Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3864

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
201409608/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2013 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] vanaf de zevende dag na dagtekening van dit besluit ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409608/1/A1.

Datum uitspraak: 16 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 oktober 2014 in zaak nr. 14/3200 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2013 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] vanaf de zevende dag na dagtekening van dit besluit ongeldig verklaard.

Bij besluit van 14 maart 2014 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 oktober 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.E. Hamann, advocaat te Den Haag, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Ditvoorst-van der Ark en dr. W. van Os, beiden werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is op 11 mei 2013 aangehouden op zijn snorfiets en bij een daarna gehouden ademanalyse is bij hem een ademalcoholgehalte van 870 µg/l geconstateerd. Dat is meer dan op grond van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid is toegestaan. Naar aanleiding van een mededeling van de politie als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 heeft het CBR [appellant] bij besluit van 3 juni 2013 verplicht aan een onderzoek naar de geschiktheid te onderwerpen. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 17 juli 2013. Het onderzoek heeft bestaan uit een anamnese, een lichamelijk onderzoek, een psychiatrisch onderzoek en een laboratoriumonderzoek. Op grond van de bevindingen van het onderzoek heeft een psychiater in het verslag van bevindingen van 17 juli 2013 bij [appellant] de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin vastgesteld. Hierbij heeft hij -samenvattend- betrokken dat [appellant] zijn alcoholgebruik bagatelliseert, hij onvoldoende inzicht en overzicht heeft over het alcoholgebruik en onvoldoende verantwoordelijkheidsgevoel als het gaat om alcohol en verkeer. Voorts laat de bloedchemie een verhoogd ASAT, ALAT en GGT zien, voor welke verhogingen geen andere verklaring kan worden gevonden dan overmatig alcoholgebruik. Door [appellant] is verzocht om een tweede onderzoek, welk onderzoek heeft plaatsgevonden op 21 september 2013. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek heeft een andere psychiater in het verslag van bevindingen van 28 oktober 2013 bij [appellant] eveneens de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin vastgesteld. Hierbij is betrokken dat er aanwijzingen zijn voor een verhoogde alcoholtolerantie en een onderrapportage van het normale alcoholgebruik in de periode voorafgaand aan de aanhouding van 11 mei 2013, dat het anamnetisch alcoholgebruik niet aannemelijk is en dat sprake is van verhoogde waarden Gamma-GT, ASAT en ALAT in het bloed. Het CBR heeft de psychiatrische diagnoses uit de verslagen van bevindingen aan het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van [appellant] ten grondslag gelegd.

2. [appellant] kan zich er niet mee verenigen dat het CBR de psychiatrische diagnoses uit die verslagen heeft gebruikt. De bij hem geconstateerde hoge bloedwaarden hebben volgens hem een andere oorzaak dan alcoholmisbruik. [appellant] heeft na het tweede onderzoek op eigen initiatief een onderzoek laten verrichten naar zijn leverwaarden. Dit onderzoek heeft bestaan uit een anamnese, een lichamelijk onderzoek, een laboratoriumonderzoek en een aanvullend onderzoek op grond van een buikfoto. De bij dat onderzoek betrokken arts-assistent en internist hebben, blijkens het onderzoeksverslag van 11 december 2013, de afwijkende leverwaarden verklaard door bij [appellant] leverchemie afwijkingen zonder leverfunctiestoornissen vast te stellen, welke waarschijnlijk in het kader van steatose een uiting zijn van het metabool syndroom.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het CBR ten onrechte zijn rijbewijs ongeldig heeft verklaard. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte geen belang heeft gehecht aan het onderzoeksverslag van 11 december 2013, nu dat onderzoeksverslag dient te worden aangemerkt als een contra-expertise op de verslagen van bevindingen van 17 juli 2013 en 28 oktober 2013. In dit kader voert [appellant] aan dat hij op advies van de bij het tweede onderzoek betrokken psychiater door een internist een onderzoek heeft laten uitvoeren, dat de contra-expertise is gebaseerd op bloedwaarden in combinatie met zijn verklaringen en dat een contra-expertise altijd betrekking heeft op de omstandigheden zoals die zijn ten tijde van het verrichten het onderzoek.

3.1. De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2011 in zaak nr. 201008320/1/H3, overwogen dat, in geval de diagnose alcoholmisbruik is gesteld, slechts aanleiding bestaat om de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet in stand te laten, indien de medische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig, dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

Voor het oordeel dat het CBR zich bij de besluitvorming ten onrechte heeft gebaseerd op de verslagen van bevindingen van 17 juli 2013 en 28 oktober 2013 heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden. Anders dan [appellant] betoogt, kan aan het door hem overlegde onderzoeksverslag van 11 december 2013 niet de waarde worden gehecht die hij daaraan gehecht wil zien. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat het door [appellant] overgelegde onderzoeksverslag van 11 december 2013 niet kan worden aangemerkt als een gelijksoortig en gelijkwaardig onderzoekverslag ten opzichte van de verslagen van bevindingen waarop het CBR zich bij de besluitvorming heeft gebaseerd. Daartoe wordt overwogen dat het op initiatief van [appellant] verrichte onderzoek is uitgevoerd geruime tijd na de eerder verrichte onderzoeken, waardoor reeds om die reden afwijkende onderzoeksresultaten kunnen worden geconstateerd. Voorts is bij het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het verslag van 11 december 2013 geen psychiater betrokken. Dat [appellant] op advies van de bij het tweede onderzoek betrokken psychiater bij een internist zijn afwijkende leverwaarden heeft laten onderzoeken, brengt, anders dan hij stelt, niet met zich dat het onderzoek naar de afwijkende leverwaarden kan worden aangemerkt als een contra-expertise met betrekking tot de psychiatrische bevindingen van een psychiater omtrent het alcoholgebruik van [appellant]. De onderzoeksresultaten van een internist doen aan die bevindingen niet af. Voorts kon [appellant] alsnog een andere psychiater inschakelen voor een second opinion. Gelet op het vorenstaande kan uit het onderzoeksverslag van 11 december 2013 niet worden afgeleid dat de verslagen van bevindingen van 17 juli 2013 en 28 oktober 2013 naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertonen, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent zijn. De omstandigheid dat bij het onderzoek in een eigen-verklaringsprocedure, uitgevoerd op 13 september 2014, het onderzoeksverslag van 11 december 2013 wel is betrokken en daar tot de conclusie is gekomen dat het alcoholmisbruik in ruime zin in langdurige en volledige remissie is, maakt het vorenstaande niet anders, reeds nu dat onderzoek is verricht onder andere omstandigheden.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015

414-789.