Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3865

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
201409143/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 augustus 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een schotelantenne op het perceel [locatie] te Oudenhoorn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2015-0281
JOM 2016/1356
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409143/1/A1.

Datum uitspraak: 16 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Oudenhoorn, gemeente Nissewaard,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2014 in zaak nr. 13/5577 in het geding tussen:

[appellant],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bernisse, thans gemeente Nissewaard.

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een schotelantenne op het perceel [locatie] te Oudenhoorn.

Bij besluit van 16 juli 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 16 juli 2013 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 17 november 2014 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 23 augustus 2012 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 23 augustus 2012 ingetrokken en aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een schotelantenne op voornoemd perceel.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Icees Sevices Center B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [appellant] hebben nog nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting, samen met zaak nr. 201409142/1/A1, behandeld op 21 augustus 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.P. Cornelissen en mr. R.M. Königel, beiden advocaat te Middelharnis, en ir. G.W. Lassche, werkzaam bij Peutz B.V, en het college, vertegenwoordigd door R.J. de Boer, L. van Houwelingen en A. Voogt-Surstedt, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Icees, vertegenwoordigd door [vergunninghouder], bijgestaan door mr. S.D. van Reenen, gehoord.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in de plaatsing van een schotelantenne op het achterterrein van het perceel. De schotelantenne staat ten dienste van de bedrijfsvoering van het ter plaats gevestigde bedrijf van Icees, dat satellietsystemen vervaardigt voor de offshore-industrie.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de door het college verleende omgevingsvergunning ten onrechte is gebaseerd op de vrijstelling die het college bij besluit van 8 mei 2013 heeft verleend voor de herbouw van het bedrijfspand op het perceel. De rechtbank heeft het besluit om deze reden vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb vernietigd.

Ontvankelijkheid van het bezwaarschrift

3. Het door het college in het verweerschrift ingenomen standpunt dat het bezwaarschrift van [appellant] wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, volgt de Afdeling niet.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is in dit geval aangevangen op 24 augustus 2012 en geëindigd op 4 oktober 2012. Weliswaar is het bezwaarschrift pas op 1 maart 2013 en derhalve buiten de termijn bij het college binnengekomen, maar deze overschrijding van de termijn moet in dit geval verschoonbaar worden geacht. Het besluit van 23 augustus 2012 is voorbereid met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Het besluit is met toepassing van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bekendgemaakt door toezending daarvan aan [vergunninghouder], op deze datum. Het college heeft het besluit van 23 augustus 2012 echter niet overeenkomstig artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 3.8 van de Wabo tegelijkertijd of zo spoedig mogelijk gepubliceerd in een huis-aan-huisblad. Ongeveer een week nadat [appellant] bij de gemeente telefonisch had geïnformeerd naar de stand van zaken omtrent de vergunningverlening voor de schotelantenne heeft het college het besluit op 23 januari 2013 alsnog gepubliceerd in het huis-aan-huisblad "Weekblad De Bernisser".

Vast staat dat de omgevingsvergunning per abuis niet was gepubliceerd. In de alsnog gevolgde publicatie van de vergunning is vermeld dat belanghebbenden op grond van de Awb binnen zes weken na de verzenddatum tegen dit besluit bezwaar kunnen maken. Ten tijde van deze publicatie was de bezwaartermijn evenwel reeds ruimschoots verstreken, zodat de rechtsmiddelverwijzing van het college in zoverre onvolledig was. Gelet op deze verlate publicatie waarin nogmaals een termijn van zes weken is gesteld, kon [appellant] redelijkerwijs niet worden verweten dat hij niet tijdig bezwaar heeft gemaakt.

Redelijke eisen van welstand

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het standpunt van het college dat de schotelantenne voldoet aan de redelijke eisen van welstand rechtens stand houdt, heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met artikel 7.12 van de welstandsnota. Voorts voert [appellant] aan dat het college gelet op de door hem naar voren gebrachte bezwaren het besluit op bezwaar niet zonder nadere motivering had mogen baseren op het positieve advies van de welstandscommissie van 14 augustus 2012.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 oktober 2012 in zaak nr. 201202738/A1/1), mag het bestuursorgaan, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan dat advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders, indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie, dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook kan laatstgenoemde omstandigheid aanleiding geven tot het oordeel, dat het besluit van het college in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager van een bouwvergunning of derde-belanghebbende.

4.2. Het welstandsadvies van 14 augustus 2012 bevat slechts de mededeling dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspaak van 11 februari 2004 in zaak nr. 200303669/1) dient een welstandsadvies in dat geval te worden gelijkgesteld een zogenoemd stempeladvies. Gelet hierop had het college in het besluit op bezwaar niet mogen volstaan met een verwijzing naar dit advies, nu [appellant] reeds in de bezwaarfase gemotiveerd heeft uiteengezet op welke punten het bouwplan in strijd is met de welstandsnota. Nu het door het college in beroep ingenomen standpunt dat de criteria in de welstandsnota in dit geval niet van toepassing zijn, wat daarvan ook zij, niet betekent dat het bouwwerk in overeenstemming is met de redelijke eisen van welstand, heeft het college zijn oordeel omtrent welstand onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Het betoog slaagt.

Beroep van rechtswege

4.3. Bij besluit van 17 november 2014 heeft het college opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant]. Het college heeft bij dit besluit, onder intrekking van het besluit van 23 augustus 2012, aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een schotelantenne op het perceel.

