Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3868

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
201501512/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Erratum ten behoeve van het geconsolideerde bestemmingsplan "De Zuid" naar aanleiding van uitspraak Raad van State" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1305
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501512/1/R4.

Datum uitspraak: 16 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Noordwijk,

en

de raad van de gemeente Noordwijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Erratum ten behoeve van het geconsolideerde bestemmingsplan "De Zuid" naar aanleiding van uitspraak Raad van State" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2015, waar [appellante], bijgestaan door mr. R.C. Cook, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.A.J. de Jong, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 27 augustus 2014, in zaak nummer 201306435/1/R4, het bestemmingsplan "De Zuid" deels vernietigd. De vernietiging betrof onder meer het plandeel met de bestemming "Wonen" voor zover toegekend aan het perceel van [appellante] aan de [locatie] te Noordwijk. Haar beroep had in die zaak kort gezegd betrekking op de beperking van het aantal toegelaten woningen op haar perceel tot één. Het voorgaande plan kende die beperking niet. Het zou mogelijk zijn om op het perceel, met inachtneming van de bouwregels, twee woningen te realiseren. Evenwel zou dat, gelet op die bouwregels, zowel onder het voorgaande plan als onder het plan "De Zuid" alleen kunnen als de huidige woning gesloopt zou worden. [appellante] heeft in die zaak betoogd dat de raad er ten onrechte van uit is gegaan dat de huidige woning niet gesloopt zal worden.

3. De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 augustus 2014 overwogen dat onder het voorgaande planologische regime twee woningen op dit perceel konden worden gebouwd. De Afdeling heeft voorts overwogen dat de raad geen planologische bezwaren had tegen twee woningen op het perceel, en dat de enkele stelling van de raad dat het op dit moment feitelijk niet mogelijk is om naast de bestaande woning een andere woning te bouwen, de keuze om bestaande rechten niet te behouden niet kon dragen. De Afdeling heeft het plan in zoverre vernietigd en de raad opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak een nieuwe planregeling te treffen.

4. In het thans bestreden besluit heeft de raad op het perceel [locatie] een aanduiding opgenomen waardoor het mogelijk is om twee woningen te realiseren. De bouwregels zijn dienovereenkomstig aangepast.

5. [appellante] betoogt dat de raad de opdracht van de Afdeling slechts ten dele heeft uitgevoerd. Zij wil de mogelijkheid hebben om naast de bestaande woning een tweede woning te bouwen. Zij betoogt dat ze nog steeds in een nadeliger positie verkeert ten opzichte van het voorgaande plan. Ten eerste heeft de raad volgens haar de oude bouwvoorschriften ongewijzigd overgenomen uit het voorgaande plan, maar heeft hij de regels ten aanzien van het ruime recht op vrijstelling niet terug gebracht. Volgens haar had de raad, met het oog op haar bestaande rechten weer een ruime vrijstellingsregeling moeten opnemen. Of anders had de raad volgens haar een passende specifieke bouwaanduiding, namelijk [sba 2] in plaats van [sba 1] moeten opnemen, waardoor het mogelijk zou zijn naast de bestaande woning een tweede te bouwen. Dit betreft met name de voorgeschreven afstanden tot de zijdelingse bouwvlakgrenzen. Zij heeft daarbij gewezen op het wandelpaadje naast de noordoostelijke grens van haar perceel. Ter plaatse van de voor haar geldende aanduiding [sba 1] bedragen deze afstanden minimaal 5 meter met een minimale som van 20 meter, ter plaatse van de door haar gewenste aanduiding [sba 2] minimaal 4 meter met een minimale som van 16 meter.

6. De raad stelt dat [appellante] een nieuwe beroepsgrond aanvoert. In het oorspronkelijke beroep ging het slechts om de mogelijkheid om twee woningen op het perceel op te richten, nu is daarbij gekomen dat zij de bestaande woning wenst te behouden. De raad stelt voorts dat het artikel in het oude plan waarop [appellante] doelt slechts een wijzigingsbevoegdheid inhield, en geen mogelijkheid bij recht. Voorts voorziet dit artikel alleen in afwijkingen ten aanzien van de ligging van bestemmingsgrenzen en bouwvlakken die noodzakelijk zijn ter aanpassing van het plan aan de bij uitmeting werkelijke toestand van het terrein. Het artikel bevat geen mogelijkheid tot wijziging dan wel vrijstelling om de bebouwingsnormen te versoepelen. Het voorliggende bestemmingsplan "De Zuid" bevat een soortgelijke bepaling, aldus de raad. Ter zitting heeft de raad gesteld dat hij geen verdichting wenst, en dat de huidige woning tamelijk midden op het perceel staat. De regeling inzake de afstand tot zijdelingse bouwvlakgrenzen die geldt voor het perceel van [appellante] is de gebruikelijke regeling voor dit deel van Noordwijk; waar specifieke maatvoeringen zijn opgenomen heeft dat over het algemeen te maken met de feitelijke omstandigheden, zoals een kleiner perceel. De raad heeft voorts gesteld dat [appellante] geen concreet verzoek heeft gedaan of plan heeft ingediend op basis waarvan een nadere ruimtelijke afweging had kunnen worden gemaakt.

7. De Afdeling overweegt dat niet in geschil is dat zowel op grond van het voorgaande als op grond van het huidige planologische regime de realisatie van twee woningen op het perceel van [appellante] mogelijk is, maar alleen na de sloop van de bestaande woning. Door de ligging van deze bestaande woning staan de bouwregels er, zowel onder het voorgaande regime als onder het huidige, aan in de weg dat een tweede woning op het perceel wordt gebouwd. Het bestemmingsplan "De Zuid" zoals het nu is vastgesteld brengt dan ook geen verlies van bestaande rechten van [appellante] teweeg. [appellante] heeft, anders dan de raad stelt, ook in de vorige procedure gewezen op de wijzigingsbevoegdheid in het vorige plan, die het volgens haar mogelijk maakte een tweede woning naast de bestaande op te richten. Deze in het vorige plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid geeft echter geen aanleiding voor een ander oordeel, nu deze, wat ook de bedoeling van de bevoegdheid is geweest, geen mogelijkheid bij recht voor [appellante] heeft betekend. Ook is niet gebleken dat [appellante] ooit om toepassing van de bevoegdheid heeft verzocht.

Ook heeft zij geen concreet plan ingediend voor het oprichten van een tweede woning naast de bestaande, op grond waarvan de raad een nadere afweging van de ruimtelijke gevolgen had kunnen maken. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een wijziging van de specifieke bouwaanduiding had moeten onderzoeken.

Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Postma

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015

539.