Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3863

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
201410209/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:6334, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2013 heeft het CBR ten behoeve van [appellant] een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B en BE voor een termijn van drie jaar tot en met 31 december 2016.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410209/1/A1.

Datum uitspraak: 16 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 november 2014 in zaak nr. 14/3019 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2013 heeft het CBR ten behoeve van [appellant] een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B en BE voor een termijn van drie jaar tot en met 31 december 2016.

Bij besluit van 4 april 2014 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 oktober 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. E.G. Gosselink, advocaat te Almere, en het CBR, vertegenwoordigd door S.J.W. van de Vorstenbosch-Blom, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 14 september 2012 heeft het CBR in het kader van een eigen-verklaringsprocedure ten behoeve van [appellant] een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B en BE voor een termijn van één jaar tot en met 30 september 2013. Het CBR heeft aan dat besluit het rapport van een psychiater van 10 augustus 2012 ten grondslag gelegd. De psychiater heeft in dat rapport vastgesteld dat bij [appellant] in het verleden alcoholmisbruik is geconstateerd en dat dit alcoholmisbruik in remissie is. Tegen het besluit van 14 september 2012 heeft [appellant] geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij besluit van 12 december 2013 heeft het CBR in het kader van een nieuwe eigen-verklaringsprocedure ten behoeve van [appellant] een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor het besturen van motorrijtuigen van voornoemde categorieën met een termijnbeperking van drie jaar. Het CBR heeft aan dat, in bezwaar gehandhaafde, besluit het rapport van een andere psychiater en een arts van 19 oktober 2013 ten grondslag gelegd. De psychiater en arts hebben in dat rapport vastgesteld dat er een recidiefvrije periode van meer dan één jaar met betrekking tot alcoholmisbruik bestaat. In het rapport is een termijnbeperking geadviseerd gezien de omstandigheid dat alcoholproblematiek neigt tot recidiveren, waardoor het gelet op de verkeersveiligheid gewenst is betrokkene na een termijn van drie jaar aan een hernieuwd onderzoek te onderwerpen. In het rapport zijn de conclusies van de psychiater uit het rapport van 10 augustus 2012 betrokken. Het CBR heeft het rapport van 19 oktober 2013 aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 12 december 2013 ten grondslag gelegd.

2. [appellant] verzet zich tegen de verklaring van geschiktheid voor een periode van drie jaar. Hij wil een verklaring voor onbepaalde tijd.

3. Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In die bijlage is in paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

4. In navolging van de keuringsartsen hanteert het CBR een vuistregel als uitgangspunt bij de beoordeling of redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de aanvrager slechts aan de bij ministeriele regeling vastgestelde eisen met betrekking tot lichamelijke en geestelijke geschiktheid voldoet voor een daarbij te bepalen termijn. Deze vuistregel houdt in dat personen na een recidiefvrije periode van een jaar geschikt worden geacht voor een termijn van een jaar. Daarna zullen deze personen bij het voortdurend uitblijven van (het vermoeden van) alcoholmisbruik voor een termijn van drie jaar geschikt worden geacht, vervolgens voor vijf jaar en uiteindelijk voor onbepaalde tijd. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 15 januari 2014 in zaak nr. 201303659/1/A1; www.raadvanstate.nl) dat die vuistregel in het algemeen niet onredelijk is.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het CBR zich bij het in bezwaar gehandhaafde besluit ten onrechte heeft gebaseerd op het rapport van 19 oktober 2013. Daartoe voert hij aan dat in het rapport van 19 oktober 2013 ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van het rapport van 10 augustus 2012. Volgens [appellant] is bij de totstandkoming van het rapport van 19 oktober 2013 ten onrechte de bij het rapport van 10 augustus 2012 betrokken psychiater niet geraadpleegd, nu de in het rapport van 10 augustus 2012 gestelde diagnose, alcoholmisbruik in remissie, enkel is gebaseerd op een eenmalige aanhouding in 2003 en er voor het overige geen enkele aan wijziging bestaat voor alcoholmisbruik. De bij het rapport van 19 oktober 2013 betrokken psychiater en arts mochten zich niet baseren op het rapport van 10 augustus 2012, aldus [appellant]. [appellant] voert voorts aan dat de conclusie in het rapport van 19 oktober 2013, dat sprake is van alcoholmisbruik in langdurige en volledige remissie, niet wordt gedragen door de onderdelen van het rapport. Verder voert hij aan dat het rapport van 19 oktober 2013 geen specialistisch rapport is als bedoeld in paragraaf 8.8 van de bij de Regeling behorende bijlage. De in het rapport genoemde psychiater heeft hem uitsluitend een paar algemene vragen gesteld zonder hem verder te onderzoeken, aldus [appellant]. Voorts heeft niet de psychiater maar een andere, niet over specialistische kennis beschikkende, arts het onderzoek verricht, aldus [appellant].