Omdat plaatsing van de schotelantenne in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan heeft het college, teneinde realisering ervan niettemin mogelijk te maken, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, zesde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" omgevingsvergunning verleend. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, geacht van rechtswege onderwerp te zijn van dit geding.

Redelijke eisen van welstand

5. [appellant] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de schotelantenne voldoet aan de redelijke eisen van welstand en zich voor dat oordeel niet uitsluitend op het ongemotiveerde advies van de welstandscommissie van 14 augustus 2012 heeft mogen baseren. Hiertoe voert hij aan dat de schotelantenne in strijd is met artikel 7.12 van de welstandsnota waarin is aangegeven dat slechts één schotelantenne bij een pand is toegestaan en in dit geval reeds vier op het perceel aanwezig zijn. Voorts is de schotelantenne wat betreft maatvoering en kleur niet in overeenstemming met de criteria in de welstandsnota, aldus [appellant].

5.1. Nu het college ook in het besluit van 17 november 2014 voor zijn oordeel omtrent welstand heeft volstaan met een verwijzing naar het welstandsadvies van 14 augustus 2012, dient het besluit gelet op hetgeen is overwogen in 4.2 reeds hierom in zoverre te worden vernietigd. Het betoog slaagt.

5.2. In hoger beroep heeft het college een aanvullend advies van de welstandscommissie van 9 februari 2015 overgelegd. In dit advies heeft de welstandscommissie het welstandsadvies van 14 augustus 2012 nader gemotiveerd. In deze aanvulling is vermeld dat de welstandscommissie het bouwplan heeft getoetst aan het welstandsbeleid voor dit gebied en daarbij geen overwegende bezwaren heeft geconstateerd. Daarbij heeft de welstandscommissie in aanmerking genomen dat de schotelantenne op het achterterrein van het bedrijfspand is geplaats en dat het terrein in gebruik is van het bedrijf, hetgeen opstal van materialen met zich meebrengt. Voorts is in het advies vermeld dat mede door de beperkte hoogte van de schotelantenne deze slechts beperkt zichtbaar is vanaf het openbaar gebied en niet zodanig dominant aanwezig is in de omgeving dat de karakteristiek van het gebied zal worden aangetast.

Dat de schotelantenne in strijd is met de in de welstandsnota opgenomen sneltoetscriteria voor schotelantennes, wat daarvan ook zij, betekent niet zonder meer dat de plaatsing van de schotelantenne niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. De welstandsnota biedt de mogelijkheid aan de welstandscommissie om los van de toetsing aan de sneltoetscriteria een zelfstandige beoordeling te maken, zoals in dit geval blijkens de aanvullende motivering is gebeurd. Nu [appellant] geen deskundigenbericht heeft overgelegd en ook overigens in hetgeen hij heeft aangevoerd geen grond bestaat voor het oordeel dat de adviezen van de welstandscommissie zodanige gebreken vertonen dat het college dit niet aan zijn oordeel omtrent welstand ten grondslag mag leggen, kan het college zich op basis van deze adviezen op het standpunt stellen dat de schotelantenne aan de redelijke eisen van welstand voldoet.

5.3. De Afdeling zal hierna beoordelen of in de door [appellant] aangevoerde gronden tegen het besluit op bezwaar van 17 november 2014, overigens geen grond voor vernietiging aanwezig is en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

Toepassing van artikel 4, zesde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan

6. [appellant] betoogt dat het college niet bevoegd was gebruik te maken van de in artikel 4, zesde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften opgenomen mogelijkheid om in afwijking van het bestemmingsplan omgevingsvergunning voor de schotelantenne te verlenen. [appellant] verzoekt de naar voren gebrachte gronden in hoger beroep in zaak 201409142/1/A1 in deze zaak als herhaald en ingelast te beschouwen.

6.1. De voorziene schotelantenne staat ten dienste van de bedrijfsvoering van Icees. Bij uitspraak van heden in zaak nr. 201409142/1/A1 heeft de Afdeling tussenuitspraak gedaan op het hoger beroep van [persoon]. In die zaak is de vervanging van de bedrijfsloods ten behoeve van de activiteiten van Icees op het perceel aan de orde en spitst het geschil zich toe op de vraag of het bedrijf van Icees naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Nu [appellant] wat betreft de inhoud van de gronden van zijn hoger beroep zich heeft aangesloten bij de door [persoon] in die zaak aangevoerde hoger beroepsgronden, waarvan hij heeft verzocht deze als door hem herhaald en ingelast te beschouwen, wordt volstaan met verwijzing naar hetgeen de Afdeling in de tussenuitspraak van heden in zaak nr. 201409142/1A1 heeft overwogen. De overwegingen in die uitspraak worden geacht deel uit te maken van de onderhavige uitspraak.

6.2. De conclusie is dat het besluit van 17 november 2014 ook is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Evenals in zaak nr. 201409142/1/A1 ziet de Afdeling in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de in het besluit geconstateerde gebreken binnen een daartoe te stellen termijn te herstellen. Daartoe dient het college met inachtneming van de overwegingen 6.2. en 6.3 in de tussenuitspraak in zaak nr. 201409142/1/A1 binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak alsnog toereikend te motiveren dat de invloed van het bedrijf Icees op de omgeving vergelijkbaar is met een bedrijf in categorie 2. Zo nodig dient het college het besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen.

7. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard op om binnen acht weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen:

1. het besluit van 17 november 2014, kenmerk 14.0014160 te herstellen op een wijze als bedoeld in rechtsoverweging 6.2;

2. de uitkomst aan de Afdeling en [appellant] mede te delen

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Deen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015

604.