geconcentreerd op bedrijventerreinen. Uitsluitend voor bestaande bedrijven is een uitzondering gemaakt op dit uitgangspunt; deze bedrijven zijn in het bestemmingsplan "Buitengebied 2008" als zodanig bestemd door middel van het toekennen van een maatbestemming, aldus de toelichting van de raad. De raad heeft dit uitganspunt ook toegepast bij de vaststelling van het bestreden besluit en het besluit over het perceel van [appellante]. Dit komt de Afdeling niet onredelijk voor. Voorts is niet in geschil dat een autohandel een niet-agrarische bedrijvigheid is die geen directe binding heeft met de omgeving. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen nieuwe bestemmingsregeling vast te stellen voor het perceel van [appellante].

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt voorts dat de raad in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door geen nieuwe bestemmingsregeling voor zijn perceel vast te stellen. Hiertoe voert zij aan dat het college positief over het gebruik van het perceel voor een autohandel heeft geoordeeld en dat het college haar steeds heeft geïnformeerd over de voortgang van de procedure, onder meer door toezending van een stappenplan. Verder wijst zij erop dat de raad niet in een eerder stadium bezwaren heeft geuit tegen het ter plaatse mogelijk maken van een autohandel.

5.1. De bevoegdheid omtrent het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij het college, maar bij de raad. Voor zover door het college verwachtingen zijn gewekt dat voor het perceel van [appellante] een nieuwe bestemmingsregeling zou worden vastgesteld, kan dat er derhalve niet toe leiden dat de raad daartoe is gehouden.

Over het niet in een eerder stadium kenbaar maken van bezwaren door de raad overweegt de Afdeling als volgt. De beslissing door de raad over de vaststelling van een bestemmingsplan is mede afhankelijk van alle in de loop van de procedure naar voren gekomen feiten en belangen. De omstandigheid dat de raad niet eerder bezwaren naar voren heeft gebracht over het initiatief van [appellante], kan reeds daarom niet leiden tot het oordeel dat de raad de verwachting heeft gewekt dat voor het perceel van [appellante] een nieuwe bestemmingsregeling zou worden vastgesteld. Bovendien heeft het college er bij brief van 22 juli 2013 reeds op gewezen dat de kans bestaat dat de raad het plan waarin het initiatief is vervat niet vaststelt.

Het betoog faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, griffier.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Kuggeleijn-Jansen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2015

545-786.