5.1. De Afdeling heeft eerder bij uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2012 in zaak nr. 201109730/1/A3 overwogen dat slechts aanleiding bestaat om een op een psychiatrisch rapport gebaseerd besluit van het CBR niet in stand te laten, indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

5.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat, nu [appellant] niet is opgekomen tegen het besluit van 14 september 2012, dit tot gevolg heeft dat van de rechtmatigheid van dat besluit moet worden uitgegaan, zowel wat de wijze van totstandkoming als wat de inhoud betreft. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 december 2013 in zaak nr. 201304454/1/A1), kan slechts in uitzonderlijke gevallen reden bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken, namelijk indien door toedoen van het bestuursorgaan niet aan betrokkene kan worden toegerekend dat hij de procedure bij de bestuursrechter ongebruikt heeft gelaten of niet heeft voltooid of het bestuursorgaan de onrechtmatigheid van het besluit uitdrukkelijk en tijdig heeft erkend. Van een dergelijke bijzondere omstandigheid is niet gebleken. Dit betekent dat de betrokken psychiater en arts terecht zijn uitgegaan van de juistheid van het aan het besluit van 14 september 2012 ten grondslag liggende rapport van 10 augustus 2012, waarin door een psychiater is vastgesteld dat bij [appellant] in het verleden alcoholmisbruik is geconstateerd en dat dit alcoholmisbruik in remissie is.

De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de bij het rapport van 19 oktober 2013 betrokken psychiater en arts, alvorens een diagnose te stellen, de bij het rapport van 10 augustus 2012 betrokken psychiater dienden te raadplegen, reeds nu bij de totstandkoming van het rapport van 19 oktober 2013 mocht worden uitgaan van de juistheid van het rapport van 10 augustus 2012. Anders dan [appellant] betoogt, wordt, gelet op de conclusie in het rapport van 10 augustus 2012, dat het alcoholmisbruik in remissie is, en de omstandigheid dat in het rapport van 19 oktober 2013 op een aantal onderdelen is geconcludeerd dat alcoholmisbruik thans niet meer aanwezig is, de conclusie in het rapport van 19 oktober 2013, dat het alcoholmisbruik van [appellant] in langdurige en volledige remissie is, gedragen door de onderdelen van het rapport.

5.3. De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het rapport van 19 oktober 2013 geen specialistisch rapport is als bedoeld in paragraaf 8.8 van de bijlage. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen bij uitspraak van 31 maart 2010 in zaak nr. 200906382/1/H3 is van een dergelijk rapport geen sprake indien de betreffende specialist, de psychiater, de betrokkene niet zelf heeft gezien en aldus niet zelf direct bij ten minste enig onderdeel van het onderzoek betrokken is geweest. Volgens het rapport heeft een psychiater [appellant] psychiatrisch onderzocht. Voor zover het persoonlijk contact met de psychiater zelf, naar gesteld, kort is geweest en de psychiater uitsluitend enkele algemene vragen heeft gesteld, is het niet aan de bestuursrechter om te toetsen, of dat contact toereikend is geweest voor de door deze psychiater gestelde diagnose. Voorts is het, anders dan [appellant] betoogt, toegestaan een deel van het onderzoek, onder supervisie en verantwoordelijkheid van de psychiater, door een ander uit te laten voeren.

5.4. Gezien vorenoverwogene heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het rapport van 19 oktober 2013 naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het CBR het niet aan haar besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank is terecht tot datzelfde oordeel gekomen.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015

414-789.